Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7794

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-11-2018
Datum publicatie
02-11-2018
Zaaknummer
13/674450-14 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 29-jarige man krijgt een gevangenisstraf van 30 maanden omdat hij een prostituee heeft verkracht in Spaarnwoude. Ook moet hij haar 15.000 euro schadevergoeding betalen. Op 30 september 2014 ontmoetten de man en de vrouw elkaar in Amsterdam. In plaats van naar een hotel te rijden besloot de man naar een afgelegen plek in Spaarnwoude te rijden. Hij sloeg haar en dwong haar seks te hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0955
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/674450-14 (Promis)

Datum uitspraak: 2 november 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 oktober 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.E.A. Duyvendak, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B.E.J. Torny, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 30 september 2014 heeft schuldig gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer] (hierna: aangeefster).

De tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar zijn schriftelijk requisitoir, gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Verdachte heeft aangeefster onder bedreiging meegenomen naar een afgelegen plek, geweld uitgeoefend, en haar vaginaal en oraal verkracht. De officier van justitie baseert dit op de verklaring van aangeefster, die hij betrouwbaar acht. De verklaring vindt voldoende steun in het dossier. Zo heeft aangeefster direct na de verkrachting een vriendin gebeld om haar verhaal te doen en is zij meteen naar de politie gegaan. Bij de politie is er letsel bij aangeefster geconstateerd en zijn op haar kleren moddersporen aangetroffen. De verklaring van verdachte is ongeloofwaardig.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, onder verwijzing naar haar pleitaantekeningen, vrijspraak bepleit. Verdachte heeft onmiddellijk een verklaring afgelegd en deze verklaring komt overeen met de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. De seks was vrijwillig. Na de seks eiste aangeefster opeens meer geld. Vervolgens heeft zij verdachte geslagen en gebeten en heeft verdachte zich verweerd.

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verklaringen van aangeefster van het bewijs moeten worden uitgesloten. De verklaringen bevatten teveel inconsistenties en verschillen van hetgeen aangeefster heeft verteld aan de twee getuigen. De verklaringen van aangeefster moeten als ongeloofwaardig worden aangemerkt. Het gevolg daarvan is dat er onvoldoende bewijs is om tot een veroordeling te komen. Om die reden dient verdachte te worden vrijgesproken.

Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van aangeefster onvoldoende wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal. De getuigenverklaringen zijn zogenaamde ‘de auditu’ verklaringen en dus niet redengevend voor het bewijs. Het letsel dat bij aangeefster is vastgesteld past niet bij het geweld waarover zij heeft verklaard. Het feit dat aangeefster en verdachte zonder condoom seks met elkaar hebben gehad op een afgelegen plek kan niet bijdragen aan het bewijs dat sprake is geweest van dwang. Wegens het gebrek aan steunbewijs dient verdachte te worden vrijgesproken.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Ontmoeting

Verdachte en aangeefster verklaren in grote lijnen gelijkluidend over de wijze waarop zij elkaar hebben ontmoet. In de nacht van 30 september 2014 zijn zij elkaar rond vijf uur ’s nachts tegengekomen. Aangeefster, die werkte als prostituee, was klaar met werken en had haar kamer net afgesloten. Verdachte vroeg of zij nog tijd voor hem had en stelde voor om naar een hotel te gaan. Hiervoor zou verdachte aangeefster driehonderd euro betalen. Aangeefster stemde hiermee in en ging met verdachte mee.

Verklaring aangeefster

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte veranderde vanaf het moment dat zij bij zijn auto aankwamen, waar zij niet wilde instappen. Zij heeft verklaard dat zij dacht dat verdachte een wapen onder zijn jas had en stapte alsnog in toen hij dwingend zei: “We go in the car, now”. In de auto lag een mes tussen de benen van verdachte. Hij is niet naar een hotel gereden, maar naar een afgelegen plek in Spaarnwoude. Aangeefster heeft verklaard dat zij tijdens de rit probeerde ‘ [naam ] ’ te bellen, maar dat verdachte haar telefoon afpakte en tegen de binnenkant van de auto sloeg, waardoor de batterij uit de telefoon viel en de telefoon onbruikbaar werd. In Spaarnwoude aangekomen is aangeefster uit de auto gestapt. Verdachte heeft aan haar haren getrokken en haar herhaaldelijk tegen haar gezicht en op haar armen geslagen. Hij heeft gezegd dat hij haar geen geld ging geven en dat zij hem moest neuken. Aangeefster heeft vervolgens orale en vaginale seks zonder condoom met verdachte gehad. Toen verdachte was klaargekomen kalmeerde hij en heeft hij aangeefster teruggereden naar de Spuistraat.

Betrouwbaarheid van de verklaring

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van aangeefster ongeloofwaardig is, omdat zij in de verschillende verhoren op essentiële punten wisselend heeft verklaard. De raadsvrouw heeft gewezen op diverse discrepanties. Zo zou aangeefster tegen een vriendin, [naam vriendin] (hierna: [naam vriendin] ), hebben gezegd dat zij dacht dat verdachte niet ‘in’ haar was geweest, terwijl zij hier later wel over heeft verklaard. Ook heeft aangeefster niet consistent verklaard over het aftrekken van verdachte, het bellen met [naam ] en de bedreiging met het vuurwapen. Verder heeft aangeefster niet eenduidig verklaard over de omstandigheden waaronder zij bij verdachte in de auto zou zijn gestapt. Gelet op het voorgaande moeten de verklaringen van aangeefster worden uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Vooropgesteld wordt dat verklaringen moeten worden beoordeeld op consistentie, gedetailleerdheid en volledigheid. Het enkele feit dat in verklaringen op punten tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dat kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het geheugen, teweeggebracht zijn door emoties of schaamte dan wel ontstaan zijn door het delict of tijdsverloop. Het gaat om de beoordeling van de verklaringen als geheel en in onderlinge samenhang bezien, alsmede de omstandigheden waaronder zij zijn afgelegd.

De verklaringen van aangeefster bevatten op bepaalde punten inconsistenties. Deze inconsistenties zijn echter niet dermate groot dat zij de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster als geheel aantasten. Wat van belang is, is dat aangeefster in grote lijnen en met name op essentiële punten consistent heeft verklaard. Aangeefster heeft consequent verklaard dat verdachte een wapen in zijn auto had en is gereden naar een afgelegen gebied waar hij haar door middel van geweld heeft gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen. Verder heeft zij consequent verklaard dat zij meteen na de verkrachting [naam vriendin] heeft gebeld – hetgeen bevestiging vindt in de verklaring van [naam vriendin] – en heeft gesproken over de verkrachting. Zij heeft telkens verklaard over het aftrekken of het vasthebben van het lid van verdachte. Ook heeft aangeefster consequent verklaard dat zij [naam ] (de rechtbank begrijpt: [naam ] ) heeft geprobeerd te bellen en dat [naam ] haar – zonder succes – heeft geprobeerd terug te bellen en heeft aangeefster telkens verklaard over een wapen, waarvan zij aanvankelijk dacht dat het een vuurwapen was en pas in de auto zag dat het om een mes ging.

De rechtbank acht de verklaring van aangeefster dan ook betrouwbaar. Het feit dat aangeefster in de auto [naam ] heeft geprobeerd te bellen, direct na de verkrachting contact met [naam vriendin] heeft opgenomen en meteen naar de politie is gegaan – waar zij huilend werd aangetroffen – draagt bij aan het oordeel dat aangeefster geloofwaardig is in haar verklaring.

Steunbewijs voor de verklaring van aangeefster

De raadsvrouw heeft subsidiair aangevoerd dat de verklaring van aangeefster geen steun vindt in ander bewijsmateriaal. De rechtbank overweegt dat in verkrachtingszaken zich vaak de situatie voordoet dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de gewraakte seksuele handelingen: de aangeefster en de vermeende dader. Ook in deze zaak is dat het geval. Op grond van het bepaalde in artikel 342, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is de enkele verklaring van een getuige (hier de aangeefster) onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daar staat echter tegenover dat – op grond van vaste rechtspraak – in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaringen van de aangeefster voldoende wettig bewijs kan opleveren. Getuigen die verklaren over de (gemoeds)toestand van die aangeefster na de daad, kunnen dan van betekenis zijn.

In de onderhavige zaak heeft aangeefster, direct nadat zij uit de auto van verdachte was gestapt, [naam vriendin] gebeld, aan wie zij haar verhaal heeft gedaan. Daarna is zij naar de politie gegaan en heeft zij, rond acht uur ’s ochtends – zonder te hebben geslapen – aangifte gedaan. Bij de politie werd vastgesteld dat aangeefster had gehuild; zij had rode ogen en haar make-up was uitgelopen. Ook had aangeefster letsel dat past bij haar verklaring over het geweld. Haar extensions waren losgetrokken of naar beneden geschoven, er was een verkleuring op de linkerborst te zien en zij had rode plekken op haar handpalm en pols, passend bij bijtindrukken. Tot slot heeft aangeefster verklaard dat zij verdachte bij haar verzet op zijn rug heeft gekrabt. Dit past bij het bij verdachte aangetroffen letsel op zijn rug.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt de verklaring van aangeefster aldus voldoende gesteund en is daarmee voldoende wettig overtuigend bewijs voorhanden voor een bewezenverklaring ter zake van de verweten verkrachting.

Gelet op de toestand waarin aangeefster bij de politie is aangekomen, het bellen naar [naam vriendin] en de bij haar geconstateerde letsels staat voor de rechtbank buiten redelijke twijfel dat de seksuele handelingen tegen de wil van aangeefster hebben plaatsgevonden.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte het tenlastegelegde op de hierna omschreven wijze heeft begaan.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 30 september 2014 te Amsterdam en Spaarnwoude door geweld en andere feitelijkheden en door bedreiging met geweld en andere feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , hebbende verdachte:

- zijn penis in de mond van voornoemde [slachtoffer] gebracht en

- zijn penis tussen de benen van voornoemde [slachtoffer] gewreven en geduwd en

- zijn penis in de vagina van voornoemde [slachtoffer] geduwd en

- de borsten en vagina van voornoemde [slachtoffer] gelikt en betast en/of in de borst(en) gebeten en

- zijn penis tegen de anus van voornoemde [slachtoffer] geduwd,

en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld en die andere feitelijkheden hierin dat verdachte:

- voornoemde [slachtoffer] heeft gedwongen om in de auto van hem, verdachte, te stappen door voornoemde [slachtoffer] dwingend de woorden toe te voegen: “We go in the car, now!” en daarbij zijn hand onder zijn jas te houden, waardoor voornoemde [slachtoffer] het vermoeden had dat hij, verdachte, een wapen, voorhanden had en

- tijdens de autorit een mes tussen of onder zijn benen heeft gehouden en

- de telefoon van voornoemde [slachtoffer] heeft afgepakt om te voorkomen dat voornoemde [slachtoffer] iemand zou bellen, waarbij hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer] heeft gebeten in de pols en de hand en met kracht aan voornoemde [slachtoffer] heeft getrokken zodat voornoemde [slachtoffer] die telefoon los zou laten en

- die telefoon tegen de binnenkant van de auto aan heeft geslagen, waardoor die telefoon onbruikbaar werd en

- het haar van voornoemde [slachtoffer] met kracht heeft vastgepakt, waardoor voornoemde [slachtoffer] ten val is gekomen op de grond en daarbij op haar rug en achterhoofd terecht is gekomen en

- de broek en bikinibroek van voornoemde [slachtoffer] heeft vastgepakt en uitgetrokken en

- tegen voornoemde [slachtoffer] heeft gezegd dat hij, verdachte, haar, [slachtoffer] , geen geld ging geven en dat zij, [slachtoffer] , hem, verdachte, moest neuken en daarbij de woorden heeft toegevoegd: “Fucking me, fucking me” en

- haar heeft geslagen in het gezicht en gestompt op het hoofd en de armen van voornoemde [slachtoffer] en

- voornoemde [slachtoffer] heeft vastgehouden en heeft gedreigd met zijn vuist te slaan, waarbij hij, verdachte, de woorden heeft toegevoegd: “Suck me, suck me”.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Motivering van de straf en maatregel

5.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank bij de uitspraak de gevangenneming van verdachte zal bevelen en daarbij als grond aangevoerd dat er sprake is van een geschokte rechtsorde.

5.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gewezen op de negatieve consequenties van een veroordeling voor verdachte. Zo zal hij bijvoorbeeld zijn baan verliezen. Ook is sprake van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn. De raadsvrouw heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en de vordering tot gevangenneming af te wijzen.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van aangeefster. Aangeefster, die werkzaam was als prostituee, ging na afloop van haar dienst mee met verdachte, omdat zij een financieel slechte avond had gehad. In plaats van naar een hotel te gaan besloot verdachte naar een afgelegen plek in Spaarnwoude te rijden. Verdachte had een mes in zijn auto liggen en heeft aangeefster aan haar haren getrokken, geslagen en gedwongen tot het ondergaan van orale en vaginale seks. Verdachte heeft op gewelddadige en laffe wijze zijn lusten bevredigd ten koste van aangeefster, een – gelet op haar beroep – kwetsbaar persoon.

Aangeefster is werkzaam als prostituee, maar is daarmee niet een minderwaardig persoon, met wie je kan doen en laten wat je wilt. Een vrouw is een vrouw en dient met respect te worden behandeld. Verdachte heeft een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Dat dit ernstige psychische en fysieke gevolgen voor haar heeft gehad, is duidelijk gebleken uit haar slachtofferverklaring.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor een verkrachting geldt een LOVS-oriëntatiepunt van 24 maanden gevangenisstraf. De rechtbank constateert dat het oriëntatiepunt voor verkrachting voor het laatst is geactualiseerd in 2013. Dat dit oriëntatiepunt ook nu nog als uitgangspunt zou moeten gelden voor de meest voorkomende verschijningsvorm van verkrachting onderschrijft de rechtbank niet. De rechtbank acht zich gesteund in deze zienswijze door recent opgelegde straffen in – tot op zekere hoogte – soortgelijke zaken. De rechtbank ziet verder in het uitgeoefende geweld, de bedreiging met een wapen, het rijden naar een afgelegen plek en de kwetsbare positie van aangeefster strafverzwarende omstandigheden. De rechtbank zal daarom als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden nemen.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van verdachte van 26 april 2018, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in aanmerking genomen. In een zaak als onderhavige geldt als uitgangspunt dat binnen een termijn van twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis dient te worden gewezen. In deze zaak gaat de rechtbank uit van het moment waarop verdachte is aangehouden als het moment dat de redelijke termijn is aangevangen, te weten 1 oktober 2014. Tussen die datum en de datum van het vonnis – 2 november 2018 – ligt een periode die de redelijke termijn met ruim 2 jaar overschrijdt. Dit tijdsverloop is te verklaren doordat de zaak aanvankelijk is geseponeerd en de daarop volgende procedure ex artikel 12 Wetboek van Strafvordering (Sv), die uiteindelijk tot de verdere vervolging van verdachte heeft geleid. Dit tijdsverloop is echter niet aan verdachte te wijten, terwijl hij de negatieve consequenties ervan wel heeft moeten ondervinden. Om die reden zal de rechtbank strafvermindering toepassen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden passend en geboden maar zal – rekening houdende met de hiervoor geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn – deze straf met zes maanden matigen.

De rechtbank zal de vordering tot gevangenneming van verdachte afwijzen. Het uitgangspunt is dat een verdachte de behandeling van zijn strafzaak in vrijheid mag afwachten. Dat uitgangpunt geldt ook na een veroordeling. Verdachte heeft slechts een dag op het politiebureau doorgebracht en heeft daarna zijn berechting jarenlang in vrijheid mogen afwachten. Dat verdachte nu wordt veroordeeld wegens een ernstig strafbaar feit is onvoldoende voor het oordeel dat de rechtsorde nu is geschokt, zoals de officier van justitie heeft betoogd. Er is derhalve geen grond voor gevangenneming.

6 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

6.1.

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 994,32 aan materiële schadevergoeding en € 20.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter zitting heeft mr. R. Korver de vordering nader toegelicht.

6.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de reiskosten en de immateriële schade kan worden toegewezen. De toekomstige schade dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het toe te wijzen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft verzocht daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

6.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het materiële gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu het niet duidelijk is geworden waarom aangeefster reiskosten van en naar Madrid heeft moeten maken, terwijl zij werkzaam en woonachtig in Nederland is. Ten aanzien van het immateriële gedeelte heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat dit niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat dit een te grote belasting voor het strafproces vormt. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de immateriële schadevergoeding te matigen.

6.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal aangeefster niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren voor wat betreft de materiële schade (reiskosten en toekomstige kosten). Aangeefster heeft vergoeding gevorderd van kosten die zij gemaakt stelt te hebben voor vluchten tussen Madrid en Amsterdam. Deze vluchten stelt zij gemaakt te hebben in het kader van afspraken in verband met de strafzaak. Het staat echter vast dat aangeefster regelmatig in Nederland verblijft en hier ook werkt. Tegen deze achtergrond en in het licht van de betwisting door de verdediging heeft aangeefster onvoldoende onderbouwd dat zij deze kosten heeft moeten maken. Immers is niet gebleken waarom de afspraken in verband waarmee zij kosten vordert, niet konden plaatsvinden op de momenten waarop zij toch al in Nederland was. Deze kosten kunnen in redelijkheid dan ook niet voor rekening van verdachte komen. De toekomstige kosten zijn gevorderd in het kader van een eventueel hoger beroep. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om deze kosten thans te begroten, zodat aangeefster ook wat betreft dit gedeelte van haar vordering niet-ontvankelijk is.

Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit is aangetast in de persoon. Op grond van de door de benadeelde partij onderbouwd gestelde omstandigheden – inhoudende dat zij psychisch letsel (PTSS) heeft opgelopen als gevolg van de verkrachting – en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 15.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2014. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 15.000,00 (vijftienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2014.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

verkrachting.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 15.000 (vijftienduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 september 2014 tot aan de dag van de betaling.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer], € 15.000,00 (vijftienduizend euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 september 2014, tot aan de dag van de betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 110 (honderdtien) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Knol, voorzitter,

mrs. G.H. Marcus en L. Dolfing, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.H. Limburg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 november 2018.