Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7620

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-10-2018
Datum publicatie
30-10-2018
Zaaknummer
13/751423-18
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

EAB Polen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751423-18 (EAB II)

RK nummer: 18/3711

Datum uitspraak: 25 oktober 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 mei 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 1 april 2014 door Sąd Okręgowy w Tarnowie (Regional Court in Tarnów), Polen, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989,

wonend op het adres [BRP-adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 oktober 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat te Zoetermeer en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak

moet doen met dertig dagen verlengd en vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van

artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een enforceable judgement van the District Court in Tarnów van 20 mei 2009, final as of 23 June 2009 (VIIK 1977/08).

Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 5 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De raadsman heeft betoogd dat het feit waarvoor overlevering wordt verzocht niet dubbel strafbaar is, omdat op dat feit naar Nederlands recht geen gevangenisstraf van minimaal

12 maanden staat.

De rechtbank verwerpt dit verweer en stelt vast dat is voldaan aan de eisen van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, sub 2, OLW.

Sinds het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Atmani van
25 september 20151, legt de rechtbank artikel 7 OLW kaderbesluitconform uit.2

Dit leidt ertoe dat als sprake is van niet-lijstfeiten in geval van executieoverlevering aan de volgende twee voorwaarden moet zijn voldaan:

1) in de uitvaardigende lidstaat moet een vrijheidssanctie van ten minste vier maanden zijn opgelegd en

2) het feit moet in Nederland strafbaar zijn.

Aan deze beide voorwaarden is in dit geval voldaan zodat overlevering kan worden toegestaan. Het verweer wordt daarom verworpen.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.

5 Gelijkstellingsverweer

5.1

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander. Ter onderbouwing hiervan zijn stukken overgelegd. De opgeëiste persoon woont al negen jaar in Nederland en heeft altijd beschikking gehad over financiële middelen. Na zijn aankomst in Nederland heeft hij veel werkzaamheden verricht die niet zijn geregistreerd. De betaling voor deze werkzaamheden volgt uit de contante stortingen in de jaren 2011, 2012 en 2013 totdat hij voor het uitzendbureau ging werken. Tot en met augustus 2015 heeft hij inkomsten uit loondienst ontvangen en daarna van zijn eigen bedrijf. Daarnaast zijn er bankafschriften van de partner van de opgeëiste persoon, [naam] , en een huurovereenkomst op haar naam. De opgeëiste persoon kan zich niet inschrijven, maar hij woont samen met haar en zij voeren een gezamenlijk huishouden. Om die reden is sprake van fiscaal partnerschap. Er is dus sprake van een onafgebroken rechtmatig verblijf van vijf jaren. Nu de opgeëiste persoon kan worden gelijk gesteld met een Nederlander dient de zaak te worden geschorst in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Popławski II, aldus de raadsman.

5.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijk gesteld met een Nederlander. De opgeëiste persoon heeft zijn stelling dat hij gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven en gewerkt immers niet met stukken onderbouwd.

5.3

Oordeel van de rechtbank

De opgeëiste persoon die onderdaan van een EU-lidstaat is en die niet beschikt over een document waaruit blijkt dat hij duurzaam verblijfsrecht in Nederland heeft als Unieburger, moet volgens vaste rechtspraak van deze rechtbank aantonen dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven om ingevolge artikel 6, vijfde lid, OLW voor een gelijkstelling met een Nederlander in aanmerking te kunnen komen.

In de onderhavige situatie geldt dat de opgeëiste persoon niet ingeschreven is geweest in de Basisregistratie Persoonsgegevens en dat hij niet met stukken heeft aangetoond dat hij minimaal vijf jaar in bedoelde zin in Nederland heeft verbleven.

Op de bankrekeningafschriften van de opgeëiste persoon is te zien dat hij meerdere grote geldbedragen op zijn rekening heeft gestort. Volgens de raadsman zien deze stortingen op inkomsten die de opgeëiste persoon heeft ontvangen. De rechtbank overweegt dat aan de contante stortingen echter geen waarde kan worden gehecht nu niet kan worden achterhaald wat de bron van al deze stortingen is geweest en dus niet kan worden vastgesteld dat de stortingen het gevolg waren van legaal verrichte werkzaamheden.

Uit de ‘verklaringen geregistreerd inkomen’ blijkt dat de opgeëiste persoon voldoende inkomen heeft gehad in 2013 en 2014 om als werknemer te kunnen worden aangemerkt. Dit geldt niet ten aanzien van zijn inkomen in 2015. Uit de overige stukken is evenmin gebleken dat de opgeëiste persoon in het jaar 2015 voldoende inkomsten uit arbeid heeft gegeneerd. Tevens kan niet worden vastgesteld dat [naam] een ‘familielid’ in de zin van de Verblijfsrichtlijn is van de opgeëiste persoon. Om deze reden kan haar inkomen niet worden meegenomen..

Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve geen sprake van een ononderbroken rechtmatig verblijf gedurende vijf jaren en de opgeëiste persoon kan niet worden gelijk gesteld met een Nederlander. De behandeling van de zaak hoeft daarom niet te worden geschorst in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen in voornoemde zaak.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 8 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Sąd Okręgowy w Tarnowie (Regional Court in Tarnów) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. R.A.J. Hübel, voorzitter,

mrs. M.T.C. de Vries en V.V. Essenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 25 oktober 2018.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 ECLI:EU:C:2015:634

2 Rechtbank Amsterdam, 30 oktober 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:7460