Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7621

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-10-2018
Datum publicatie
01-11-2018
Zaaknummer
13/751276-18
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

tussenuitspraak EAB Polen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751276-18

RK-nummer: 18/4092

Datum uitspraak: 25 oktober 2018

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 juni 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 23 november 2017 door Sąd Okręgowy W Gdansku (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres

[BRP-adres] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 oktober 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. mr. M. Diependaal.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. W.R. Jonk, advocaat te Almere en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak

moet doen met dertig dagen verlengd en vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van

artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een execution decision concerning temporary arrest van the District Court Gdansk-Poludnie in Gdansk, II Criminal Department van 21 maart 2017 (II Kp 387/17).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Polen strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Gelijkstellingsverweer

5.1

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon kan worden gelijk gesteld met een Nederlander. Ter onderbouwing van een ononderbroken periode van vijf jaar rechtmatig verblijf zijn er stukken overgelegd. Nu de opgeëiste persoon kan worden gelijk gesteld met een Nederlander is een terugkeergarantie nodig. Dat leidt tot de vraag wat deze terugkeergarantie waard is als Polen de Europese Unie zou verlaten. Daar moet een vraag over worden gesteld.

5.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de overgelegde stukken niet is gebleken dat sprake is van rechtmatig verblijf in Nederland. Daarom kan het gelijkstellingsverweer nu niet slagen. Voorts ziet de officier van justitie geen aanleiding om de vraag van de raadsman te stellen, omdat dit een hypothetische situatie betreft.

5.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank merkt op dat op basis van de thans overgelegde stukken en onderbouwing van het gelijkstellingsverweer het niet evident is dat de opgeëiste persoon, die onderdaan van een EU-lidstaat is, kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank ziet geen aanleiding om nadere vragen te stellen anders dan hieronder zijn vermeld. Het feit dat de rechtbank onderstaande vragen zal stellen, geeft de raadsman de gelegenheid om het gelijkstellingsverzoek nog nader te onderbouwen en ruim voor de volgende zitting gestructureerd (met juridische conclusies) aan te leveren.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op een strafbaar feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor dit feit.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

- het onderzoek is in Polen aangevangen;

- de Poolse rechtsorde is geschaad;

- het bewijs bevindt zich in Polen;

- de drugs waren bestemd voor de Poolse markt.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Poolse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

7 Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

7.1

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden teneinde vragen te stellen over de Poolse rechtsstaat.

7.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie deelt het standpunt van de raadsman dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden, teneinde aanvullende informatie van de Poolse justitiële autoriteit te verkrijgen met betrekking tot de Poolse rechterlijke macht.

7.3

Oordeel van de rechtbank

7.3.1

Inleiding

De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) vastgesteld dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen, alsmede dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast.

Gelet op de hiervoor genoemde vaststelling en het in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 25 juli 2018 in de zaak C-216/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:586 (hierna: het arrest) gegeven toetsingskader, moet de rechtbank vervolgens concreet en nauwkeurig beoordelen of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen.

Hiertoe dient de rechtbank in de eerste plaats te onderzoeken in hoeverre de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties in Polen betreft, gevolgen kunnen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.

Om deze vraag te kunnen beantwoorden, heeft de rechtbank behoefte aan een actueel en concreet beeld van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.

De rechtbank nodigt de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom uit tot een dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78. Om haar in staat te stellen een beslissing te nemen over de overlevering als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, verzoekt de rechtbank op grond van het tweede lid van dit artikel de uitvaardigende autoriteit om gegevens over de actuele en concrete gevolgen van de recente Poolse wetgeving voor de rechterlijke instanties die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de gezochte persoon zal worden onderworpen, als bedoeld in rechtsoverweging 74 van het arrest. De rechtbank nodigt de uitvaardigende Poolse autoriteit bovendien uit tot het verschaffen van andere gegevens die zij voor de door deze rechtbank te nemen beslissing van belang acht in het bijzonder ook gegevens waarmee kan worden aangetoond dat het gevaar voor een aantasting van het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht en daarmee zijn grondrecht op een eerlijk proces kan worden uitgesloten.

Teneinde een vruchtbare dialoog te kunnen starten heeft de rechtbank getracht om in dit stadium van die dialoog een balans te vinden tussen een zo concreet mogelijke bevraging en de praktische uitvoerbaarheid van de beantwoording van die vragen.

De rechtbank verzoekt in het kader van die dialoog in ieder geval om gegevens met betrekking tot de volgende onderwerpen:

  1. de personele wijzigingen die zich sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken hebben voorgedaan, in het bijzonder de wijzigingen met betrekking tot de (vice)voorzitters en rechters;

  2. de regels en procedures met betrekking tot de toewijzing van zaken aan kamers of rechters binnen de bevoegde rechterlijke instanties en de behandeling daarvan;

  3. de tuchtzaken of andere disciplinaire maatregelen die (vice)voorzitters en rechters van de genoemde rechterlijke instanties sindsdien hebben geraakt, bijvoorbeeld in de vorm van wijzigingen met betrekking tot de bezoldiging;

  4. de procedures die de opgeëiste persoon ter beschikking staan om schendingen van het hem toekomende recht op een onafhankelijk gerecht te kunnen aanvechten, en de waarborgen waarmee zij zijn omgeven;

  5. buitengewoon beroep.

7.3.2

Conclusie

Het vorenstaande leidt er toe dat de rechtbank de officier van justitie verzoekt om de

navolgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.

I. Welke rechterlijke instanties bevoegd?

Welke rechterlijke instanties zijn concreet bevoegd voor de procedures waaraan deze opgeëiste persoon zal worden onderworpen?

II. Gegevens ten aanzien van deze rechterlijke instanties

Voor ieder van de hiervoor bedoelde rechterlijke instanties:

A. Wijzigingen personele bezetting

  1. Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken (vice)voorzitters en rechters ontslagen? Zo ja, op welke datum is het ontslag aangezegd en wat is de grond die hiervoor is gegeven?

  2. Zijn er (vice)voorzitters en rechters gepensioneerd als gevolg van de gewijzigde pensioenleeftijd? Zo ja, hoe veel, afgezet tegen het aantal rechters en (vice)voorzitters binnen de rechterlijke instantie?

  3. Is het voorgekomen dat het mandaat van deze (vice)voorzitters en rechters na het bereiken van de pensioenleeftijd is verlengd?

  4. Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wet inzake de Nationale School voor de rechterlijke macht assistent-rechters benoemd en zo ja, behandelen zij strafzaken en zo ja, als unus of binnen een rechterlijke college?

B. Toewijzing en behandeling van zaken

  1. Hebben er wijzigingen plaatsgevonden inzake de regels en procedures voor de toewijzing van strafzaken als die tegen de opgeëiste persoon sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken?

  2. Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken wijzigingen geweest in de eventuele regels inzake de behandeling dan wel bestraffing van zaken met betrekking tot de feiten waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd?

C. Tuchtzaken of andere (disciplinaire) maatregelen

  1. Zijn er sinds voormelde wetswijzigingen tuchtzaken tegen rechters en/of (vice)voorzitters geweest? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding en wat was de uitkomst?

  2. Hebben er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken wijzigingen plaatsgevonden in de bezoldiging van (vice)voorzitters en rechters? Zo ja, wat was hiervoor de reden?

  3. Zijn er andere maatregelen betreffende (vice)voorzitters genomen, zoals het
    verstrekken van ‘written remarks’ door de Minister van Justitie? Zo ja, wat was
    hiervoor de aanleiding?

D. Procedures ter bescherming van het recht op een onafhankelijk gerecht

  1. Welke rechtsmiddelen en verweren staan de opgeëiste persoon ter beschikking indien hij twijfelt aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter die hem berecht? Staan deze middelen en verweren reeds tijdens de procedure tot zijn beschikking? Tot welke rechtsgevolgen kunnen deze middelen en verweren leiden? Welke autoriteit(en) ne(e)m(t)en ter zake de beslissing?

  2. In hoeverre is van dit rechtsmiddel gebruik gemaakt in strafzaken als die tegen de opgeëiste persoon sinds de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving en zo ja, hoe veel van dergelijke verzoeken zijn in die gevallen gegrond verklaard?

E. Buitengewoon beroep

1. Is er in strafzaken al gebruik gemaakt van de mogelijkheid van de procedure van ‘buitengewoon beroep’ bij het Hooggerechtshof?
Zo ja, op welke grond en met welke uitkomst?

Deze vragen dienen door tussenkomst van het Openbaar Ministerie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te worden voorgelegd en binnen vier weken na de uitspraak te worden beantwoord.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot de volgende beslissing.

8 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd;

VERZOEKT de officier van justitie de onder 7.3.2 weergegeven vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen;

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman;

BEVEELT de oproeping van een tolk Pools tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. R.A.J. Hübel, voorzitter,

mrs. M.T.C. de Vries en V.V. Essenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 25 oktober 2018.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.