Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7808

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-10-2018
Datum publicatie
02-11-2018
Zaaknummer
13/701705-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is de organisaor van een hennepkwekerij geweest. Straf: een gevangenisstraf van 48 dagen met aftrek, mede door de overschrijding van de redelijke termijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM


VONNIS

Parketnummer: 13/701705-13

Datum uitspraak: 29 oktober 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 juni 2014 en 15 oktober 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Kerkhoff, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.M. Rombouts, naar voren hebben gebracht.

De zaak tegen verdachte is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (13/706206-13) (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (13/706205-13) (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (13/706690-14) (hierna: [medeverdachte 3] .

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij:

  1. in de periode van 1 december 2012 tot en met 5 april 2013 in Amsterdam met een ander of anderen 1089 hennepplanten heeft geteeld, bereid, bewerkt en/of verwerkt, in elk geval aanwezig heeft gehad, in een pand gelegen aan [adres] ;

  2. in de periode van 1 januari 2013 tot en met 5 april 2013 met een ander of anderen 21.042 kWh elektriciteit van Liander N.V. heeft gestolen door de zegels van de hoofdaansluitkast en/of de railkast te verbreken;

  3. in de periode van 1 december 2012 tot en met 5 april 2013 in Amsterdam met een ander of anderen een elektriciteitsnetwerk heeft vernield; en

  4. in de periode van 1 december 2012 tot en met 5 april 2013 in Amsterdam met een ander of anderen de wanden, plafonds, deuren, vloerafwerking en/of vitrages van een woning, gelegen aan [adres] en toebehorende aan [naam B.V.] , heeft vernield.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die achter dit vonnis is gevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vier de tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. Zij ziet verdachte als de verantwoordelijke voor de hennepkwekerij en heeft daartoe het volgende aangedragen:

  • -

    verdachte heeft anderen benaderd om aan hem een pand ter beschikking te stellen en hennep te komen knippen;

  • -

    verdachte had de sleutels van het pand waar de hennepkwekerij is aangetroffen;

  • -

    buren herkennen verdachte als de timmerman die vaak aanwezig is geweest en daar heeft geklust. Verdachte is dus verantwoordelijk geweest voor het opbouwen van de hennepkwekerij;

  • -

    de verklaring van verdachte, die stelt dat hij een opdrachtgever had, wordt niet ondersteund door het dossier.

3.2

Het standpunt van de raadsman van verdachte

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat slechts het aanwezig hebben van 1089 hennepplanten op 5 april 2013 wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte heeft verklaard dat hij geholpen heeft met timmeren en dat hij knippers heeft benaderd. Uit niets blijkt verder dat zijn rol groter was dan dat. Uit de opmerking van verdachte ‘dat hij wel eens iets met de stroom heeft gedaan’ kan geen concrete materiële bijdrage aan diefstal van die stroom worden afgeleid.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 5 april 2013 omstreeks 04.55 uur kregen verbalisanten de melding te gaan naar [adres] te Amsterdam. Er zou een bestelbus voor het appartementencomplex geparkeerd staan en drie mannen zouden goederen vanuit deze bus naar binnen aan het brengen zijn. De goederen zouden lijken op spullen die nodig zijn bij een hennepkwekerij. Ter plaatse werden verbalisanten aangesproken door [naam] , bewoonster van de woning onder [perceel nummer] . Zij verklaarde dat zij al weken busjes heen en weer zag rijden, boor- en timmergeluiden hoorde en geregeld de geur van wiet rook. Zij vermoedde dat in het pand een hennepkwekerij aanwezig was. De verbalisanten liepen het complex naar binnen en zagen in het algemene portiek twee mannen de trap aflopen. Zij gedroegen zich zenuwachtig en waren bezweet. Tevens roken verbalisanten een indringende henneplucht. De mannen zijn aangehouden; zij bleken [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te zijn.

Verbalisant [naam verbalisant] is naar de tweede verdieping gelopen om bij [perceel nummer] te kijken. Zij zag niets verdachts en is verder gelopen naar de derde verdieping. Op de trap kwam een man haar tegemoet lopen. Verbalisant rook opnieuw de geur van hennep. Ook deze man is aangehouden; hij bleek verdachte te zijn. Na fouillering is bij hem onder meer een sleutelbos aangetroffen. Met een van de sleutels van deze bos is de voordeur van [perceel nummer] geopend. Binnen in de hal zijn zag verbalisant meteen blauwkleurige en groenkleurige tonnen en een groot waterbassin. Er bleek een hennepkwekerij te zijn die bestond uit 1089 hennepplanten.

Een onderzoek is ingesteld naar de stroomaansluiting van de hennepkwekerij. Hieruit bleek dat de zegels van de hoofdaansluitkast en de daarnaast gemonteerde railkast waren verbroken. In de railkast was een illegale elektriciteitsaansluiting gemaakt. Deze aansluiting liep buiten de elektriciteitsmeter om naar de hennepkwekerij en voorzag deze van stroom. Er was sprake van een handelwijze waarbij niet is voldaan aan de norm NEN 1010. Het gevolg hiervan is dat er gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen te duchten is geweest. Liander N.V. heeft vervolgens aangifte gedaan van diefstal van minimaal 21.042 kWh en van het veroorzaken van een gevaarlijke situatie.

3.3.2

Het oordeel van de rechtbank

Het aanwezig hebben van 1089 hennepplanten (feit 1)

De rechtbank dicht verdachte de rol toe van organisator van de hennepkwekerij om de volgende redenen.

Allereerst was verdachte op 5 april 2013 in het bezit van de sleutel van het appartement [adres] , waar de hennepkwekerij is aangetroffen. Ten tweede kwam hij vaker in dat appartement, zoals onder meer blijkt uit de verklaring van de benedenbuurvrouw [naam] . Zij heeft over een man verklaard die zij de timmerman noemde. Deze man betrad het appartementencomplex altijd via de ingang naar de bergingen en kwam altijd met een witte bestelauto, met uitzondering van een aantal keren dat hij op de fiets kwam. [naam] heeft verdachte op een foto aangewezen en hem herkend als de timmerman. Verdachte erkent dat hij ‘de timmerman’ is. De man van [naam] , [naam 1] , heeft verdachte op een foto aangewezen als de man die twee à drie dagen voor de aanhouding van verdachte bij hen aan de deur was geweest om te vragen of er lekkage was. Er was naar aanleiding van lekkages namelijk een klacht ingediend bij [naam B.V.] (hierna: [naam B.V.] ), de verhuurder. Ten derde erkent verdachte zelf bij de politie dat hij met de opbouw van de plantage heeft geholpen en “wat met stroom heeft gedaan” en dat de andere twee aldaar aangehouden verdachten hem hielpen.

[medeverdachte 1] , die ook op 5 april 2013 is aangehouden, heeft verklaard dat verdachte hem gevraagd had te helpen met knippen. Hij zou er € 150,- mee verdienen. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat verdachte hem benaderde om een pand te huren. [medeverdachte 3] heeft het pand met ingang van 1 december 2012 van [naam B.V.] gehuurd om dit vervolgens onder te verhuren aan verdachte. Verdachte betaalde hem maandelijks de huur in contant geld, waarna [medeverdachte 3] dit geld op zijn eigen bankrekening stortte en vervolgens overmaakte aan de verhuurder. [medeverdachte 3] zou hier maandelijks € 200,- mee verdienen. Ook had verdachte het pand uitgezocht; hij was samen met [medeverdachte 3] mee gegaan naar de bezichtiging met de makelaar.

De rechtbank gaat er daarom van uit dat de rol van verdachte groter was dan de rol die hij zichzelf heeft toegedicht, namelijk die van helper bij het opbouwen van de hennepkwekerij.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat verdachte zich in de periode van 1 december 2012 tot en met 5 april 2013 schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van 1089 hennepplanten.

De vraag die voorts rijst, is of verdachte dit alleen of met een ander of anderen heeft gedaan.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 15 oktober 2018 verklaard dat hij een opdrachtgever had. Uit het dossier volgt echter geen steun voor deze verklaring en verdachte heeft niet de naam willen noemen van zijn opdrachtgever. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of verdachte het feit met een ander of anderen heeft gedaan en gaat er daarom van uit dat verdachte de hennepplanten alleen aanwezig had. Hij zal daarom worden vrijgesproken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op medeplegen.

De diefstal van de elektriciteit en het beschadigen van een elektriciteitswerk (feiten 2 en 3)

Uit de aangifte van Liander N.V. is gebleken dat er tenminste 21.042 kWh illegaal is weggenomen en dat door de illegale elektriciteitsaansluiting er gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen te duchten is geweest.

Verdachte heeft hierover verklaard dat hij wel wat met de stroom heeft gedaan. Gelet op zijn rol als organisator van de hennepkwekerij acht de rechtbank deze verklaring in zoverre ongeloofwaardig dat de rechtbank ervan uit gaat dat verdachte meer heeft gedaan, namelijk de meterkast heeft gemanipuleerd ten behoeve van de hennepplantage.

Nu uit het dossier niet blijkt dat verdachte hierbij nauw en bewust heeft samengewerkt met een ander of anderen zal hij worden vrijgesproken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op medeplegen.

Het vernielen en/of beschadigen van het pand [adres] (feit 4)

[naam B.V.] heeft aangifte gedaan van vernieling. Nadat door de politie in het pand [adres] een hennepkwekerij werd aangetroffen, is de woning opgeleverd aan [naam B.V.] . Hierbij werd de halve inboedel van een hennepkwekerij aangetroffen. Er is twintig kuub afval uit de woning verwijderd. Daarnaast zijn de wanden, plafonds, deuren, vloerafwerking en vitrages vernield. De woning is gestoffeerd opgeleverd aan Van Wezel, maar hiervan is niets overgebleven. De herstelkosten bedroegen circa € 15.000,-.

Gelet op de rol van verdachte als organisator van de hennepkwekerij acht de rechtbank bewezen dat het verdachte is geweest die het pand heeft vernield en/of beschadigd.

Verder heeft bovenbuurman [naam 2] verklaard dat hij verschillende mannen heeft gezien die op vreemde en verschillende tijden kwamen. Ook hoorde hij veel gestommel, gedoe, getimmer en geboor. Benedenbuurvrouw [naam] heeft verklaard veel timmerwerk te hebben gehoord. Daarom acht de rechtbank bewezen dat niet alleen verdachte in het pand heeft getimmerd en geboord.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen bij het vernielen en/of beschadigen van het pand.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

  1. in de periode van 1 december 2012 tot en met 5 april 2013 te Amsterdam in perceel [adres] opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van in totaal 1089 hennepplanten;

  2. in de periode van 1 januari 2013 tot en met 5 april 2013 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen circa 21.042 kWh, toebehorende aan Liander N.V., waarbij verdachte die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door de zegels van de hoofdaansluitkast en de railkast te verbreken;

  3. in de periode van 1 december 2012 tot en met 5 april 2013 te Amsterdam opzettelijk enig elektriciteitswerk heeft beschadigd, stoornis in de werking van zodanig werk heeft veroorzaakt en een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel heeft verijdeld, door


-de zegels van de hoofdaansluitkast te verbreken en
-de zegels van de naast de hoofdaansluitkast gemonteerde railkast te verbreken en
-in de railkast een illegale elektriciteitsaansluiting te maken en
-deze aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om te laten lopen en
-niet te voldoen aan de veiligheidsmaatregelen die gelden voor buigzame leidingen,


waarbij gemeen gevaar voor goederen (brandgevaar) te duchten is en waarvan levensgevaar voor een ander (brandgevaar en/of elektrocutie) te duchten is;

4. in de periode van 1 december 2012 tot en met 5 april 2013 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en wederrechtelijk

-de wanden en,
-de plafonds en,
-de deuren en,
-de vloerafwerking en,
-de vitrages,

van de huurwoning gelegen aan [adres] , toebehorende aan [naam B.V.] ., heeft vernield en/of beschadigd door een hennepplantage in voornoemde woning in te richten.

4 Het bewijs

De rechtbank zal de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring is gebaseerd uitwerken als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld.

5 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6 Motivering van de straf

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een taakstraf van zeventig uren gevorderd, met aftrek van het voorarrest.

6.2

Het standpunt van de raadsman van verdachte

De raadsman van verdachte heeft toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepleit waardoor geen straf of maatregel moet volgen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft in een pand 1089 hennepplanten aanwezig gehad. Hierdoor heeft hij een bijdrage gehad aan de handel in en verspreiding van softdrugs. Bovendien heeft hij, ten behoeve van die hennepkwekerij illegaal stroom afgetapt en het pand vernield en/of beschadigd. Liander N.V. en [naam B.V.] zijn benadeeld door het handelen van verdachte.

Overschrijding van de redelijke termijn

Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is begonnen, met een eindvonnis moet zijn afgerond. In deze zaak is verdachte op 5 april 2013 in verzekering gesteld. Die dag geldt als de dag waarop voornoemde termijn is begonnen, omdat verdachte daaraan de verwachting heeft mogen ontlenen dat tegen hem terzake van enig strafbaar feit strafvervolging zou worden ingesteld. Dit betekent dat het vonnis vóór 5 april 2015 had moeten worden uitgesproken. De zaak is op 4 juni 2014 voor het eerst bij de rechtbank aangebracht. Op deze zitting is de zaak vervolgens op verzoek van de verdediging terugverwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van acht getuigen. Deze zijn gehoord op 4 september 2014, 5 september 2014, 10 oktober 2014 en 13 februari 2015. Medeverdachte [medeverdachte 2] is niet als getuige gehoord omdat hij onvindbaar was. Op 16 april 2015 is voor het laatst nagegaan of [medeverdachte 2] weer in de Basisregistratie Personen stond geregistreerd, maar dat was niet zo. Een ander adres van hem was niet bekend.

Naar het oordeel van de rechtbank had de zaak in beginsel in mei 2015 inhoudelijk kunnen worden behandeld en tot een eindvonnis kunnen leiden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken waarom het zo lang, tot 15 oktober 2018, heeft geduurd voordat de zaak opnieuw bij de rechtbank is aangebracht.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), is overschreden. De totale tijd tussen de aanhouding van verdachte en het eindvonnis in deze zaak is een periode van bijna drie en een half jaar, wat niet te wijten is aan de ingewikkeldheid van de zaak of de invloed van de verdediging. Deze periode komt voor compensatie in de vorm van strafvermindering in aanmerking.

De rechtbank hanteert hierbij de geldende jurisprudentie van de Hoge Raad waaruit volgt dat bij een overschrijding van de redelijke termijn met zes tot twaalf maanden de straf met 10% dient te worden verminderd. Bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden, zoals in deze zaak, wordt naar bevind van zaken gehandeld.

De straf

De rechtbank heeft acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS). Deze indiceren voor 500 à 1000 hennepplanten een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden. Verdachte heeft meer dan 1000 hennepplanten aanwezig gehad, was de organisator van de hennepkwekerij en heeft bovendien stroom gestolen en het elektriciteitswerk in het pand en het pand zelf beschadigd en/of vernield. De rechtbank is daarom van oordeel dat een gevangenisstraf een passende strafmodaliteit is.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank rekening met de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal daarom een zodanige gevangenisstraf opleggen dat verdachte niet meer daadwerkelijk een gevangenisstraf behoeft uit te zitten. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf van 48 dagen opleggen, met aftrek van het voorarrest.

7 De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Liander N.V.

De benadeelde partij Liander N.V. vordert € 3.234,24 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat, indien de rechtbank zijn pleidooi tot vrijspraak van het tenlastegelegde feit 2 volgt, de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Bovendien is de volmacht in de vordering tot schadevergoeding niet ingevuld en is het daarom niet duidelijk of het voeren van dergelijke procedures ook onder de volmacht valt. Tot slot is sprake van een civiele vordering tot schadevergoeding die een verjaringstermijn van vijf jaar kent. De vordering zou thans zijn verjaard, hetgeen de ontvankelijkheid in de weg staat.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Als bijlage bij de vordering tot schadevergoeding is gevoegd een volmacht, gedateerd 29 november 2010, waaruit blijkt dat [naam 3] volmacht heeft verleend aan [naam 4] om de benadeelde partij te vertegenwoordigen. Uit het eveneens bijgevoegde uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat [naam 3] directeur is en dus zelfstandig bevoegd. Tot slot is de vordering tot schadevergoeding ondertekend door [naam 4] . Gelet op de handtekening gaat de rechtbank er van uit dat dit de gevolmachtigde [naam 4] is. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende duidelijk dat [naam 4] de benadeelde partij mag vertegenwoordigen.

Ten aanzien van de verjaring overweegt de rechtbank dat de vordering tot schadevergoeding, gedateerd 27 mei 2013, is ingediend ten behoeve van de terechtzitting van 4 juni 2014. Op dat moment was de vordering tijdig ingediend. Dat de zaak op de terechtzitting van 4 juni 2014 is aangehouden en pas op 15 oktober 2018 weer is behandeld, maakt niet dat de vordering tot schadevergoeding is verjaard. De termijnen voor het indienen van een civiele vordering bij een burgerlijke partij zijn in dit geval niet van toepassing.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Nu de vordering tot schadevergoeding voldoende is onderbouwd, zal deze geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 1 januari 2013.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 47, 57, 161bis, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 2:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking;

ten aanzien van feit 3:

opzettelijk stoornis in de werking van een elektriciteitswerk veroorzaken en een ten opzichte van een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel verijdelen terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is; en

ten aanzien van feit 4:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

De straf

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Liander N.V.

Wijst de vordering van de benadeelde partij Liander N.V toe en veroordeelt verdachte te betalen € 3.234,24 aan de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (1 januari 2013) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De voorlopige hechtenis

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A.A.G de Vries, voorzitter,
mrs. A.R.P.J. Davids en N. Saanen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Spaan, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 oktober 2018.

[...]