Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7661

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-10-2018
Datum publicatie
31-10-2018
Zaaknummer
13/669040-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Woning (binnentreden en doorzoeking rechtmatig), ongeveer 13 kg cocaïne, voorbereidingshandelingen OW, witwassen van bijna 75.000 euro, medeplegen, gevangenisstraf 42 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/669040-18

Datum uitspraak: 25 oktober 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1997,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [penitentiaire inrichting] ” te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 oktober 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. S.M.W. van der Linde, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 4 juli 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 13,06 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 4 juli 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en/of in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk: Taurus Milennium), en/of tenminste acht stuks munitie, althans een of meerdere stuks munitie van categorie III, te weten munitie van kaliber 9x19 (merk: Luger S&B), voorhanden

heeft gehad;

3.

Primair

hij op of omstreeks 4 juli 2018, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en/of in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een geldbedrag van 74.799,25 euro, althans een groot geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededaders wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 4 juli 2018, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een geldbedrag van (ongeveer) 74.799,25 euro, althans een groot geldbedrag, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte en/of een van zijn mededaders wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf;

4.

hij op of omstreeks 4 juli 2018 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) van een materiaal bevattende een hoeveelheid/hoeveelheden verdovende middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II en/of lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, (ondermeer) voorhanden heeft gehad

- goederen die geschikt zijn om verdovende middelen mee te prepareren waaronder sealmateriaal en/of een vacuummachine en/of een geldtelmachine (allen) aangetroffen te Amsterdam op 4 juli 2018.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat het onder 1., 2., 3. primair, 4. en 5. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard en voert daartoe het volgende aan.

Het binnentreden en doorzoeken van de woning is rechtmatig geschied op grond van artikel 9 Opiumwet nu de politie op basis van de omstandigheden ter plaatse een ernstig vermoeden kon hebben dat er in de woning verdovende middelen of andere strafbare voorwerpen aanwezig waren, dan wel werden weggemaakt. Uit de zich in het dossier bevindende processen-verbaal volgt dat er in de woning een hoeveelheid drugs, een wapen, een geldbedrag en goederen bestemd voor het voorbereiden van drugs zijn aangetroffen. Uit het drugsrapport blijkt dat sprake is van cocaïne. Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) blijkt dat een DNA-spoor gevonden is op het vuurwapen en een vingerafdruk op één van de pakketten drugs welke toebehoren aan de medeverdachte [medeverdachte] .

4.2

Standpunt van de verdediging

4.2.1.

Rechtmatigheidsverweer

De raadsman betoogt dat deze zaak naadloos past op het arrest van de Hoge Raad inzake de dynamische verkeercontrole (ECLI:NL:HR:2016:2454). Hierin is door de Hoge Raad geoordeeld dat de politie bij de uitoefening van de controlebevoegdheid op de voet van artikel 160 Wegenverkeerswet de te controleren persoon of personen niet mag selecteren op een wijze die onverenigbaar is met het uitgangspunt dat personen niet mogen worden gediscrimineerd wegens onder meer hun ras, godsdienst of levensovertuiging. De raadsman stelt zich op het standpunt dat van het voornoemde wel sprake is en dat verbalisanten in dit geval alleen maar getracht hebben criminele Albanezen op te sporen. Daarmee is dus sprake van etnisch profileren, waardoor de spookburgeractie als onrechtmatig dient te worden beschouwd. Volgens de raadsman was er sprake van opsporing, zonder een concrete verdenking van enig strafbaar feit. De verbalisanten zijn onrechtmatig binnen getreden. Dit moet leiden tot uitsluiting van al het bewijs inzake alle ten laste gelegde feiten.

4.2.2.

Bewijsverweren

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte niet woonachtig was in de woning. Dat slechts één getuige anders verklaart, doet daar niet aan af. Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde brengt de raadsman naar voren dat de meeste pakketten niet open en bloot in de woning lagen. Van de pakketten die wel zichtbaar waren, valt niet met zekerheid vast te stellen of dat ook het geval was toen verdachte in de woning was. In de slaapkamers zijn geen sporen aangetroffen die te herleiden zijn naar verdachte. Hij had aldus geen wetenschap van en geen beschikking over de aangetroffen harddrugs.

Het vuurwapen is door het NFI bemonsterd. Hoewel hierbij wel sporen zijn gevonden, bleken deze niet van verdachte te zijn. Van het onder 2. ten laste gelegde dient verdachte te worden vrijgesproken.

In een ruimte die niet door verdachte in gebruik was, is € 64.000,00 aangetroffen. Dit geldbedrag was niet direct zichtbaar en niets duidt op betrokkenheid van verdachte.
Een ander geldbedrag, € 9.950,00, behoort niet aan verdachte maar aan de medeverdachte toe. Verdachte had slechts € 455,00 op zak, wat geen vermoeden van witwassen oplevert. Ook hiervan dient verdachte te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde is de raadsman van mening dat niet zonder meer vaststaat dat het voorhanden hebben van sealmateriaal, een vacuümmachine en een geldtelmachine kan worden bestempeld als bestemd voor het prepareren van verdovende middelen. Bovendien had verdachte geen weet van de aanwezigheid van die goederen in de woning.

Tot slot stelt de raadsman dat niets erop duidt dat er sprake zou zijn geweest van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met de medeverdachte en er dus geen sprake is van medeplegen.

4.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

4.3.1.

Aanleidingen binnentreding en doorzoeking van de woning

Uit een lopend onderzoek is gebleken dat de woning op het adres [adres 1] wordt gehuurd door [bedrijf] (voorheen ook handelend onder de naam [alternatieve naam bedrijf] ). Uit het onderzoek door middel van spookburgeracties in 2017 en 2018 is naar voren gekomen dat in diverse woningen die door het bedrijf zijn gehuurd verdovende middelen, wapens en geld zijn aangetroffen.2 Dit is voor de politie aanleiding geweest een onderzoek in te stellen naar de woning op het adres [adres 1] . Hieruit volgde dat [persoon 1] op dit adres stond ingeschreven. Zij stond e op 11 oktober 2017 ingeschreven op het adres [adres 2] . Op 11 oktober 2017 deed de politie onderzoek naar die woning en trofI [persoon 1] daar niet. Wel troffen agenten drie Albanese mannen en een Griek. Eén van hen kwam voor in de systemen ter zake handel in verdovende middelen. Verder werden in de woning druggerelateerde zaken aangetroffen, waaronder bigshoppers, verpakkingsmateriaal, rollen tape en een mesje.3

Naar aanleiding hiervan rees bij de politie het vermoeden dat in de woning aan het [adres 1] niet de daar ingeschreven [persoon 1] verbleef, maar wel andere personen en dat de woning mogelijk werd gebruikt door personen die zich bezig houden met criminele activiteiten.4 Op 4 juli 2018 brachten verbalisanten een bezoek aan de woning. Tussen 11:00 uur en 11:20 uur klopten zij op de deur, belden zij aan en riepen/verzochten zij in zowel de Nederlandse als de Engelse taal of de zich in de woning bevindende persoon de deur wilde openen. Hoewel zij meerdere malen geluiden, waaronder klopgeluiden, in de woning hoorden, werd er door niemand open gedaan. Daarom zijn verbalisanten weggegaan en bleven verbalisanten in burger achter bij de woning om aldaar te posten.5

Na tien minuten verliet verdachte de woning. Toen verbalisanten (in burger) verdachte aanspraken in het Engels, antwoordde hij hen desgevraagd dat er zich nog één persoon in de woning bevond. Verbalisanten vertelden verdachte dat hij de andere persoon moest vragen de deur te openen, waarna hij in een voor hen onbekende taal tegen deze persoon in de woning begon te spreken. Die andere persoon antwoordde meerdere malen in een voor de verbalisanten onbekende taal. Een van de verbalisanten heeft op luide toon in het Engels tegen de zich in de woning bevindende persoon gezegd dat hij de deur moest opendoen, waarna die persoon in het Engels antwoordde dat hij de deur over een paar minuten zou openen. Na een periode van heen en weer roepen tussen verbalisanten, verdachte en de zich in de woning bevindende persoon, hoorden verbalisanten wederom snelle opeenvolgende klopgeluiden uit de woning komen.6 Gezien al het bovengenoemde rees bij verbalisanten het vermoeden dat er mogelijk verdovende middelen in de woning aanwezig zouden zijn of er mogelijk sprake was van een ander strafbaar feit.

Na overleg met en toestemming van de hulpofficier van justitie om de woning te betreden ter inbeslagname en/of aanhouding zonder toestemming van de bewoner, trapte één van de verbalisanten de voordeur van de woning in waarna zij de medeverdachte aantroffen en aanhielden en tevens verdachte aanhielden.7 De situatie in de woning werd bevroren en, na een machtiging tot doorzoeking ter inbeslagneming te hebben ontvangen van de rechter-commissaris, is de woning doorzocht.8

4.3.2.

Oordeel van de rechtbank over het (on)rechtmatige binnentreden doorzoeking van de woning

De rechtbank is van oordeel dat het binnentreden van de woningen de doorzoeking niet onrechtmatig zijn geschied. Daartoe is het volgende redengevend. De hiervoor onder 4.3.1. genoemde feiten en omstandigheden gaven voor de politie voldoende aanleiding een bezoek te brengen aan de woning op het adres [adres 1] . Vervolgens hebben verbalisanten voor het binnetreden van de woning toestemming gevraagd en gekregen van de hulpofficier van justitie. Dit maakt het binnentreden van de woning zonder toestemming van de verdachte, rechtmatig. Eenmaal in de woning troffen verbalisanten, zichtbaar en zonder hiernaar te hoeven zoeken, twee pakketten aan waarvan zij vermoedden dat hierin drugs zouden zitten.9 Daarna werd de situatie in de woning bevroren en werd er contact opgenomen met de officier van justitie die bij de rechter-commissaris een doorzoeking ter inbeslagneming vorderde en verleend kreeg.10 Zo is ook de doorzoeking van de woning rechtmatig geweest. De rechtbank verwerpt dan ook het rechtmatigheidsverweer van de raadsman.

4.3.3.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt aan de hand van het procesdossier de volgende feiten en omstandigheden vast. Tijdens de doorzoeking van de woning zijn de volgende goederen aangetroffen. In een radiator in de woonkamer werd een tas aangetroffen met daarin een bruin getaped pakket en in de keuken werden op de grond twee open staande tassen gevonden met daarin in totaal negen pakketten. In de keukenlade onder het gasfornuis lagen rollen tape, sealzakken, plastic handschoenen, mesjes en een weegschaal met daarop wit poeder.11 Ook lag daar nog een getaped blok. Verder lag in het gootsteenkastje een bruin getaped blok en in de onderste lade van het keukeneiland een zakje poeder. In één van de slaapkamers lag in de kledingkast een plastic tas met daarin een contant geldbedrag van € 64.000,-. In diezelfde kast lag een rolkoffer waarin een getaped pakketje dat € 266,40 aan (grotendeels) muntgeld bleek te bevatten. Onder de bekleding van de rolkoffer bleken vijf pakketten te zitten. Aan de onderkant van het bed in die slaapkamer, onder de bekleding, werden een vuurwapen een patroonhouder met acht patronen gevonden. Naast dit bed stond een geldtelmachine en op het bed lag een vacuümmachine. In de andere slaapkamer troffen verbalisanten een vuilniszak met daarin 25 stuks verpakkingsmateriaal.12

4.3.4.

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

Vooropgesteld moet worden dat er volgens vaste rechtspraak vanuit kan worden gegaan dat een gebruiker/bewoner van een woning geacht wordt bekend te zijn met alles wat zich in de woning bevindt en afspeelt. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als verdachte een aannemelijke verklaring heeft voor het tegendeel. Daarnaast is volgens vaste rechtspraak voor de vraag of een verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 2 onder C Opiumwet, niet doorslaggevend aan wie de drugs toebehoren. Evenmin hoeft sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. Voldoende is dat de onder de Opiumwet vallende middelen zich in de machtssfeer van verdachte bevinden en dat verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen, althans van de aanmerkelijke kans daarop. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft aangegeven sinds december 2017 in Nederland te verblijven. Hij staat niet ingeschreven en hopt van adres naar adres. De rechtbank is van oordeel dat dit niet uitsluit dat verdachte vaker in de woning kwam. Daarbij neemt de rechtbank ook de verklaring van de getuige [getuige] , bewoonster van de flat aan het [adres 1] , in aanmerking. Zij verklaarde dat er twee mannen op het adres [adres 1] wonen. Nadat zij een signalement opgaf van de twee mannen, lieten verbalisanten foto’s van verdachte en de medeverdachte zien. De persoon op de foto waarop verdachte is afgebeeld, herkent zij 100% zeker als de persoon die er al enkele maanden woont.13 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan verdachte geacht bekend te zijn met alles wat zich in de woning bevindt en afspeelt.

De in beslag genomen blokken en pakketten zijn onderzocht en gewogen, waaruit is gebleken dat die blokken en pakketten cocaïne bevatten.14 Het totaalgewicht van de aangetroffen cocaïne betrof ongeveer 11.515 gram.15 Op één van de pakketten die in de rolkoffer zat is een vingerafdruk aangetroffen waaraan het spooridentificatienummer (SIN-code) AAJU9222NL is toegekend.16 Deze vingerafdruk is van een persoon die in het Havank-systeem staat geregistreerd onder het SKN-nummer 10772350.17 Uit de informatiestaat SKDB-persoon volgt dat het voornoemde SKN-nummer toebehoort aan de medeverdachte.18

Het grootste gedeelte van de drugs is aangetroffen in twee tassen in de (deels open) keuken, een ruimte die voor verdachte toegankelijk was en waar verdachte moet zijn langsgelopen als hij naar de woonkamer – waar hij naar eigen zeggen sliep -, badkamer of slaapkamer liep. Volgens verbalisanten lagen deze pakketten in tassen die open stonden en zodoende zichtbaar waren voor eenieder die erlangs liep, hetgeen wordt bevestigd door foto’s die zich in het procesdossier bevinden. Zij constateerden de aanwezigheid van de pakketten al op het moment dat zij de bewoning betraden en slechts zoekend rondkeken. Het is volgens de rechtbank uiterst onaannemelijk dat verdachte, ook indien hij, zoals hij zegt slechts kort in de woning verbleef, van deze hoeveelheid drugs geen wetenschap had. Bovendien blijkt uit niets dat de drugs zich niet binnen zijn machtssfeer bevond. Het verweer van de raadsman dat het niet met zekerheid valt te zeggen dat dezen pakketten ook al zichtbaar waren voor verdachte toen hij in de woning verbleef, zal worden verworpen aangezien de verbalisanten zeer kort nadat verdachte de woning had verlaten, de woning hebben betreden.

Ten aanzien van de verdovende middelen die zijn aangetroffen maar niet direct zichtbaar waren, overweegt de rechtbank het volgende.

Wie drugs in een woning voorhanden heeft, pleegt dat te verbergen voor mensen die daar niets mee te maken hebben. Tegelijk volgt daaruit dat er iets bijzonders aan de hand is als de drugs niet voor de andere gebruikers van de woning verborgen worden gehouden. Dat gegeven vormt een sterke indicatie dat alle gebruikers van de woning op de hoogte zijn van de aanwezigheid van de drugs.

Zoals hiervoor reeds is overwogen lag het overgrote deel van de aangetroffen drugs voor het blote oog zichtbaar in de keuken. Er is derhalve weinig moeite gedaan om verdachte onkundig te houden van de aanwezigheid van drugs. Een andere conclusie dan dat er niets voor verdachte verborgen hoefde te worden gehouden omdat hij wel wist dat de woning voor de opslag voor drugs werd gebruikt, is er dan ook niet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs en met betrekking tot de drugs die niet direct voor het blote oog zichtbaar was, minst genomen van de aanmerkelijke kans daarop.

4.3.5.

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde

Vervolgens is de vraag aan de orde of ook is bewezen dat verdachte strafbare voorbereidingshandelingen heeft verricht zoals ten laste gelegd onder 4. Daaronder valt het aanwezig hebben van spullen die nodig zijn of kunnen worden gebruikt bij die voorbereidingshandelingen. Hiervoor is onder 4.3.4. overwogen dat de drugs in de woning binnen de machtssfeer van verdachte lag en dat hij wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de woning. Naast de vondst van de cocaïne in de slaapkamer werden daar tevens een geldtelmachine en een vacuümmachine aangetroffen die, in het zicht, op en naast het bed lagen. In een andere ruimte lag sealmateriaal en in de keukenlade onder het gasfornuis lagen rollen tape, sealzakken, plastic handschoenen, mesjes en een weegschaal met daarop wit poeder. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3.4 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat voornoemde goederen eveneens binnen de machtssfeer van verdachte lagen en het niet anders kan, zonder aannemelijke verklaring voor het tegendeel, welke ontbreekt, dan dat verdachte ook wetenschap had van voornoemde aangetroffen goederen. Deze goederen zijn in onderlinge samenhang, en in combinatie met de aangetroffen cocaïne, goederen die bij uitstek bestemd zijn voor prepareren van drugs.

De rechtbank acht dan ook het onder 4. ten laste gelegde bewezen.

4.3.6.

Vrijspraak van het onder 2. ten laste gelegde

Het vuurwapen en de patronen zijn aangetroffen vastgetaped aan de onderkant van een bed, onder de bekleding. Deze lagen dus goed verstopt en waren niet zichtbaar. Het vuurwapen is onderzocht en hierop is van verdachte, anders dan van zijn medeverdachte, geen DNA-profiel gevonden. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2. ten laste gelegde nu daartoe wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

4.3.7.

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 3. primair ten laste gelegde

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van witwassen niet is vereist dat wordt bewezen uit welk specifiek misdrijf het voorwerp afkomstig is. Wel dient te worden bewezen dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte hier wetenschap van had, al dan niet in de zin van voorwaardelijk opzet. Als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het gevonden voorwerp – in dit geval een geldbedrag - en een bepaald misdrijf, kan toch bewezen worden dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is wanneer het op grond van vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen. Zo'n verklaring moet concreet en min of meer verifieerbaar zijn en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. In dit kader overweegt de rechtbank het volgende.

Bij de aanhouding van verdachte en de medeverdachte is een aantal geldbedragen aangetroffen. De medeverdachte droeg € 9.950,0019 plus € 127,8520 bij zich en verdachte had € 455,0021 op zak. De rechtbank is van oordeel dat uit het aantreffen van een dergelijk aanzienlijk geldbedrag naast een behoorlijke hoeveelheid drugs (waarop een vingerafdruk van verdachte zat) een vermoeden van witwassen volgt. Daartoe is redengevend dat het een feit van algemene bekendheid is dat de handel in drugs veel geld oplevert. Van verdachte mag onder de gegeven omstandigheden worden verwacht dat hij een verklaring geeft over de herkomst van het geld. De officier van justitie heeft aan verdachte voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting een brief gestuurd met daarin het verzoek een verklaring omtrent de geldbedragen af te leggen. Verdachte heeft daarop niet gereageerd. Verdachte heeft aldus voor geen van de aangetroffen geldbedragen een concrete en min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven. Bij gebreke aan een verifieerbare verklaring, komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dat de geldbedragen (gevonden in de woning en op de lichamen van verdachte en de medeverdachte) - direct of indirect - uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit wist. Verdachte heeft zich dus schuldig gemaakt aan witwassen.

4.3.8.

Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op al hetgeen eerder is overwogen, is komen vast te staan dat verdachte ten aanzien van het onder 1., 3. primair en 4. ten laste gelegde nauw en bewust met de medeverdachte heeft samengewerkt zodat verdachte zal worden veroordeeld voor het medeplegen van voornoemde feiten. Daartoe is redengevend het gegeven dat een DNA-profiel van de medeverdachte op het vuurwapen is aangetroffen en zijn vingerafdruk op één van de pakketten drugs zat, de openlijke aanwezigheid van grote hoeveelheden drugs en voorwerpen welke geschikt en bedoeld zijn voor de handel in verdovende middelen en welke drugs en goederen zich binnen de machtssfeer van verdachte en zijn medeverdachte bevonden, de aanwezigheid van beide verdachten in en bij de woning op het moment van aanhouding en het feit dat zij kennelijk samen in de woning verbleven.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen, waarin de feiten en omstandigheden zijn vervat, bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde:

op 4 juli 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een andere, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 13,06 kilogram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

ten aanzien van het onder 3. primair ten laste gelegde:

op 4 juli 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), een geldbedrag van 74.799,25 eurovoorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde:

op 4 juli 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van een materiaal bevattende een hoeveelheid verdovende middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, (onder meer) voorhanden heeft gehad, goederen die geschikt zijn om verdovende middelen mee te prepareren waaronder een vacuümmachine en een geldtelmachine en sealmateriaal, allen aangetroffen te Amsterdam op 4 juli 2018.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht, indien zij overgaat tot een veroordeling, de straf te baseren op de LOVS-oriëntatiepunten. Hij is van mening dat rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals het gegeven dat hij jeugdig is, first offender is en van eenvoudige afkomst is. De raadsman stelt zich op het standpunt dat een gevangenisstraf van hoger dan achttien maanden niet passend zou zijn.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het ongeoorloofde bezit van een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs. Tevens heeft verdachte goederen voorhanden gehad, bestemd voor het prepareren van cocaïne en zich hiermee schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van het bewerken van harddrugs. Het gaat daarbij om een voor de gezondheid van personen schadelijke stof, te weten cocaïne, die bij wet verboden is. De verspreiding van en handel in cocaïne gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, terwijl ook het gebruik ervan vaak gepaard gaat met door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stoffen, hetgeen vaak overlast voor de samenleving met zich brengt.

De rechtbank hecht bij de strafoplegging belang aan de oriëntatiepunten zoals deze zijn vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), en die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Volgens deze oriëntatiepunten is het uitgangspunt bij het voorhanden hebben van een hoeveelheid cocaïne meer dan tien kilo in combinatie met voorbereidingshandelingen voor – kort gezegd – de handel daarin, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden.

Verder heeft hij zich schuldig gemaakt aan het witwassen van € 74.799,25. Daarmee heeft hij (voor degene die het misdrijf heeft begaan) een mogelijkheid gecreëerd om van zijn te traceren crimineel vermogen af te komen. Op die manier zijn de geldstromen uit misdrijven voor het Openbaar Ministerie niet (of minder) zichtbaar en kunnen deze misdrijven moeilijker worden opgespoord. Er bestaat geen LOVS-oriëntatiepunt met betrekking tot witwassen. Het oriëntatiepunt Fraude wordt van toepassing verklaard op witwassen, als dit in een frauduleuze context plaats vindt. Hoewel hiervan in dit geval geen sprake is en bij witwassen niet (direct) kan worden gesproken van een benadelingsbedrag zoals bij fraudedelicten, ziet de rechtbank toch aanleiding om aan te haken bij het oriëntatiepunt Fraude. Witwassen wordt immers, net als fraudedelicten, ernstiger en stafwaardiger naarmate de bedragen waar het om gaat hoger worden. De maximale strafbedreiging op witwassen (zes jaar) is zelfs hoger dan die bij de meeste fraudedelicten (bijvoorbeeld vier jaar bij oplichting, verduistering in dienstbetrekking, en schending van de plicht tot gegevensverstrekking aan uitkeringsinstanties). Volgens de oriëntatiepunten voor fraudedelicten geldt als uitgangpunt bij een bedrag tussen de € 70.000,- en de € 125.000 een gevangenisstraf van tussen de vijf en de negen maanden. Bij een bedrag van € 74.799,25 komt daarom een gevangenisstraf van ongeveer zes maanden in beeld.

De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek passend en geboden is. Een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van deze duur zou geen recht doen aan de omstandigheden en hoeveelheden drugs in deze zaak.

9 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

Nummer Voorwerp Waarde

5597287 1 STK Pistool -

5597628 Geld Euro 64.000,00;

5597614 Geld Euro 266,40;

5597232 Geld Euro 455,00;

5597300 Geld Euro 127,85.

Verbeurdverklaring

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven geldbedragen, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze bedragen het onder 3. primair bewezen geachte is begaan.

Onttrekken aan het verkeer

Nu het pistool is aangetroffen in het onderzoek naar [het misdrijf/de misdrijven] waarvan verdachte wordt verdacht, terwijl dit pistool kan dienen tot [het begaan/de voorbereiding]van soortgelijke misdrijven en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang wordt dit pistool onttrokken aan het verkeer.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2. ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1. bewezen verklaarde:

- medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van het onder 3. primair bewezen verklaarde:

- medeplegen van witwassen;

ten aanzien van het onder 4. bewezen verklaarde:

- medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B gegeven verbod (namelijk harddrugs verkopen, afleveren, verstekken of vervoeren) voorbereiden of bevorderen, door voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (veertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

€ 64.000,00 (5597278);

€ 266,40 (5597628);

€ 455,00 (5597614);

€ 127,85 (5597300).

Onttrekt aan het verkeer: 1 STK Pistool, Taurus (5597287).

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. Eichperger, voorzitter,

mrs. M.J.E. Geradts en B.M. Visser, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Klaveren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 oktober 2018.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van bevindingen, 4 juli 2018, p. 1 en 2.

3 Proces-verbaal van bevindingen, 4 juli 2018, p. 2.

4 Proces-verbaal van bevindingen, 4 juli 2018, p. 2.

5 Proces-verbaal van bevindingen, 4 juli 2018, p. 6.

6 Proces-verbaal van bevindingen, 4 juli 2018, p. 7.

7 Proces-verbaal van bevindingen, 4 juli 2018, p. 8. en proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming, 5 juli 2018, p. 55.

8 Proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming, 5 juli 2018, p. 55 en beschikking doorzoeking, ondertekend door de rechter-commissaris op 6 juli 2018, ongenummerd.

9 Proces-verbaal van bevindingen, 4 juli 2018, p. 8.

10 Proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming, 5 juli 2018, p. 55 en beschikking doorzoeking, ondertekend door de rechter-commissaris op 6 juli 2018, ongenummerd.

11 Proces-verbaal van bevindingen, 10 juli 2018, p. 175.

12 Proces-verbaal doorzoeking ter inbeslagneming, 5 juli 2018, p. 42-49.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige, 11 juli 2018, p. 126-127.

14 Proces-verbaal doorzoeking ter inbeslagneming, 5 juli 2018, p. 43 en p. 45, kennisgeving van inbeslagneming van 4 juli 2018, p. 259, kennisgeving van inbeslagneming van 4 juli 2018, p. 269, proces-verbaal sporenonderzoek, 9 juli 2018, p. 232-233 en drugsrapport van [persoon 2] , 12 juli 2018, p. 236.

15 Proces-verbaal sporenonderzoek, 30 augustus 2018, p. 234.

16 Proces-verbaal dactyloscopisch onderzoek, 17 juli 2018, p. 241.

17 E-mail van [persoon 3] van 10 oktober 2018, e-mail van [persoon 4] van 10 oktober 2018 en de brief van 10 oktober van de landelijke eenheid DLOS, LFSC, FBO met als kenmerk MVP-1901-20180928 aan FO Amsterdam (kenmerk: 2018134095), inhoudende het resultaat van het dactyloscopisch onderzoek, ongenummerd.

18 Informatiestaat SKDB-persoon, 11 oktober 2018, ongenummerd.

19 Proces-verbaal van bevindingen, 5 juli 2018, p. 89, kennisgeving van inbeslagneming, 4 juli 2018, p. 304 en kennisgeving van inbeslagneming, 4 juli 2018, p. 305.

20 Proces-verbaal van aanhouding, 4 juli 2018, p. 10, kennisgeving van inbeslagneming, 4 juli 2018, p. 294 en kennisgeving van inbeslagneming, 4 juli 2018, p. 295.

21 Proces-verbaal van aanhouding, 4 juli 2018, p. 26, kennisgeving van inbeslagneming, 4 juli 2018, p. 290 en kennisgeving van inbeslagneming, 4 juli 2018, p. 292.