Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7665

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-10-2018
Datum publicatie
01-11-2018
Zaaknummer
13-751648-18 RK 18-5618
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

EAB Duitsland, overlevering toegestaan. Geen recht op terugkeergarantie.

Rechtbank verwijst naar eerdere uitspraak. De opgeëiste persoon heeft uitsluitend de Somalische nationaliteit. Vanaf 31 oktober 2009 beschikt hij over een Nederlandse asielvergunning voor onbepaalde tijd. Om te kunnen beoordelen of de opgeëiste persoon recht heeft op een terugkeergarantie heeft het IRC aan de IND gevraagd of de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht in Nederland zal verliezen naar aanleiding van de verdenking dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten, zoals omschreven in EAB I en EAB II, waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 23 augustus 2018 geantwoord dat in het onderhavige geval intrekking van het verblijfsrecht naar zijn oordeel mogelijk is en dat indien de Duitse rechter tot een schuldigverklaring komt, het alleszins verdedigbaar is dat de gedragingen van de opgeëiste persoon, mede gelet op zijn recidive, een actuele bedreiging van de openbare orde inhouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751648-18

RK-nummer: 18/5618

EAB nr. 1

Datum uitspraak: 26 oktober 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 augustus 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 27 juni 2018 door de Staatsanwaltschaft Osnabrück, Duitsland en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] , Somalië, op [geboortedag] 1993,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres
[BRP-adres] ,

gedetineerd in het [penitentiaire inrichting] te [plaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 12 oktober 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Somalische nationaliteit heeft.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel, uitgevaardigd door de rechtbank Osnabrück en gedateerd 1 juni 2018, parketnummer: [parketnummer]

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Duitsland strafbaar feit.

Dit feit is als volgt omschreven in onderdeel e) van het EAB:

Pleegdatum/pleegtijd: 20-10-2017
Plaats delict: Weener

Betreft: opblazen van een geldautomaat

Participatie: mededader

Op 20-10-2017 omstreeks 03:34 uur blies hij met twee onbekende mededaders op grond van een gezamenlijk besloten daderplan en verdeelde samenwerking met zijn twee mededaders de geldautomaat Wincor Nixdorf procash 2000XE van de Deutsche Bank in Weeber (sic) op, door middel van acyleen-zuurstof, ontvreemdde vervolgens hieruit contant geld ter hoogte van 54.330 euro en vluchtte met de buit.

4 Strafbaarheid, feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Uitgangspunt is dat het aan de uitvaardigende justitiële autoriteit is om te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder voornoemde lijst valt en welk feit dient te worden aangekruist.

De rechtbank stelt het volgende vast.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangekruist op de bij het EAB gevoegde lijst als nummer 18 en dit luidt in de Nederlandse vertaling van het EAB: ‘diefstal in georganiseerde vorm danwel zware afpersing’.

Deze in het EAB gebruikte aanduiding komt niet voor op de lijst van bijlage 1 bij de OLW, waar het lijstfeit nummer 18 luidt ‘georganiseerde of gewapende diefstal’.

De oorspronkelijke Duitse tekst van het EAB spreekt van ‘Diebstahl in organisierter Form oder schwerer Raub’.

Deze aanduiding wijkt af van het in de Duitstalige versie van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 (het Rahmenbeschluss des Rates vom 13. Juni 2002 über den Europäischen Haftbefehl und die Übergabeverfahren zwischen den Mitgliedstaaten) vermelde lijstfeit nummer 18: Diebstahl in organisierter Form oder mit Waffen.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de uitvaardigende justitiële autoriteit niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de toetsing van dubbele strafbaarheid achterwege moet worden gelaten. Zij neemt daarbij tevens in aanmerking dat de feitsomschrijving onder e II is vermeld.

Overlevering kan daarom alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen

en

diefstal bij gelegenheid van ontploffing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5 Heeft de opgeëiste persoon recht op een terugkeergarantie?

Standpunt raadsman
Er moet een terugkeergarantie voor de opgeëiste persoon worden verstrekt. De kans dat de asielvergunning wordt ingetrokken is uitermate klein. De IND spreekt in zijn brief van
23 augustus 2018 geen verwachting uit, maar schetst slechts een mogelijkheid tot intrekking. Eerdere veroordelingen door de Nederlandse rechter hebben niet geleid tot intrekking van de asielvergunning. Er is nog geen onderzoek gedaan naar de persoonlijke omstandigheden, die nijpend zijn. Het betreft hier een jonge man die op driejarige leeftijd met zijn vader is meegekomen naar Nederland, op de vlucht uit Somalië. In Somalië woont geen familie van hem. Hij heeft er recht op zijn eventuele Duitse straf in Nederland te mogen uitzitten.
Indien de terugkeergarantie niet wordt verstrekt moet de overlevering worden geweigerd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht het onderzoek aan te houden teneinde de terugkeergarantie op te vragen.

Standpunt officier van justitie

De opgeëiste persoon heeft geen recht op een terugkeergarantie. De IND geeft een voorlopig oordeel over de verwachting dat iemand zijn verblijfsrecht verliest. Dat is hier het geval. Het betoog van de raadsman gaat voorbij aan het verschil tussen het verliezen van een asielvergunning en de feitelijke uitzetbaarheid, maar een dergelijk twistpunt hoort niet thuis in deze procedure.

Overigens staat het de opgeëiste persoon vrij om nà zijn veroordeling in Duitsland een verzoek te doen om zijn straf in Nederland te mogen uitzitten.

Oordeel rechtbank
De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 3 januari 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:66) met betrekking tot het derde vereiste van artikel 6, vijfde lid OLW. Het is niet aan de overleveringsrechter om ten gronde te beoordelen of de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest als gevolg van een veroordeling voor het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Deze beoordeling zal eventueel op een later moment geschieden door de Minister van Veiligheid en Justitie. De vreemdelingenrechter zal in voorkomende gevallen deze beoordeling ten gronde toetsen. In het geval van de beoordeling van het verlies van het verblijfsrecht heeft de wetgever de overleveringsrechter opgedragen hierover een ‘voorlopig’ oordeel te geven. De overleveringsrechter kan en moet zich beperken tot de vraag of de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. In de praktijk heeft deze toets vorm gekregen doordat de officier van justitie de IND laat beoordelen of deze verwachting bestaat. De overleveringsrechter baseert zich vervolgens op de beoordeling door de IND bij die voorlopige toetsing.


De rechtbank stelt het volgende vast.
De opgeëiste persoon heeft uitsluitend de Somalische nationaliteit.
Vanaf 31 oktober 2009 beschikt hij over een Nederlandse asielvergunning voor onbepaalde tijd.
Om te kunnen beoordelen of de opgeëiste persoon recht heeft op een terugkeergarantie heeft het IRC aan de IND gevraagd1 of de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht in Nederland zal verliezen naar aanleiding van de verdenking dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten, zoals omschreven in EAB I en EAB II, waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 23 augustus 2018 geantwoord dat in het onderhavige geval intrekking van het verblijfsrecht naar zijn oordeel mogelijk is en dat indien de Duitse rechter tot een schuldigverklaring komt, het alleszins verdedigbaar is dat de gedragingen van de opgeëiste persoon, mede gelet op zijn recidive, een actuele bedreiging van de openbare orde inhouden. Met de glijdende schaal die de lengte van de gevangenisstraf relateert aan de verblijfsduur, is rekening gehouden. In de uiteindelijke besluitvorming over de intrekking van de asielvergunning zullen de persoonlijke feiten en omstandigheden worden betrokken.

De rechtbank leest dit antwoord van de Staatssecretaris zo, dat ten aanzien van de opgeëiste persoon niet de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland zal verliezen ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. Dit betekent dat de opgeëiste persoon niet voldoet aan alle vereisten van artikel 6, vijfde lid OLW, om te worden gelijkgesteld met een Nederlander. Er is derhalve niet vereist dat een terugkeergarantie wordt afgegeven door de Duitse autoriteiten.
Het verweer slaagt niet. De rechtbank ziet op dit punt ook geen aanleiding om de zaak aan te houden.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 47, 157 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 Overleveringswet.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Staatsanwaltschaft Osnabrück, ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. M.C.P. de Ridder en I. Verstraeten-Jochemsen, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 26 oktober 2018.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 Brief IRC aan IND d.d. 20 augustus 2018.