Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7809

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-10-2018
Datum publicatie
02-11-2018
Zaaknummer
13/706690-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van medeplichtigheid aan het aanwezig hebben van 1089 hennepplanten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM


VONNIS

Parketnummer: 13/706690-14

Datum uitspraak: 29 oktober 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1989,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 oktober 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Kerkhoff, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.J. Admiraal, naar voren hebben gebracht.

De zaak tegen verdachte is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld, met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (13/701705-13) (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (13/706205-13) en [medeverdachte 3] (13/706206-13).

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er van beschuldigd – kort gezegd – dat hij in de periode van 1 december 2012 tot en met 5 april 2013 in Amsterdam medeplichtig is geweest aan het telen, bereiden, bewerken en/of verwerken, in elk geval aanwezig hebben, van 1089 hennepplanten in een pand, gelegen aan [adres] , door dit pand ter beschikking te stellen.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die achter dit vonnis is gevoegd.

3 Voorvragen

3.1

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging vanwege het tijdsverloop. Het is niet zinvol om vijf jaar na dato nog buurtbewoners te horen met de vraag of zij verdachte hebben gezien of gesproken in de nabijheid van de woning. Verder ontbreekt het strafvorderlijk belang bij vervolging van verdachte. De officier van justitie heeft immers toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) gevorderd. Door dit te doen, heeft de officier van justitie laten zien dat zij geen ruimte meer ziet voor een eventuele strafoplegging die nog enig strafdoel kan dienen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat er in deze zaak inderdaad sprake is van aanzienlijk tijdsverloop tussen het moment van aantreffen van de hennepplantage en het moment van vervolging. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) is overschreden. De lijn van de Hoge Raad hieromtrent is dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. De regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.

De door de raadsman van verdachte aangevoerde omstandigheden geven naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om van deze lijn van de Hoge Raad af te wijken.

De officier van justitie is ontvankelijk in haar vervolging.

3.2

De overige voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De huurovereenkomst stond op naam van verdachte, terwijl hij niet in het pand woonde, hij kreeg contant geld voor de borg en de huur (die hij via de bank moest overmaken) en verdachte heeft nooit gecontroleerd wat er in het pand gebeurde. Verdachte heeft hierdoor voorwaardelijk opzet gehad op hennepteelt, oftewel de aanwezigheid van een hennepplantage, aldus de officier van justitie.

4.2

Het standpunt van de raadsman van verdachte

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit, indien de rechtbank zijn betoog tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie niet volgt. Hoewel het handelen van verdachte niet slim is geweest, levert het geen voorwaardelijk opzet op hennepteelt, of de aanwezigheid van een hennepplantage op. De raadsman van verdachte heeft hiertoe verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2017.1

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 5 april 2013 werd in het pand gelegen aan [adres] in Amsterdam een hennepplantage aangetroffen van 1089 hennepplanten. Verdachte was sinds 1 december 2012 de huurder van dit pand.

Verdachte heeft hierover verklaard dat [medeverdachte 1] hem vroeg een pand te huren op zijn, verdachtes, naam en dit aan hem, [medeverdachte 1] , onder te verhuren. Hij zou hiermee maandelijks € 200,- verdienen, wat contant aan hem werd betaald. Verdachte moest de huur dan vervolgens via zijn eigen bankrekening overmaken aan de verhuurder. [medeverdachte 1] zocht het pand uit en ging mee als vriend naar de bezichtiging. Verdachte is daarna nog één keer in het pand geweest om de sleutel ervan in ontvangst te nemen.

Juridisch kader: ‘dubbel opzet’ is vereist

Om tot bewezenverklaring te komen van medeplichtigheid aan het opzettelijk plegen van een misdrijf door als huurder van een pand dat pand aan een derde ter beschikking te stellen, is vereist dat niet alleen bewezen wordt dat de opzet van verdachte gericht was op het bevorderen dan wel vergemakkelijken van dat misdrijf in de zin van artikel 48 Sr, maar ook dat zijn opzet – al dan niet in voorwaardelijke vorm – gericht was op het door die derde gepleegde misdrijf, in deze zaak hennepteelt. In dit verband wordt ook wel gesproken van ‘dubbel opzet’.

De rechtbank stelt vast dat verdachte opzettelijk het door hem gehuurde pand ter beschikking heeft gesteld aan een ander teneinde maandelijks wat extra’s te verdienen. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte door te handelen zoals hij handelde opzet, al dan niet voorwaardelijk, heeft gehad op het gepleegde misdrijf, de hennepteelt.

Uit het aangehaalde arrest van de Hoge Raad blijkt dat iemand die een ruimte (onder)(ver)huurt niet zomaar strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor het faciliteren van een in die ruimte of een deel daarvan ingerichte hennepplantage. Een vereiste is, dat de (onder)verhuurder voldoende wetenschap heeft of had moeten hebben van hetgeen zich in die beschikbaar gestelde ruimte afspeelt. Soms kan die wetenschap uit de omstandigheden worden afgeleid. De enkele omstandigheid dat de verhuur onder dubieuze omstandigheden heeft plaatsgevonden, is niet voldoende voor het aannemen van het vereiste opzet.

Conclusie

Verdachte heeft gesteld dat hij niet in het appartement is geweest en niets gecontroleerd heeft, alhoewel het misschien merkwaardig was dat hij de huur contant in handen kreeg en contant moest betalen. De rechtbank kan weliswaar niet uitsluiten dat verdachte een van de twee studenten is geweest die zich bij de buren heeft voorgesteld als nieuwe huurder, nu hij daarbij correct heeft vermeld dat hij in de [land van herkomst] was geboren en geschiedenis studeerde, maar de rechtbank stelt ook vast dat hier geen nader onderzoek naar gedaan, bijvoorbeeld middels een foto-confrontatie met de buren. Een dergelijke foto-confrontatie is na vijf jaar niet meer zinvol. Nu het dossier ten aanzien van verdachte, behalve een dubieuze onderverhuur, geen concrete aanwijzing bevat dat verdachte voldoende wetenschap had (moeten hebben) dat in het pand een hennepkwekerij in werking was, kan niet worden vastgesteld dat verdachte voorwaardelijk opzet – laat staan opzet – heeft gehad op hennepteelt. De rechtbank acht het tenlastegelegde daarom niet bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

5 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A.A.G de Vries, voorzitter,
mrs. A.R.P.J. Davids en N. Saanen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Spaan, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 oktober 2018.

[...]

1 ECLI:NL:HR:2017:226.