Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:763

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
zaaknummer / rolnummer: C/13/626262 / HA ZA 17-326
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Publicaties in De Telegraaf en Metro van 22 en 23 februari 2017 zijn onrechtmatig jegens advocaat. Voor de beschuldigingen in de publicaties dat de advocaat postbode van penoze zou zijn, dat justitie woest op hem is en dat hij zich als boodschappenjongen laat misbruiken door een topcrimineel alsmede de daaraan gekoppelde suggestie dat de advocaat de mogelijkheid bood aan deze crimineel om geheime boodschappen aan de buitenwereld door te geven die bedreigend zijn voor derden, zijn onvoldoende onderbouwd. Aan publicatie van dergelijke ernstige beschuldigingen dienen hoge eisen te worden gesteld, te meer nu de beschuldigingen een advocaat betreffen en ten dele zijn gebaseerd op afgeschermde bronnen. TMG is als uitgeefster van De Telegraaf en Metro veroordeeld tot rectificatie. Ook zijn TMG en de journalist veroordeeld tot betaling van immateriële schadevergoeding van € 10.000,00 en materiële schadevergoeding nader op te maken bij staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/626262 / HA ZA 17-326

Vonnis van 14 februari 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.Ch. Kaaks te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TMG LANDELIJK MEDIA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. R.S. Le Poole te Haarlem.

Partijen zullen hierna [eiser] en TMG c.s. worden genoemd. Gedaagden zullen afzonderlijk ook worden aangeduid als TMG, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 24 mei 2017, waarbij een comparitie van partijen is gelast, met de daarin vermelde stukken,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 september 2017 en de daarin vermelde stukken,

  • -

    de brieven van 27 september 2017 van beide partijen met op- en aanmerkingen op het proces-verbaal,

  • -

    de akte van TMG c.s. van 11 oktober 2017, met producties,

  • -

    de akte van [eiser] van 24 oktober 2017, met producties,

  • -

    de akte van TMG c.s. van 8 november 2017, met producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is hoogleraar strafrecht aan de [naam universiteit] en advocaat te Amsterdam. [eiser] staat [naam cliënt] als advocaat bij in een nog lopende zaak bij de Hoge Raad en in een ontnemingszaak bij het Gerechtshof te Amsterdam. In mei 2016 heeft [eiser] de verdediging van [naam cliënt] neergelegd in de strafzaak die bekend staat als Vandros. In deze zaak wordt [naam cliënt] beschuldigd van het geven van opdracht om liquidaties uit te voeren.

2.2.

TMG is uitgeefster van dagbladen De Telegraaf en Metro. Zij onderhoudt voorts op het internet de websites www.telegraaf.nl en www.metronieuws.nl waarop het archief van beide dagbladen gratis voor iedereen toegankelijk is, ook via zoekmachines zoals Google.

2.3.

[gedaagde 2] is misdaadverslaggever en schrijft onder meer voor De Telegraaf en Metro. [gedaagde 3] is hoofdredacteur van De Telegraaf.

2.4.

In het strafdossier van de Vandroszaak is een proces-verbaal opgenomen van 1 augustus 2016 dat is opgemaakt door de Dienst Landelijke Recherche naar aanleiding van brieven die in de cel van [naam cliënt] zijn aangetroffen. Dit proces-verbaal luidt voor zover relevant:

“Naar aanleiding van de bij de doorzoeking in de cel van [naam cliënt] aangetroffen brieven is er een nader onderzoek ingesteld naar de afzender van deze brieven. Na onderzoek is gebleken dat de brieven afkomstig waren van [naam 1] , zich noemende [naam 2] . De brieven waren ondertekend met de naam “[naam 2]” en [naam 2]”. Deze brieven zijn zonder medeweten van de beveiliging van de [naam gevangenis] door de advocaat van [naam cliënt] , [eiser] , de [naam gevangenis] binnengesmokkeld en aan [naam cliënt] verstrekt. Op 12 juli 2016 is [naam 1] gehoord. ”

2.5.

Op 22 februari 2017 heeft [gedaagde 2] een sms-bericht aan [eiser] gestuurd met de vraag om contact op te nemen, zonder daarbij een reden te vermelden. Vervolgens heeft [eiser] [gedaagde 2] gebeld en heeft een gesprek van plaatsgevonden dat één of twee minuten heeft geduurd.

2.6.

Op 23 februari 2017 is op de voorpagina van De Telegraaf een paginavullend artikel geplaatst met als kop: “Justitie woest op advocaat [eiser] ‘Postbode van Penoze’”. De inhoud van het artikel luidt als volgt:

Smokkelpost voor [naam cliënt]

door [gedaagde 2]

VUGHTPolitie en Openbaar Ministerie (OM) hebben ontdekt hoe meervoudig moordverdachte [naam cliënt] ondanks strenge veiligheidsmaatregelen toch contact onderhoudt met de buitenwereld. Volgens het OM heeft zijn vorige advocaat [eiser] geheime brieven aan [naam cliënt] de [naam gevangenis] in [plaats] binnengesmokkeld. Het OM houdt er rekening mee dat hij zo ook post verstuurde.

Justitie is razend over het gedrag van [eiser] , die volgens het OM in strijd met gevangenisregels handelde en de regels van zijn eigen beroepsgeroep overtrad. De hoofdofficier van justitie in Amsterdam eist opheldering van de Deken van de Orde van Advocaten. [eiser] wil tegenover de krant niet reageren en zegt zich alleen te zullen verstaan met de Deken. Het lekken door de advocaat wordt gemeld in het onderzoek naar vermeende pogingen door [naam cliënt] om vanuit de [naam gevangenis] zijn zussen [naam zus 1] en [naam zus 2] en journalist [naam journalist] om het leven te laten brengen.”

Bij dit artikel is een grote foto geplaatst waarop [eiser] en [naam cliënt] samen zijn te zien en waaronder is vermeld:

[naam cliënt] in 2014 met zijn toenmalige advocaat [eiser] (links) bij de Haarlemse rechtbank.

Over de foto staat als tekst:

“Exclusief” en: “GEHEIME BOODSCHAP PAGINA T6” en: “OPINIE [gedaagde 2] PAGINA T11”.

Op pagina 6 is een artikel geplaatst onder de kop:

“RECHERCHE STUIT BIJ ROUTINECONTROLE OP VERBODEN CORRESPONDENTIE VIA ADVOCAAT [eiser]” en de subkop: GEHEIME BOODSCHAP VOOR [naam cliënt]

Het artikel luidt als volgt:

Het is [naam cliënt] verboden om contact met de buitenwereld te hebben. Toch zijn er aan hem gerichte brieven in zijn cel gevonden. De recherche ontdekte dat die naar binnen gesmokkeld moeten zijn door advocaat [eiser] .

door [gedaagde 2]

De rechercheurs die op 11 april 2016 de cel van [naam cliënt] in de Extra Beveiligde Inrichting ( [naam gevangenis] ) in [plaats] doorzoeken, doen dit haast plichtmatig. Ze kennen de reputatie van ’s lands strengst beveiligde gevangenis en verwachten eigenlijk niets ongebruikelijks aan te treffen. Toch stuiten de rechercheurs op een verrassing. In een enveloppe vinden ze twee brieven aan [naam cliënt] die afkomstig zijn van ene mevrouw [naam mevrouw] . Over deze brieven vermeldt het onderzoeksdossier ‘100% Vandros’ – naar twee moordaanslagen die [naam cliënt] vanuit de [naam gevangenis] zou hebben voorbereid – letterlijk het volgende: ,,De brieven zijn zonder medeweten van de beveiliging van de [naam gevangenis] door de advocaat van [naam cliënt] , [eiser] , de [naam gevangenis] binnengesmokkeld en aan [naam cliënt] verstrekt.”.

Opwinding

De vondst brengt opwinding binnen het onderzoeksteam teweeg. Vermoedens dat [naam cliënt] sinds 2014 vanuit de [naam gevangenis] contacten onderhoudt met de buitenwereld heeft justitie al langer. Het 100% Vandros-onderzoek is gestart naar aanwijzingen dat [naam cliënt] twee medegedetineerden inschakelde om zijn zussen en misdaadverslaggever [naam journalist] te vermoorden. Ook bleek al dat [naam cliënt] via ex-vriendinnetjes een bevriende tandarts en een huidarts, [naam arts] , trachtte te bereiken om ‘boodschappen’ voor hem te doen. Met welk doel smokkelde [eiser] de brieven van deze vrouw de [naam gevangenis] binnen? Dat de schrijfsels via de advocatepost in de [naam gevangenis] belandden is de recherche snel duidelijk. Het is de enige manier om brieven ongezien door de extreem strenge controle te krijgen. Advocatenpost tussen een raadsman en zijn cliënt mag – mits verzonden of overgedragen in een gesloten enveloppe – niet worden bekeken of onderzocht door gevangenispersoneel. Het onderzoeksteam achterhaalt ook wie de mysterieuze mevrouw [naam mevrouw] is. Het blijkt te gaan om [naam 1] ., de Turkse weduwe van de in 2000 in Den Bosch geliquideerde [naam 3] . Deze eigenaar van een massagesalon was nogal bevriend met [naam cliënt] voormalige ‘bloedgabber’ [naam 4] . [naam 1] . was indertijd zelf enige tijd subject in het onderzoek naar de moord op haar man. Veel later werd ze een van de vele vriendinnetjes van [naam cliënt] . Als de vrouw door de recherche aan de tand wordt gevoeld over de correspondentie met [naam cliënt] bekent ze via [eiser] een groot aantal brieven te hebben verstuurd. Want, zo schrijft ze letterlijk: ,,Als ik iets met jou deel, dan wil ik ook dat het tussen jou en mij blijft.” Ze geeft aan dat de bezorging via [eiser] moet geschieden ,,omdat het dan sneller bezorgd kan worden”. De advocaat moet de brieven ongeopend afgeven, beveelt [naam 1] . Justitie houdt er rekening mee dat op dezelfde wijze boodschappen van [naam cliënt] naar buiten zijn gebracht. Als [naam cliënt] over briefcontacten met de buitenwereld wordt ondervraagd, ontkent hij glashard het contact met [naam 1] . Hij weet dan kennelijk nog niet dat de recherche de brieven heeft gevonden. ,,Ik heb helemaal geen contact met de buitenwereld. De enige die ik bel is [naam 5] (een ander vriendinnetje, [gedaagde 2] ). Die gesprekken worden opgenomen en meegeluisterd. Ik ontvang wel brieven maar schrijf nooit terug. Die brieven gaan ook via de GRIP (een inlichtingendienst van het gevangeniswezen, [gedaagde 2] ). Alle brieven die ik krijg worden gelezen door anderen. Ik ben echt helemaal afgesloten van de buitenwereld.” [naam 1] . onthult bij de recherche dat [naam cliënt] via haar vooral te weten wil komen ,,wat er aan de hand is en wat er speelt”. Ze is vol lof over de (verboden) medewerking van [eiser] . ,,Dat is echt gewoon een topadvocaat. Dat is een van de weinige mensen in zijn leven, waarvan ik zeg, daar kun je je leven aan vertrouwen. Het is een man waar hij op kan bouwen en vertrouwen.” [naam cliënt] wordt in het 100% Vandros-onderzoek uiteindelijk in zijn cel gearresteerd wegens het beramen van moordaanslagen. [naam cliënt] nieuwe advocaten, [advocaat 1] en [advocaat 2] , doen de verdenkingen af als onzin, maar het OM handhaaft tot op heden de aanklacht. De rol van [eiser] bleef tot deze week onder de radar. Maar intussen deed de recherche meer onderzoek en kreeg informatie dat ook [naam 6] , de vorig jaar geliquideerde partner in crime van [naam cliënt] , via [eiser] met [bijnaam] communiceerde. Dit blijkt uit verklaringen die [naam zus 2] eerder bij de politie aflegde over de relatie tussen [naam 5] en [eiser] . Ook [naam zus 1] overlegde informatie over [eiser] rol als doorgeefluik aan haar broer. [eiser] legde de verdediging van [naam cliënt] vorig jaar neer op advies van de Deken van de Orde van Advocaten. Hij stond naast [naam cliënt] in eerste instantie ook ex-vriendin [naam ex vriendin] bij, die net als [naam zus 1] en [naam zus 2] getuige à charge werd. Dat is not done in advocatenkringen. Toch bezoekt [eiser] [naam cliënt] nog steeds regelmatig omdat hij hem nog bijstaat in de ontnemingsrechtszaak naar aanleiding van de afpersingen van onder meer [naam 7] .”

Ook bij dit artikel is een foto geplaatst van [naam cliënt] en [eiser] met als onderschrift:

[naam cliënt] en [eiser] , toen nog zijn eigen advocaat. Inmiddels laat [naam cliënt] zich door een andere advocaat bijstaan, maar hij heeft nog wel contact met [eiser] .

Bij dit artikel is een foto van een brief afgedrukt welke brief afkomstig is van [naam cliënt] en is gericht aan [eiser] . De brief dateert van 19 mei 2008. [naam cliënt] vraagt daarin aan [eiser] een brief af te geven aan zijn zuster [naam zus 1] . Als onderschrift bij deze brief is opgenomen:

In het dossier over [naam cliënt] bevindt zich onder andere deze brief van [naam cliënt] aan [eiser] , waaruit blijkt dat de crimineel zijn advocaat al eerder inschakelde als boodschappenjongen.

2.7.

Op pagina 7 van de De Telegraaf van (nog steeds) 23 februari 2017 staat naast bovenvermeld artikel een artikel met als kop:

Dit is geen ongelukje en als subkop: “ [naam journalist] verbijsterd.”

Verder luidt het artikel:

Amsterdam • Het lek in de [naam gevangenis] is geen ongelukje, maar keiharde opzet. Dat stelt [naam journalist] . ,,Ik wist niet wat ik hoorde toen ik over deze praktijken werd ingelicht. Als er één advocaat is in Nederland die weet hoe extreem gevoelig dit ligt, bij deze cliënt, in de [naam gevangenis] nota bene, terwijl er allerlei onderzoeken naar liquidaties lopen, is het [eiser] . Onbegrijpelijk dat hij zich hiervoor heeft laten lenen. Dat is geen ongelukje, dat is keiharde opzet. En [naam cliënt] maar steeds roepen dat hij in de [naam gevangenis] met niemand contact heeft en alle verdenkingen onzin zijn, ondertussen speelt zijn advocaat postduif. Dit is heel zorgwekkend, want wat is er allemaal nog meer doorgespeeld, waarvan we niets weten?” Het Openbaar Ministerie gaf gisteren aan nergens inhoudelijk op te willen reageren. [eiser] zegt ook niet inhoudelijk te willen reageren op de beschuldigingen dat hij een ‘lek’ is naar [naam cliënt] en stelt zich indien nodig uitsluitend te willen verstaan met de Deken van de Orde van Advocaten. Raadsman [naam raadsman] verklaart namens de zussen [naam zussen] en [naam ex vriendin] desgevraagd alleen met het OM en de directie van de [naam gevangenis] te willen communiceren.”

2.8.

Op pagina 11 van de De Telegraaf van 23 februari 2017 staat onder de kop: “OPINIE” en de subkop:

“De verboden briefjes van meester [eiser] ”

nog een opinie van [gedaagde 2] . Deze opinie wordt afgesloten met:

“Als ik goed ben geïnformeerd, stuurde de hoofdofficier van justitie deze week een brief op poten over het wangedrag van [eiser] aan de Deken. Hopelijk is de kous daarmee niet af. Er zijn advocaten voor minder van het tableau geschrapt.”

2.9.

In Metro van 23 februari 2017 is onder de kop: ’Orde van Advocaten is al jaren ziende blind’ een artikel verschenen met onder meer de volgende inhoud:

“ [naam deken] , de deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten, maakt zich volgens misdaadjournalist [gedaagde 2] belachelijk met zijn verklaring over de brief die werd aangetroffen in de cel bij meervoudig moordverdachte [naam cliënt] . Volgens de deken ging het hier om ‘een liefdesbrief’ die ‘per ongeluk’ tussen de advocatenpost van [eiser] , de toenmalige advocaat van [naam cliënt] terecht was gekomen. (…)

,,Het is één keer gebeurd”, aldus de deken. ,,Het Openbaar Ministerie (OM) was hier toen terecht woedend over. Ik heb dit met [eiser] besproken. Het was fout en had niet mogen gebeuren, maar hiermee was de zaak ook voor het OM afgedaan”. Dat het om een liefdesbrief ging, gaat er bij [gedaagde 2] niet in. ,,Het is gelul”, reageert de verslaggever van De Telegraaf. ,, Maar deze reactie van de deken verbaast me niets. De orde is al jaren ziende blind als het gaat om misstappen van advocaten.”

Verantwoordelijkheid

[gedaagde 2] legt uit dat advocaten een enorme verantwoordelijkheid dragen in dit soort gevallen. ,, [naam cliënt] zit in de [naam gevangenis] ( [naam gevangenis] ) en daar kan in principe niets binnenkomen. Alles wordt gecheckt, behalve de advocatenpost. Dat is een groot onaantastbaar goed. Daar blijft iedereen met zijn vingers vanaf, dat is vertrouwelijke informatie tussen advocaat en verdachte. Dat zal ook nooit veranderen, want daar heeft een verdachte recht op.; Dat een advocaat, zoals [eiser] nu, op deze manier meewerkt aan het omzeilen van de beveiliging, is zeer kwalijk. [naam cliënt] zit juist in de [naam gevangenis] zodat alles gemonitord kan worden. [eiser] had beter moeten weten.” (…)”

2.10.

Op de voorpagina van De Telegraaf van 24 februari 2017 staat de kop:

DE BRIEVEN AAN [naam cliënt]

met een foto van [naam cliënt] en een verwijzing naar pagina 4. Op deze pagina is een artikel van [gedaagde 2] opgenomen met als kop:

“Bezoeken aan [naam cliënt] gezien als ‘extra risico’” en als subkop: “ [eiser] al gewaarschuwd”.

Bij dit artikel zijn foto’s geplaatst van twee briefjes van [naam 1] . van respectievelijk 28 juli 2015 en 2 augustus 2015 aan [eiser] waarin zij vraagt om brieven aan [naam cliënt] te bezorgen. Voorts staat in dit artikel onder meer:

Advocaat [eiser] is door het Openbaar Ministerie (OM) eerder gewaarschuwd voor de innige contacten met zijn cliënt [naam cliënt] . Het OM maakte zich onder meer zorgen over de frequente bezoeken door [eiser] aan de [naam gevangenis] in [plaats] , terwijl hij de verdediging van [naam cliënt] al had neergelegd.

Beveiligingsexperts van justitie zagen in de bezoeken een extra risico en waarschuwden [naam journalist] , de zussen van [naam cliënt] en diens ex-vriendin, die alle vier door [naam cliënt] worden bedreigd. Dat was nadat bij een cel-inspectie was geconstateerd dat [eiser] schrijfsels van een vrouw aan [naam cliënt] had binnengesmokkeld. (…) [eiser] gebruikte voor het binnensmokkelen van de brieven enveloppen die worden gebruikt voor post tussen advocaten en cliënten en niet door bewaarders mogen worden gecontroleerd. Het ging om soms nogal cryptisch opgestelde brieven, zo berichtte deze krant gisteren, van [naam 1] , de weduwe van de in 2000 vermoorde [naam 3] . De ontdekking van de brieven door de justitiebeveiligers paste in eerdere constateringen van het OM dat [naam cliënt] vanuit de [naam gevangenis] toch contacten met de buitenwereld probeerde te leggen. (…)”

2.11.

In Metro van 24 februari 2017 is onder de kop:

“Advocaat is zélf ook vaak de duivel

een artikel verschenen dat onder meer luidt:

“Het is niet bepaald de week waarin de advocatuur goede sier maakt. [eiser] speelde postbode voor [naam cliënt] , een van de grootste criminelen die ons land heeft gekend. (…) Wat is er toch mis met de rechtsgeleerden die toch echt wel heel goed zouden moeten weten wat er wel en niet mag? (…) Het wordt advocaten vaak verweten dat ze grote criminelen verdedigen, de ‘advocaten van de duivels’. Maar veel schrijnender is de lijst van de pleitbezorgers die zelf de regels aan de laars lapten. (…) De laconieke reactie van de Orde van Advocaten nadat bekend was geworden dat de advocaat van [naam cliënt] tegen de regels in briefjes vanuit de gevangenis naar buiten smokkelde, toont aan dat de regels kennelijk niet altijd even streng worden geïnterpreteerd. (…) De Orde is van mening dat de post van [naam cliënt] liefdesbriefjes betreft en daarmee is wat de beroepsorganisatie betreft de kous af. Maar dat is natuurlijk precies waar advocaten vaak voor worden betaald: zaken goedpraten waar een luchtje aan zit.”

2.12.

Voornoemde artikelen in De Telegraaf en Metro zijn online te raadplegen op de websites www.telegraaf.nl en www.metronieuws.nl. De artikelen in de De Telegraaf en Metro van 23 en 24 februari 2017 (en de online publicaties van deze artikelen op voornoemde websites) worden hierna tezamen aangeduid als de publicaties.

2.13.

De deken van de Amsterdamse orde van advocaten, [naam deken] , heeft bij brief van 3 augustus 2017 aan de advocaten van [eiser] onder meer geschreven:

“(…) A) Het is juist dat [eiser] mij in het voorjaar van 2016 uit eigen beweging heeft geïnformeerd over de brief of brieven van een zekere mevrouw [naam 2] , die bij een doorzoeking in de extra beveiligde inrichting ( [naam gevangenis] ) in [plaats] in de cel van zijn cliënt, de heer [naam cliënt] , is c.q. zijn aangetroffen. Ik heb daarvan geen gedetailleerde aantekeningen gemaakt, maar ik herinner mij dat [eiser] daarover al contact met het Openbaar Ministerie had gehad waarbij hem ook een kopie van een of twee brieven van mevrouw [naam 2] was getoond. Ik herinner mij dat sprake was van een kopie van een brief maar het is ook mogelijk dat [eiser] melding heeft gemaakt van een kopie van twee brieven. Uit de informatie die mij later door het artikel in de Telegraaf bekend werd, blijkt dat het ging om drie brieven waarvan er twee door het Openbaar Ministerie aan [eiser] waren getoond.

Inhoudelijk was en is voor mij irrelevant of het ging om een kopie of een origineel, of dat het ging om één of meer brieven. Voor mij is wél relevant of (kopieën van) brieven aan een cliënt zijn overhandigd die in alle beperkingen zit. Een advocaat mag aan een cliënt die in volledige beperkingen vastzit immers geen enkele informatie van derden verschaffen. Van [eiser] heb ik thans begrepen dat de aan zijn cliënt opgelegde beperkingen op 12 juni 2015 waren opgeheven en dat de brieven dateren van 28 juli 2015 en 2 augustus 2015. Die brieven zijn dus niet tijdens de beperkingen aan de heer [naam cliënt] overhandigd. Overigens gaf [eiser] volgens eigen zeggen post in een open enveloppe af aan een medewerker van de Penitentiaire Inrichting, zodat kon worden gecontroleerd wat er in de enveloppe zat.

Met [eiser] ben ik tot de reconstructie gekomen dat de originele brieven door de afzendster naar het oude adres van het kantoor van [eiser] zijn gestuurd, dat die brieven daar door een secretaresse zijn opgehaald, dat die brieven vervolgens op een stapel met aan [naam cliënt] toe te komen documenten zijn gekomen en dat deze brieven op die wijze bij zijn cliënt [naam cliënt] terecht zijn gekomen. waar het mij om gaat is dat voor de aangetroffen brieven d.d. 28 juni en 2 augustus 2015 met zekerheid kan worden vastgesteld dat deze bij [naam cliënt] terecht gekomen zijn, zonder dat het de bedoeling van [eiser] was dat deze brieven bij [naam cliënt] terecht zouden komen.

[eiser] heeft mij na de publicatie in de Telegraaf voorts geïnformeerd dat de derde brief waarvan in de publicatie in De Telegraaf sprake is niet door [eiser] aan [naam cliënt] is bezorgd maar al eerder rechtstreeks aan zijn cliënt [naam cliënt] was toegestuurd, toen deze nog in [plaats] was gedetineerd. Daar had [eiser] dus geen betrokkenheid bij.

(…)

B) (…)

Het klopt dat ik de kwestie van de brieven, na bespreking met uw cliënt en overleg met het OM, in het voorjaar van 2016 als afgedaan heb beschouwd. Het is eveneens juist dat ik [eiser] na de publicatie in de Telegraaf heb medegedeeld dat ik het Openbaar Ministerie zou berichten dat er voor mij geen enkele grond is om te delen in de zorg van het Openbaar Ministerie over de frequentie van de contacten tussen [eiser] en zijn cliënt [naam cliënt] . (…)

C) (…) Ik heb het in 2016 inderdaad zo begrepen dat sprake was van het abusievelijk mee-kopiëren van (een van) de originele brieven van mevrouw [naam 2] die [eiser] ontvangen had met het verzoek van mevrouw [naam 2] om deze bij [naam cliënt] te bezorgen, alsmede dat hij daaraan geen gevolg kon geven zolang zijn cliënt zich in volledige beperkingen bevond. [eiser] heeft mij ook een groot aantal van die brieven die hij wel ontvangen had maar niet bezorgd getoond. Daarover was tussen uw cliënt en mijzelf dus geen enkel verschil van mening.

(…)

E) Voor mij is het uitgangspunt dat [eiser] mij niet heeft misleid of willen misleiden. Ik heb zijn mededelingen en die van het Openbaar Ministerie in 2016 zo begrepen dat sprake was van een kopie van een brief of van brieven, maar die mededelingen heb ik niet als misleiding aangemerkt. merk in dat verband op dat door het Openbaar Ministerie aan [eiser] kopieën zijn getoond en geen originelen.

F) Het klopt dat ik geen tuchtrechtelijke maatregelen jegens [eiser] heb geïnitieerd. [eiser] was bekend met de regel dat via hem geen informatie van derden bij een zich in volledige beperkingen bevindende cliënt mag terechtkomen. Omdat de beperkingen al waren opgeheven, is daarvan dus geen sprake geweest. (…)”

2.14.

Op de voorpagina van De Telegraaf van 22 september 2017 staat de kop: “ADVOCAAT [naam cliënt] VRIJGEPLEIT welk artikel op pagina 6 van diezelfde krant als volgt verdergaat:

Advocaat vrijgepleit van post bezorgen [naam cliënt]

Deken: geen tuchtrechtelijke maatregelen tegen [eiser]

door [gedaagde 2]

AMSTERDAMIn de zaak rond de brieven die in de cel van topcrimineel [naam cliënt] waren aangetroffen, is diens voormalige raadsman [eiser] van blaam gezuiverd.

De Deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten ziet geen reden voor het nemen van tuchtrechtelijke maatregelen tegen [eiser] , die door politie en justitie was beticht van het binnensmokkelen van brieven in de extra beveiligde inrichting ( [naam gevangenis] ) in [plaats] waar [naam cliënt] vastzit.

[eiser] heeft de twee brieven, afkomstig van een vriendin van [naam cliënt] , niet opzettelijk via de advocatenpost meegenomen en was te goeder trouw. Dat concludeert de Amsterdamse Deken op grond van nader onderzoek dat hij instelde naar aanleiding van publicaties in De Telegraaf van begin dit jaar waarin de vondst van de brieven werd onthuld.

Doorzoeking

Rechercheurs ontdekten de brieven in het voorjaar van 2016 tijdens een doorzoeking in de cel van [naam cliënt] . De doorzoeking vond plaats in het kader van het onderzoek ‘100% Vandros’ naar de verdenking van twee moordaanslagen die [naam cliënt] vanuit de [naam gevangenis] zou hebben voorbereid. in het onderzoeksdossier staat letterlijk: ,,Deze brieven zijn zonder medeweten van de beveiliging van de [naam gevangenis] door de advocaat van [naam cliënt] , [eiser] , de [naam gevangenis] binnengesmokkeld en aan [naam cliënt] verstrekt.”

De beschuldigingen van de politie aan het adres van [eiser] leidden tot woedende reacties van beveiligingsmedewerkers van justitie die meenden dat de advocaat optrad als ,,postbode van de penoze”. Die aanduiding is volgens de advocaten van [eiser] onjuist en zeer schadelijk voor zijn goede reputatie.

[eiser] blijkt de Deken destijds uit eigen beweging te hebben geïnformeerd over de vondst van de brieven. Het was een fout en had niet mogen gebeuren, zo erkende de advocaat.

De Deken over zijn recente bevindingen: ,,Met [eiser] ben ik tot de reconstructie gekomen dat de originele brieven door de afzendster naar het oude adres van het kantoor van [eiser] zijn gestuurd, dat die brieven daar door de secretaresse zijn opgehaald, dat die brieven vervolgens op een stapel met aan [naam cliënt] toe te komen documenten zijn gekomen en dat deze brieven op die wijze bij zijn cliënt [naam cliënt] terecht zijn gekomen.”

Een derde brief was al eerder rechtstreeks verstuurd aan [naam cliënt] toen deze nog vastzat in een andere gevangenis. De ‘penvriendin’ van [naam cliënt] blijkt regelmatig brieven te hebben geschreven aan de topcrimineel. Die stuurde zij meestal naar [eiser] met het verzoek om ze te overhandigen aan zijn cliënt, maar de advocaat weigerde hieraan mee te werken zolang [naam cliënt] in volledige beperkingen zat. In dat geval mag geen enkele informatie van derden aan zijn cliënt verschaffen.

Voor de deken was in deze zaak van belang dat de beperkingen al waren opgeheven toen de brieven – onbedoeld – bij [naam cliënt] terechtkwamen. Na telefonisch overleg met het Openbaar Ministerie werd de brievenzaak in het voorjaar van 2016 als afgedaan beschouwd. De berichtgeving in deze krant leidde tot het nadere onderzoek van de Deken waarin [eiser] nu is vrijgepleit.

Deken

De deken heeft tevens aan het OM laten weten dat er wat hem betreft geen enkele grond is om te delen in de zorgen van het OM over de frequente contacten tussen [eiser] en [naam cliënt] .”

Bij dit artikel is een foto van [eiser] geplaats in welke foto als tekst is toegevoegd:

“Advocaat [eiser] treft geen blaam wat betreft het bezorgen van brieven aan [naam cliënt] . [eiser] handelde te goeder trouw, concludeert de Deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten.”

2.15.

Ook op de websites van De Telegraaf en Metro zijn op vrijdag 22 september 2017 (soortgelijke) artikelen als hiervoor onder 2.14 geplaatst.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A. voor recht te verklaren dat de publicaties onrechtmatig zijn jegens hem, in ieder geval voor wat betreft de beschuldiging dat hij “postbode van penoze” zou zijn, dat (om die reden) “Justitie woest op [eiser] ” zou zijn; de beschuldiging dat hij zich als boodschappenjongen laat misbruiken door [naam cliënt] en de daaraan gekoppelde suggestie dat [eiser] aan [naam cliënt] de mogelijkheid bood geheime boodschappen aan de buitenwereld door te geven die bedreigend zijn voor derden, althans voor wat betreft de door de rechtbank vast te stellen passages;

B. TMG te veroordelen op de voorpagina van De Telegraaf en op de website van De Telegraaf (www.telegraaf.nl) een rectificatie te publiceren zoals omschreven in de dagvaarding, althans een zodanige rectificatie zoals de rechtbank juist zal achten;

C. TMG te veroordelen op de voorpagina van dagblad Metro en op de website van Metro (www.metronieuws.nl) een rectificatie te publiceren zoals omschreven in de dagvaarding, althans een zodanige rectificatie zoals de rechtbank juist zal achten;

D. TMG te veroordelen de publicaties uit de online-archieven van De Telegraaf (www.telegraaf.nl) en Metro (www.metrouwnieuws.nl) te verwijderen en niet meer beschikbaar worden gemaakt door of namens De Telegraaf, subsidiair de publicaties te ontkoppelen van of doorzoekbaar te maken voor externe zoekmachines en de publicaties te voorzien van een pop-up venster met daarin de opgelegde rectificaties;

E. TMG c.s. te verbieden om publiekelijk aan [eiser] te refereren als “postbode van penoze” en/of “boodschappenjongen van [naam cliënt] ” en/of iemand die zich laat “misbruiken door [naam cliënt] ”, tenzij zich nieuwe feiten voordoen die deze beschuldiging zouden rechtvaardigen;

F. TMG c.s. hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade van [eiser] groot € 10.000,00, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist zal achten;

G. TMG c.s. hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de materiële schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van TMG c.s. nader op te maken bij staat;

H. De Telegraaf te veroordelen tot betaling van een dwangsom voor elke dag dat zij verzuimt het hiervoor vermelde na te komen of in strijd handelt met het verbod zoals genoemd in sub E;

I. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te veroordelen tot betaling van een dwangsom voor elke keer dat zij in strijd handelen met het hiervoor onder sub E vermelde verbod;

J. TMG c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding waaronder de nakosten.

3.2.

TMG c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De toepasselijke maatstaven

4.1.

Het gaat in deze zaak om een vordering tot rectificatie van de perspublicaties, met nevenvorderingen. Daarbij is het grondrecht betrokken van vrijheid van meningsuiting, als geregeld in artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Daartegenover staat het wettelijk verankerde belang van [eiser] bij bescherming van zijn eer en goede naam en de door artikel 8 EVRM beschermde rechten ten aanzien van zijn persoonlijke levenssfeer. Toewijzing van deze vorderingen zou een beperking inhouden van het voormelde grondrecht van TMG c.s. Dit is slechts mogelijk indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen van TMG c.s. onrechtmatig worden geacht (artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek). Bij de beantwoording van de vraag welk recht – het recht op vrije meningsuiting of het recht ter bescherming van eer of goede naam – in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen, met inachtneming van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval.

4.2.

Bij deze beoordeling is van belang of als feitelijk gepresenteerde verdenkingen en beschuldigingen in de publicaties juist zijn en, indien dit niet het geval is, of het desbetreffende persmedium en de journalist ten tijde van de publicatie redelijkerwijs kon menen dat dit het geval was. Indien dat niet het geval is, was de publicatie in zoverre in beginsel onrechtmatig.

Voor zover de publicaties opiniërend van aard zijn, dient bij de beoordeling van de rechtmatigheid daarvan met name te worden gelet op (a) de aard van de gepubliceerde verdenkingen, (b) de ernst van de daarvan te verwachten gevolgen voor betrokkene, (c) de mate waarin ten tijde van de publicatie de daarin geuite verdenkingen steun vonden in de toen beschikbare feitenmateriaal, (d) de ernst van de misstand welke de publicaties aan de kaak beoogden te stellen, (e) de inkleding van de verdenkingen en (f) de vraag of betrokkene (tot op zekere hoogte) een public figure is.

4.3.

Deze afweging dient te worden verricht met inachtneming van de bijzondere positie van de pers, gelet op haar taak in een democratische samenleving om informatie en ideeën van publiek belang te verspreiden en haar vitale rol van publieke waakhond te kunnen vervullen. Ook dient in dit verband te worden meegewogen het recht van het publiek om informatie en ideeën te ontvangen. Daarin ligt besloten dat het persmedium en journalist - in dit geval TMG c.s. - zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken.

4.4.

De in het vorenstaande besloten vrijheid van TMG c.s. als persmedium, gaat echter gepaard met verantwoordelijkheid. Naarmate het signaleren van een veronderstelde misstand ernstiger gevolgen voor de betrokkene heeft, moeten hogere eisen worden gesteld aan de zorgvuldigheid waarmee de publicatie tot stand komt, aan het daarvoor te verrichten feitenonderzoek, aan naleving van het beginsel van hoor en wederhoor, en aan de formulering van de beschuldigingen. De betrokkene - in dit geval [eiser] - mag immers niet lichtvaardig worden blootgesteld aan voor hem schadelijke publiciteit of aan beschuldigingen die geen of onvoldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal vinden.

4.5.

In dit verband is mede van belang dat de bijzondere positie van een advocaat in de rechtspleging tot extra zorgvuldigheid noopt bij het uiten van verdenkingen tegen hem. De reden hiervan is dat een advocaat een essentiële rol speelt in de rechtspleging en dat het in het algemene belang is dat het vertrouwen van het publiek in de rechtspleging niet zonder goede grond wordt ondermijnd. Dit vertrouwen is immers essentieel voor het functioneren van een democratische rechtsstaat.

De keerzijde daarvan is dat de aanwezigheid van onbetrouwbare advocaten een ernstige misstand is en dat het algemene belang, en meer in het bijzonder het in een democratische rechtsstaat noodzakelijke vertrouwen in het functioneren van de rechtspleging, ermee wordt gediend dat deze misstand wordt gesignaleerd. Maar omdat (dus) ook voorzienbaar is dat de gevolgen daarvan voor de betrokkene ernstig zijn, dient in beginsel steeds aan de hiervoor in 4.4 bedoelde hoge eisen te worden voldaan als een advocaat van onbetrouwbaarheid wordt beschuldigd. Zie in deze zin EHRM 23 april 2015, Grand Chamber, Morice/Frankrijk (Application no. 29369/10):

“132. The specific status of lawyers gives them a central position in the administration of justice as intermediaries between the public and the courts. They therefore play a key role in ensuring that the courts, whose mission is fundamental in a State based on the rule of law, enjoy public confidence (…). However, for members of the public to have confidence in the administration of justice they must have confidence in the ability of the legal profession to provide effective representation (…).”

4.6.

Ten slotte kunnen de uitingsvrijheid van een persmedium of journalist, en de daarmee samenhangende persvrijheid, meebrengen dat geraadpleegde bronnen worden afgeschermd. Maar indien ter onderbouwing van een publicatie die voor betrokkene voorzienbaar nadelige gevolgen heeft, (mede) gebruik wordt gemaakt van anonieme bronnen, en de afscherming gerechtvaardigd wordt geacht, is ook daarin een grond gelegen om hogere eisen aan de publicatie te stellen als hiervoor in 4.4 bedoeld.

Korte samenvatting van de publicaties

4.7.

De kern van de publicaties, zoals deze door een gemiddeld geïnformeerde en gemiddeld oplettende lezer (hierna: de gemiddelde lezer) zullen worden opgevat, is dat [eiser] als boodschappenjongen zich ervoor heeft geleend op te treden als “postbode van de penoze”. Hij heeft immers geheime brieven - op pagina 6 van de Telegraaf van 23 februari 2017 genoemd: een geheime boodschap - bestemd voor zijn cliënt [naam cliënt] , de [naam gevangenis] in [plaats] binnengesmokkeld. De gemiddelde lezer zal de kop van het artikel dat [eiser] een “postbode van de penoze” is, opvatten als een kernachtige samenvatting van deze beschuldigingen. Aan de ernst van de beschuldigingen wordt kracht bijgezet door de mededeling dat Justitie hier razend over is en dat [eiser] volgens het OM aldus in strijd met gevangenisregels heeft gehandeld en de regels van zijn eigen beroepsgroep heeft overtreden. De hoofdofficier van justitie in Amsterdam heeft hierover opheldering geëist van de plaatselijke deken. Het OM houdt er rekening mee dat [naam cliënt] langs deze weg ook post verstuurde (op pagina 6 staat dat Justitie hiermee rekening houdt). Het lekken door de advocaat wordt gemeld in het onderzoek naar vermeende pogingen door [naam cliënt] om vanuit de [naam gevangenis] zijn zusters [naam zus 1] en [naam zus 2] en journalist [naam journalist] om het leven te laten brengen.

Voorts wordt voormelde [naam journalist] geciteerd, die stelt dat het lek in de [naam gevangenis] geen ongelukje is, maar keiharde opzet. [gedaagde 2] schrijft in zijn opiniestuk op pagina 11 van dezelfde editie van de Telegraaf over “het wangedrag van [eiser] ” en merkt op dat er advocaten voor minder van het tableau zijn geschrapt.

4.8.

In de Metro van dezelfde datum is een bericht van dezelfde strekking geplaatst. Over de beoordeling van de zaak door de plaatselijke deken opgemerkt dat de orde al jaren ziende blind is als het gaat om misstappen van advocaten. Volgens [gedaagde 2] is het zeer kwalijk dat een advocaat, zoals [eiser] , nu op deze manier meewerkt aan het omzeilen van de beveiliging.

In de Metro van 24 februari 2017 wordt onder de kop “Advocaat is zélf ook vaak de duivel” onder meer opgemerkt dat veel schrijnender is de lijst van pleitbezorgers die zelf de regels aan de laars lapt. De Orde van advocaten is van mening dat de kous af is, maar dat is natuurlijk precies waarvoor advocaten vaak worden betaald: zaken goedpraten waaraan een luchtje zit.

Toetsing van de publicaties aan de toepasselijke maatstaven

4.9.

Deze beschuldiging is buitengewoon ernstig. Indien daarvoor voldoende grond bestaat, gaat het om een grove maatschappelijke misstand die het alleszins verdiend te worden gesignaleerd. Maar omdat (dus) ook voorzienbaar is dat de gevolgen voor de betrokkene - in dit geval [eiser] - daarvan ernstig zijn is de keerzijde, zoals hiervoor in 4.4 overwogen, dat aan de publicatie in een aantal opzichten hoge eisen dienen te worden gesteld. Daarvoor is in dit geval te meer aanleiding nu het gaat om beschuldigingen die een advocaat betreffen en die ten dele zijn gebaseerd op afgeschermde bronnen (zie hiervoor in 4.5 en 4.6).

Binnensmokkelen van de brieven

4.10.

De feitelijke grondslag voor de beschuldiging van binnensmokkelen is volgens TMG c.s. gelegen in de hiervoor in 2.4 geciteerde passage uit een proces-verbaal dat is opgemaakt door de Dienst Landelijke Recherche. Die passage wordt hier herhaald; zij luidt als volgt:

“Naar aanleiding van de bij de doorzoeking in de cel van [naam cliënt] aangetroffen brieven is er een nader onderzoek ingesteld naar de afzender van deze brieven. Na onderzoek is gebleken dat de brieven afkomstig waren van [naam 1] , zich noemende [naam 2] . De brieven waren ondertekend met de naam “[naam 2]” en [naam 2]”. Deze brieven zijn zonder medeweten van de beveiliging van de [naam gevangenis] door de advocaat van [naam cliënt] , [eiser] , de [naam gevangenis] binnengesmokkeld en aan [naam cliënt] verstrekt. Op 12 juli 2016 is [naam 1] gehoord. ”

4.11.

Enige onderbouwing in dit proces-verbaal van de in de voorlaatste zin van deze passage besloten beschuldiging ontbreekt. Dat is ook begrijpelijk omdat het hier gaat om een proces-verbaal dat is opgemaakt in de Vandroszaak waarin [eiser] geen verdachte was, maar de verdachte [naam cliënt] als advocaat bijstond. Niet gesteld of gebleken is dat het onderzoek mede was gericht op de rol die [eiser] heeft gespeeld bij het binnen de [naam gevangenis] brengen van de brieven. Dit had tot behoedzaamheid moeten stemmen bij het overnemen van deze beschuldiging.

4.12.

Deze omstandigheid, in samenhang met de ernst van deze beschuldiging en de daarvan voor [eiser] te verwachten schadelijke gevolgen, bezien tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor in 4.4-4.6 is opgemerkt, bracht mee dat hoge eisen dienen te worden gesteld aan het door [gedaagde 2] toe te passen wederhoor. Aan die eisen is in dit geval bij lange na niet voldaan. Vast staat immers dat [gedaagde 2] ermee heeft volstaan voorafgaand aan de publicaties per sms contact te zoeken met [eiser] (zie 2.5) en - nadat deze had teruggebeld – in een telefoongesprek van 1 à 2 minuten slechts te vragen of het klopt dat hij brieven van [naam 2] de cel van [naam cliënt] had binnengesmokkeld en of hem de toegang tot de [naam gevangenis] was ontzegd.

4.13.

Ter comparitie heeft [gedaagde 2] gezegd dat het [eiser] duidelijk moet zijn geweest dat hij de intentie had om te publiceren, maar hij heeft niet toegelicht waaruit [eiser] dit had moeten afleiden. Gezien de zeer schadelijke inhoud van de publicaties is, juist omgekeerd, aannemelijk dat dit voor [eiser] niet duidelijk was, laat staan dat hem duidelijk was dat het zou gaan om artikelen met een inhoud als hier aan de orde. Als dit anders was, is zonder meer aannemelijk dat [eiser] het niet bij een telefoongesprek van 1 à 2 minuten zou hebben gelaten. [gedaagde 2] had dit behoren te begrijpen. Daarvoor is des te meer aanleiding gezien zijn eigen verklaring ter comparitie dat hij al 27 jaar als onderzoeksjournalist werkt, altijd gedegen onderzoek doet en hoor en wederhoor toepast. Daarbij komt bovendien dat de publicaties niet onder tijdsdruk tot stand kwamen, nu het ging om verdenkingen die toentertijd al ongeveer een jaar oud waren. Er was dus alle tijd - en aanleiding - om [eiser] in dit opzicht het volle pond te geven. In plaats daarvan heeft [gedaagde 2] het wederhoor in feite behandeld als een noodzakelijke formaliteit.

4.14.

Zou [gedaagde 2] wél op behoorlijke wijze wederhoor hebben toegepast en aan [eiser] duidelijk hebben gemaakt dat hij voornemens was de onderhavige beschuldigingen te publiceren, dan is aannemelijk dat hem hetzelfde zou zijn verteld als [eiser] in dit geding gemotiveerd heeft uiteengezet. Deze uiteenzetting komt erop neer dat hij ( [eiser] ) zich niet bewust was van de aanwezigheid van de brieven in de door hem in een geopende enveloppe aan het beveiligingspersoneel van de [naam gevangenis] aangeboden advocatenpost, bestemd voor [naam cliënt] . Hij neemt inmiddels aan dat de twee brieven door een vergissing van zijn secretaresse, verband houdend met de verhuizing van zijn kantoor, maar onder zijn verantwoordelijkheid, per ongeluk tussen zijn advocatenpost terecht zijn gekomen, en aldus bij [naam cliënt] zijn beland. Zodra hij ervan op de hoogte raakte dat deze brieven in de cel van [naam cliënt] zijn aangetroffen, heeft hij de zojuist genoemde reconstructie gemaakt en daarvan uit eigen beweging melding gemaakt aan de deken van de Amsterdamse orde van advocaten. Deze heeft daarnaar (wél) een onderzoek ingesteld en daarvan verslag gedaan in brieven die zich onder de processtukken bevinden. De conclusie van het onderzoek is, kort samengevat, dat [eiser] een slordigheid heeft begaan, maar dat niet aannemelijk is dat het bijvoegen van de brieven bij de voor [naam cliënt] bestemde advocatenpost opzettelijk is gebeurd, zodat er geen aanleiding is een sanctie tegen hem te treffen.

4.15.

Het feit dat [gedaagde 2] dit alles niet wist, is erdoor veroorzaakt dat hij geen behoorlijk wederhoor heeft toegepast. Dit komt onder de gegeven omstandigheden voor risico van TMG c.s.

4.16.

De slotsom van het vorenstaande is dat de centrale beschuldiging in de publicaties van ‘binnensmokkelen’ - dat, ook naar gewoon spraakgebruik, opzet impliceert - geen sprake is geweest en dat TMG c.s., bij het van haar te verwachten onderzoek (wederhoor), dit had behoren te weten.

Daaraan doet niet af dat [naam journalist] van mening is dat het lek in de [naam gevangenis] geen ongelukje is, maar keiharde opzet. Dat is reeds het geval omdat gesteld noch gebleken is dat deze mening is gebaseerd op eigen onderzoek van [naam journalist] ; veeleer wekken de publicaties de indruk dat [naam journalist] is afgegaan op aan hem gedane mededelingen door [gedaagde 2] . In dit geding is niet iets anders gesteld of aannemelijk geworden.

Geheime brieven/boodschappen

4.17.

Volgens de publicaties waren de ‘binnengesmokkelde’ brieven geheime brieven, of zelfs geheime boodschappen. Deze beschuldiging (‘geheime boodschap’) is tevens als onderkop geplaatst op de voorpagina van de Telegraaf van 23 februari 2017. In de publicaties ligt aldus voor de gemiddelde lezer de suggestie besloten dat de ‘binnengesmokkelde’ brieven in codetaal gestelde boodschappen bevatten die, mede gelet op het vervolg van de publicaties, betrekking zouden kunnen hebben op moordopdrachten, gericht op de zusters van [naam cliënt] en voormelde [naam journalist] .

4.18.

Deze impliciete beschuldigingen/suggesties zijn in dit geding door niets onderbouwd. De desbetreffende brieven zijn in het geding gebracht. Ze zijn afkomstig van iemand die al vele tientallen brieven aan [naam cliënt] heeft gericht. Aan de brieven, die zich in het dossier bevinden, is niets interessants te ontdekken. TMG c.s. heeft in dit geding ook niet anders gesteld, maar slechts erop gewezen dat [naam 2] in deze brieven haar diensten aan [naam cliënt] aanbiedt.

In Metro wordt opgemerkt: “Dat het om een liefdesbrief ging, gaat er bij [gedaagde 2] niet in. “Het is gelul”, reageert de verslaggever van De Telegraaf.” Het gewicht van deze - niet onderbouwde - mening is niet buitengewoon hoog.

Justitie was razend over dit gedrag van [eiser]

4.19.

De ernst van het (ten onrechte) gestelde binnensmokkelen, en de serieusheid van deze verdenking, wordt in de publicaties onderstreept doordat wordt gesteld dat Justitie razend is over dit gedrag van [eiser] .

4.20.

Ter comparitie heeft TMG c.s. toegelicht dat in deze context met ‘Justitie’ wordt gedoeld op niet nader genoemde (hooggeplaatste) beveiligingsbeambten, kennelijk verbonden aan de [naam gevangenis] . Daarvan uitgaande is de vermelding dat Justitie razend is over het gedrag van [eiser] , misleidend. ‘Justitie’ zal door de gemiddelde lezer worden verstaan als - al naar gelang de context - (functionarissen van) hetzij het Ministerie van Justitie en Veiligheid, hetzij de rechterlijke macht, hetzij het OM, hetzij een combinatie daarvan. Daartoe behoren (hooggeplaatste) beveiligingsbeambten niet, hoezeer zij ook belangrijk werk verrichten.

4.21.

Het gaat hier niet om een louter technisch onderscheid, maar om een strafvorderlijk geregelde hiërarchie waaraan, met name uit een oogpunt van rechtsbescherming voor de burger, belangrijke consequenties zijn verbonden. Het OM is belast met de tenuitvoerlegging van een eventueel door de rechter opgelegde straf, en die hier bedoelde beveiligingsbeambten zijn kennelijk werkzaam in de penitentiaire inrichting waarin die tenuitvoerlegging plaatsvindt. Aan mededelingen afkomstig van ‘Justitie’ komt dus een ander gewicht toe dan aan gevoelens of meningen van (hooggeplaatste) beveiligingsbeambten. TMG c.s. weet dit ook, of behoort dat althans te weten. Door de woede van beveiligingsbeambten toe te schrijven aan ‘Justitie’ wordt een valse schijn van gezaghebbendheid van de in de publicaties vervatte beschuldigingen in het leven geroepen.

[eiser] heeft volgens het OM in strijd met gevangenisregels gehandeld en de regels van zijn eigen beroepsgroep overtreden

4.22.

De beschuldiging dat [eiser] volgens het OM in strijd met gevangenisregels heeft gehandeld en de regels van zijn eigen beroepsgroep heeft overtreden, strekt kennelijk eveneens ertoe de ernst van het (ten onrechte) gestelde binnensmokkelen, en de serieusheid van deze verdenking, te onderstrepen. Zij is in dit geding toegespitst op een tweetal verwijten. De eerste beschuldiging betreft uit 2015 daterende correspondentie tussen het OM, de Amsterdamse deken en [eiser] . Het OM heeft daarin zorgen geuit over de frequentie van de bezoeken van [eiser] aan [naam cliënt] . Dit is echter een andere kwestie dan in de publicaties aan de orde is. Meer in het bijzonder heeft het OM in deze correspondentie niet het standpunt ingenomen dat [eiser] in strijd met de gevangenisregels heeft gehandeld en de regels van zijn eigen beroepsgroep heeft overtreden. Ook heeft de hoofdofficier van justitie hierover - eveneens anders dan in de publicaties staat - geen opheldering geëist van de plaatselijke deken. De kwestie van de bezoekfrequentie is besproken met de deken, die meende dat geen grond is voor enige verontrusting over deze frequentie, hetgeen hij schriftelijk heeft bericht aan het OM. Dit is op die bezoekfrequentie verder niet teruggekomen. Ook dit onderdeel van de publicaties is dus onjuist.

4.23.

De advocaat van TMG c.s. heeft ter comparitie opgemerkt dat twee brieven zijn gestuurd aan de deken door de hoofdofficier van justitie met betrekking tot [eiser] en dat [eiser] heeft gesproken met de hoofdofficier en de deken. Aldus is hetgeen in 4.22 is overwogen, niet betwist.

4.24.

De tweede beschuldiging houdt in dat het [naam cliënt] verboden was contact met de buitenwereld te hebben. [eiser] heeft daartegen ingebracht dat de brieven dateren van 28 juli 2015 en 2 augustus 2015, terwijl de aan [naam cliënt] opgelegde strafvorderlijke beperkingen zijn opgeheven met ingang van 12 juni 2015. Daarna, aldus nog steeds [eiser] , mocht [naam cliënt] wel degelijk contact hebben met de buitenwereld, maar heeft hij zelf ervoor gekozen zulke contacten niet te hebben.

TMG c.s. heeft het voorgaande op zichzelf niet betwist, maar heeft daartegen ingebracht dat [naam cliënt] , door zijn plaatsing in de [naam gevangenis] , aan penitentiaire beperkingen was onderworpen wat betreft zijn contacten met de buitenwereld. Dit is op zichzelf door [eiser] niet bestreden.

4.25.

Onjuist is dus de stelling dat het [naam cliënt] was verboden contact met de buitenwereld te hebben op het moment waarop de brieven per abuis door [eiser] bij hem zijn bezorgd, maar juist is dat die bezorging niet had mogen plaatsvinden zonder voorafgaand onderzoek van de brieven door personeel van de [naam gevangenis] . Wat betreft dit laatste valt deze tweede beschuldiging samen met die van binnensmokkelen van de brieven, welke beschuldiging hiervoor ongegrond is bevonden.

4.26.

Het verwijt ten slotte dat [eiser] aldus de regels van zijn eigen beroepsgroep heeft overtreden, is bestreden en niet toegelicht. Het mist dus grond. Daarom zijn de publicaties ook in zoverre onjuist.

Het OM/Justitie houdt er rekening mee dat [naam cliënt] langs deze weg ook post verstuurde

4.27.

De beschuldiging dat het OM/Justitie ermee rekening houdt dat [naam cliënt] via zijn advocaat ook post verstuurde, wordt kort daarop gevolgd door de vermelding dat het lekken door de advocaat is gemeld in het onderzoek naar vermeende pogingen door [naam cliënt] om zijn zusters en [naam journalist] om het leven te laten brengen. Deze beschuldiging kan door een gemiddelde lezer, die zich nog herinnert dat even tevoren sprake was van geheime brieven/boodschappen, moeilijk anders worden begrepen dan dat [eiser] door het OM ervan wordt verdacht dat hij [naam cliënt] behulpzaam is geweest bij het geven van een opdracht tot moord. Deze beschuldiging is buitengewoon ernstig. Zij is echter door niets onderbouwd.

4.28.

Indien deze beschuldiging is gebaseerd op de hiervoor in 2.4 en 4.10 aangehaalde passage uit het proces-verbaal van de Dienst Landelijke Recherche is zij, gelet op de buitengewone ernst daarvan, in diverse opzichten volstrekt onvoldoende onderbouwd.

Ten eerste mag de Dienst Landelijke Recherche niet worden gelijkgesteld met “Justitie” (zie over de omschrijving van dit begrip, zoals opgevat door de gemiddelde lezer, hiervoor in 4.20). De Dienst Landelijke Recherche is werkzaam in ondergeschiktheid aan het Openbaar Ministerie. Zie over de aldus gewekte valse schijn van gezaghebbendheid hiervoor in 4.21.

Ten tweede impliceert het proces-verbaal van de Recherche, waarin wordt gesproken van binnensmokkelen, niet dat ook een verdenking bestaat van naar buiten smokkelen.

Ten derde wordt verwezen naar hetgeen hiervoor in 4.12-4.16 is overwogen; dit komt erop neer dat ook het binnensmokkelen van de brieven waarvan in het proces-verbaal sprake is, in de gegeven omstandigheden niet zonder behoorlijk wederhoor, hetgeen achterwege is gebleven, voor juist mocht worden gehouden.

4.29.

Hetzelfde geldt dus voor de beschuldiging dat het OM/Justitie er rekening mee houdt dat [naam cliënt] langs deze weg ook post verstuurde, indien deze al (mede) op dit proces-verbaal is gebaseerd. Deze beschuldiging moet dus voor onjuist worden gehouden. Hetzelfde geldt voor de kop van het artikel waarin [eiser] wordt gekwalificeerd als “postbode van de penoze”. Deze kop is een even treffende als accurate weergave van de inhoud van het artikel, maar is daarom even treffend onjuist als die inhoud zelf. Dit is des te ernstiger omdat deze kop paginabreed op de voorpagina is geplaatst van de Telegraaf van 23 februari 2017, over een foto van [eiser] en [naam cliënt] samen, met als daarboven geplaatste kop dat Justitie woest is op advocaat [eiser] .

Samenvatting

4.30.

Het vorenstaande komt erop neer dat de publicaties gedane beschuldigingen van feitelijke aard onjuist en misleidend zijn. De beschuldiging van ‘binnensmokkelen’ vond enige steun en het proces-verbaal van de Landelijke Dienst Rijksrecherche, maar in de omstandigheden van het geval mocht [gedaagde 2] daarop niet zonder meer afgaan. Hij had dienaangaande op zorgvuldige wijze wederhoor moeten toepassen, maar heeft dit nagelaten. Zou hij dit wél hebben gedaan, dan zou hij de vermoedelijke toedracht hebben gehoord (zie 4.14) en had hij deze beschuldiging niet mogen uiten. Dit brengt mee dat ook niet kan worden gezegd dat TMG c.s. ten tijde van de publicaties redelijkerwijs kon menen dat de beschuldigingen juist waren. In zoverre zijn de publicaties dus onrechtmatig.

4.31.

Voor zover de publicaties opiniërend van aard zijn, is van belang dat de aard van de verdenkingen publicatie zonder meer rechtvaardigde, indien daarvoor voldoende grond bestond. Aan deze laatstgenoemde voorwaarde is in het onderhavige geval echter niet voldaan. De beschuldigingen vonden ten tijde van de publicatie onvoldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal. Dit is extra bezwaarlijk gezien de ernst van de voor [eiser] te verwachten gevolgen van de publicaties. De publicaties beoogden een ernstige misstand aan de kaak te stellen, maar de dunne basis daarvan in het feitenmateriaal, de omstandigheid dat de publicaties mede waren gebaseerd op afgeschermde bronnen en het feit dat de beschuldigingen waren gericht tegen een advocaat, noopten tot extra zorgvuldigheid, die niet in acht is genomen. De verdenkingen zijn voorts op sensationele wijze ingekleed, die er kennelijk op was gericht de boodschap dat van een ernstige misstand sprake was, met maximaal effect op de gemiddelde lezer over te brengen. Ten slotte kan weliswaar worden gezegd dat [eiser] meer dan de gemiddelde Nederlander een public figure is, maar tussen partijen staat vast dat hij niet de publiciteit zoekt.

4.32.

Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de publicaties onrechtmatig zijn tegenover [eiser] zodat het grondrecht van TMG c.s. op vrijheid van meningsuiting, minder zwaar weegt dan het belang van [eiser] bij bescherming van zijn eer en goede naam.

Gang van zaken na de comparitie; nieuwe publicatie; nog resterend belang bij de vorderingen

4.33.

De hiervoor al enkele malen ter sprake gekomen comparitie van partijen, die plaatsvond op 11 september 2017, is erin uitgemond dat partijen de rechtbank verzochten de zaak aan te houden voor het beproeven van een minnelijke regeling.

4.34.

Vervolgens heeft TMG c.s. bij akte gesteld dat geen minnelijke regeling tot stand is gekomen, maar dat zij inmiddels op 22 september 2017 nieuwe publicaties heeft geplaatst in de Telegraaf en de Metro onder de kop “Advocaat vrijgepleit van post bezorgen [naam cliënt] ” met de subkop “Deken: geen tuchtrechtelijke maatregelen tegen [eiser] ”. Mede gelet op de inhoud van dit artikel mist [eiser] nu belang bij de door hem gevorderde rectificatie, aldus nog steeds TMG c.s.

4.35.

[eiser] heeft hierop bij antwoordakte gereageerd en aangevoerd dat de publicaties van 22 september 2017 niet voldeden aan de door hem voorgestelde rectificatietekst. Meer in het bijzonder is daarin niet vermeld dat al een jaar voor de publicatie een onderzoek is ingesteld naar het aantreffen van de brieven van [naam 2] in de cel van [naam cliënt] , dat erin is uitgemond dat van kwade trouw - en dus van binnensmokkelen - geen sprake is geweest. Dit had TMG c.s. kunnen weten bij het van haar te verwachten onderzoek/wederhoor. Bovendien is niet de onjuiste beschuldiging rechtgezet dat [eiser] ‘postbode van de penoze’ zou zijn. Evenmin is rechtgezet de bewering dat ‘Justitie woest’ was op [eiser] , noch de suggestie dat [eiser] niet alleen geheime boodschappen de gevangenis heeft binnengesmokkeld, maar ook uit de gevangenis heeft gesmokkeld. Ook is de Telegraaf niet teruggekomen van de oproep [eiser] te schrappen van het tableau.

4.36.

Op deze door [eiser] aangevoerde gronden wordt geoordeeld dat door de nieuwe publicaties van 22 september 2017 niet het belang van [eiser] is weggenomen bij rectificatie van de (eerdere) publicaties. De Telegraaf zal daartoe dus worden veroordeeld. Het feit dat zij daarmee voor de tweede keer een rectificatie moet plaatsen, komt voor haar eigen risico.

Beoordeling van de overige vorderingen

4.37.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zullen de vorderingen zoals onder 3.1., A, B en C, weergegeven worden toegewezen als in het dictum vermeld. Ook de vorderingen tot rectificatie zullen worden toegewezen, zij het dat de rechtbank daarvoor de volgende formulering passend acht.

a. a) TMG dient binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis op de voorpagina van dagblad De Telegraaf, in een vetgedrukt kader, in het midden van de voorpagina, over de volle breedte van de voorpagina, zonder verder bijschrift of naschrift, in zodanige lettergrootte dat de tekst “ADVOCAAT [eiser] TEN ONRECHTE BESCHULDIGD DOOR DE TELEGRAAF” zich over de volle breedte van de voorpagina uitstrekt, met gecentreerd in kapitale letters het woord “RECTIFICATIE daarboven weergegeven over de volle breedte van de pagina en met dezelfde lettergrootte als de letters in de beschuldiging “Postbode van Penoze” op de voorpagina van De Telegraaf van 23 februari 2017 te publiceren:

R E C T I F I C A T I E

ADVOCAAT [eiser] TEN ONRECHTE BESCHULDIGD DOOR DE TELEGRAAF

In De Telegraaf van 23 en 24 februari 2017 is de Amsterdamse strafrechtadvocaat [eiser] ervan beschuldigd dat hij zijn positie als advocaat heeft misbruikt door geheime brieven de [naam gevangenis] te [plaats] in en uit te smokkelen ten behoeve van zijn cliënt [naam cliënt] , dat hij zich als boodschappenjongen laat gebruiken door [naam cliënt] en dat hij daardoor de veiligheid van derden in gevaar heeft gebracht.

Deze beschuldigingen missen feitelijke grondslag. De rechtbank Amsterdam heeft deze beschuldigingen bij vonnis van 14 februari 2018 onrechtmatig bevonden. Zij heeft De Telegraaf onder meer tot het plaatsen van deze rectificatie veroordeeld. Voorts is De Telegraaf veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [eiser] .

Hoofdredactie De Telegraaf”

b) De hierboven onder a. vermelde rectificatietekst dient door TMG binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis ook aan de rechterbovenzijde van de homepagina van de website: www.telegraaf.nl te worden geplaatst in het voor die website gebruikelijke goed leesbare lettertype en lettergrootte en omrand door een duidelijk zwart kader en zonder toevoeging of commentaar, en deze tekst aldus een week geplaatst te houden.

c) TMG dient binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis op de voorpagina van dagblad Metro, in een vetgedrukt kader, in het midden van de voorpagina, over de volle breedte van de voorpagina, zonder bijschrift of naschrift, in zodanige lettergrootte dat de tekst “ADVOCAAT [eiser] TEN ONRECHTE BESCHULDIGD DOOR METRO” zich over de volle breedte van de voorpagina uitstrekt, met gecentreerd in kapitale letters het woord “RECTIFICATIE daarboven weergegeven over de volle breedte van de pagina te publiceren:

R E C T I F I C A T I E

ADVOCAAT [eiser] TEN ONRECHTE BESCHULDIGD DOOR DE METRO

In Metro van 23 en 24 februari 2017 is de Amsterdamse strafrechtadvocaat [eiser] ervan beschuldigd dat hij zijn positie als advocaat heeft misbruikt door tegen de regels in briefjes vanuit de gevangenis naar buiten te smokkelen ten behoeve van zijn cliënt [naam cliënt] .

Deze beschuldiging mist feitelijke grondslag. De rechtbank Amsterdam heeft deze beschuldiging bij vonnis van 14 februari 2018 onrechtmatig bevonden. Zij heeft heeft Metro tot het plaatsen van deze rectificatie veroordeeld. Voorts is TMG, de uitgever van Metro, veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [eiser] .

Hoofdredactie Metro”

d) De hierboven onder c. vermelde rectificatietekst dient door TMG binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis ook aan de rechterbovenzijde van de homepagina van de website: www.mettronieuws.nl te worden geplaatst in het voor die website gebruikelijke goed leesbare lettertype en lettergrootte en omrand door een duidelijk zwart kader en zonder toevoeging of commentaar, en deze tekst aldus een week geplaatst te houden.

4.38.

Met betrekking tot de vordering onder 3.1.D geldt het volgende. Online archieven stellen nieuws beschikbaar en vervullen een belangrijke functie in de samenleving. De samenleving moet kunnen vertrouwen op een volledige en integere online archivering. De – blijvende – verwijdering daarvan zou een ontkenning van de geschiedenis met zich brengen. De vordering tot verwijdering zal dan ook worden afgewezen.

4.39.

Onvoldoende toegelicht is hoe TMG zou kunnen voldoen aan de vordering tot het ontkoppelen dan wel ondoorzoekbaar maken van de publicaties voor externe zoekmachines. Deze vordering zal daarom worden afgewezen. Dit laat overigens onverlet dat [eiser] zich kan wenden tot die zoekmachines met het verzoek de onrechtmatig geoordeelde publicaties niet langer weer te geven in de door die zoekmachines gegenereerde zoekresultaten (zie: EHRM 13 mei 2014, Grote Kamer, Google/Spain, ECLI:EU:C:2014:317).

4.40.

Gezien al het vorenstaande zal TMG worden veroordeeld om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis de onrechtmatige publicaties (dus ieder artikel in zijn geheel en niet slechts iedere afzonderlijk onrechtmatig geoordeelde uiting in de artikelen) in de door haar beheerde online-archieven te voorzien van een – blijvend (dat wil zeggen: zolang de publicaties in het online archief zijn te raadplegen) – pop-up venster met daarin de tekst van de opgelegde rectificaties, zodat een ieder bij het waarnemen van de publicaties duidelijk en onomwonden tevens de informatie krijgt dat de publicaties in rechte onrechtmatig zijn bevonden. In zoverre zal vordering 3.1.D dus worden toegewezen.

4.41.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal ook vordering 3.1.E worden toegewezen als in het dictum volgt. De beperking van de vrijheid van meningsuiting die dit meebrengt is in dit geval gerechtvaardigd en noodzakelijk in een democratische samenleving.

4.42.

Ten aanzien van vordering 3.1.F, hoofdelijke veroordeling van TMG c.s. tot betaling van immateriële schadevergoeding aan [eiser] van € 10.000,00, geldt het volgende. Het verweer van TMG c.s. dat causaal verband tussen de gestelde schending van de eer en goede naam van [eiser] en de onrechtmatige publicaties zou ontbreken, faalt. De uitingen omtrent de ‘brievenkwestie’ in andere nieuwsmedia waarnaar TMG c.s. verwijst (producties 1 tot en met 10 bij haar conclusie van antwoord) dateren van na de publicaties dan wel zijn van dezelfde dag en verwijzen naar de publicaties van TMG c.s. De omstandigheid dat andere media over de berichtgeving van TMG c.s. hebben gepubliceerd, maakt niet dat het causaal verband tussen de door hen gepleegde onrechtmatige daad en de door [eiser] geleden schade is doorbroken.

Het is voorts vanzelfsprekend dat sprake is van reputatieschade voor [eiser] door de publicaties van TMG c.s. Het gevorderde bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schadevergoeding wegens de schending van de eer en goede naam van [eiser] is in overeenstemming met de bedragen die in soortgelijke gevallen zijn toegewezen.

De tevens gevorderde wettelijke handelsrente zal worden afgewezen nu niet is voldaan aan de daarvoor gestelde vereisten in artikel 6:119a BW. In plaats daarvan zal de wettelijke rente worden toegewezen.

4.43.

De hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 2] naast TMG tot betaling van deze schadevergoeding zal eveneens worden toegewezen. In het vorenstaande ligt besloten dat en waarom [gedaagde 2] ook persoonlijk onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] .

De vordering, voor zover gericht tegen [gedaagde 3] als hoofdredacteur van De Telegraaf, zal echter worden afgewezen. Een hoofdredacteur is niet zonder meer persoonlijk aansprakelijk voor elke onrechtmatige publicatie die in zijn krant verschijnt; in zoverre geldt ook niet een vorm van kwalitatieve aansprakelijkheid. In dit licht is onvoldoende toegelicht waarin de door [gedaagde 3] gepleegde onrechtmatigheid zou zijn gelegen.

Gezien artikel 6:102 lid 1 BW zullen TMG en [gedaagde 2] hoofdelijk worden veroordeeld tot voldoening van de onderhavige schade. De vordering, voor zover gericht tegen [gedaagde 3] , zal worden afgewezen.

4.44.

Vordering 3.1.G zal worden toegewezen. De mogelijkheid dat [eiser] als gevolg van de onrechtmatige publicaties ook materiële schade heeft geleden, is voldoende aannemelijk.

4.45.

De onder 3.1., H en I, gevorderde dwangsommen zullen tegen TMG eveneens worden toegewezen. Zij zullen worden beperkt en gemaximeerd. De gevorderde dwangsom ten aanzien van TMG is toewijsbaar in die zin dat zij een dwangsom van € 10.000,00 zal verbeuren voor elke dag (een dagdeel inbegrepen) dat zij niet aan de hiervoor onder 4.41 omschreven veroordeling zal voldoen, tot een maximum van € 250.000,00. De gevorderde dwangsom is ten aanzien van [gedaagde 2] toewijsbaar in die zin dat hij een dwangsom verbeurt van € 2.500,00 voor elke dag (een dagdeel inbegrepen) dat hij niet aan de hiervoor onder 4.41 omschreven veroordeling voldoet tot een maximum van ieder € 25.000,00.

4.46.

TMG en [gedaagde 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omgekeerd zal [eiser] in de kosten worden veroordeeld die aan de zijde van [gedaagde 3] zijn gemaakt. Deze kosten worden, nu geen afzonderlijk verweer is gevoerd, op nihil begroot. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 97,31

- griffierecht 883,00

- salaris advocaat 1.130,00 (2,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 2.110,31

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat TMG en [gedaagde 2] onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld met betrekking tot de berichtgeving in De Telegraaf van 23 en 24 februari 2017 alsmede in Metro van 23 en 24 februari 2017 door de beschuldiging te uiten dat [eiser] ‘postbode van penoze’ zou zijn, dat (om die reden) ‘Justitie woest op [eiser] ’ zou zijn, en dat [eiser] zich als boodschappenjongen laat misbruiken door [naam cliënt] en door de daaraan gekoppelde suggestie dat [eiser] aan [naam cliënt] de mogelijkheid bood geheime boodschappen aan de buitenwereld door te geven die bedreigend zijn voor derden,

5.2.

gebiedt TMG om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis de rectificaties te plaatsen zoals vermeld in rechtsoverweging 4.37,

5.3.

gebiedt TMG om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis in de online-archieven van De Telegraaf (www.telegraaf.nl) en Metro (www.metronieuws.nl) te voorzien van een pop-up venster als hiervoor in rechtsoverweging 4.40 vermeld,

5.4.

verbiedt TMG en [gedaagde 2] om publiekelijk aan [eiser] te refereren als ‘postbode van penoze’ of ‘boodschappenjongen van [naam cliënt] ’ en/of iemand die zich laat ‘misbruiken door [naam cliënt] ’,

5.5.

veroordeelt TMG en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van twee werkdagen na de datum van betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt TMG en [gedaagde 2] hoofdelijk tot vergoeding van de materiële schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van het onder 5.1. omschreven onrechtmatig handelen, nader op te maken bij staat en verwijst de zaak daartoe naar de schadestaatprocedure,

5.7.

veroordeelt TMG om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.2 en 5.3 uitgesproken veroordeling voldoet en voor elke keer dat TMG handelt in strijd met het verbod genoemd in 5.4 tot een maximum van € 250.000,00 is bereikt,

5.8.

veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan voor elke keer dat hij zou handelen in strijd met het verbod genoemd in 5.4 tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,

5.9.

veroordeelt TMG en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.110,31,

5.10.

veroordeelt TMG en [gedaagde 2] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat TMG c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.11.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 tot en met 5.10 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.12.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.B. Bakels, rechter, bijgestaan door mr. A. Vogelzang, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2018.