Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7612

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-10-2018
Datum publicatie
27-10-2018
Zaaknummer
AMS 18/6184 en 18/6297
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

afwijzing vovo bezwaar intrekking bijstandsuitkering

verzoeker is gehuwd, geen sprake van duurzaam gescheiden leven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 18/6184 (intrekking) en AMS 18/6297 (terugvordering)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 oktober 2018 in de zaak tussen

[verzoeker] , te Amsterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Ettalhaoui),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J. Telting).

Partijen worden hierna aangeduid als ‘[verzoeker]’ en ‘de gemeente’.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2018 (het primaire besluit I) heeft de gemeente de bijstandsuitkering van [verzoeker] met ingang van 13 maart 2018 ingetrokken.

Bij besluit van 2 oktober 2018 (het primaire besluit II) heeft de gemeente een bedrag van

€ 4.031,62 aan te veel ontvangen bijstand van [verzoeker] teruggevorderd.

[verzoeker] heeft tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2018. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De gemeente is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De primaire besluiten

1.1

Bij primair besluit I heeft de gemeente de bijstandsuitkering van [verzoeker] ingetrokken met ingang van 13 maart 2018, omdat [verzoeker] op die datum met [naam] is gehuwd. Tussen gehuwden bestaat een zorgplicht jegens elkaar. Er is geen sprake van duurzaam gescheiden leven en een intentie tot scheiding. Daarom komt [verzoeker] niet langer in aanmerking voor een bijstandsuitkering naar de norm van alleenstaande. [verzoeker] en zijn echtgenote kunnen samen in de kosten van levensonderhoud voorzien. [naam] ontvangt een ww-uitkering die hoger ligt dan de bijstandsnorm voor gehuwden, dus bestaat er geen recht op bijstand.

1.2

Bij primair besluit II vordert de gemeente van [verzoeker] een bedrag van € 4.031,62 aan te veel ontvangen bijstand tussen 13 maart 2018 en 30 september 2018 terug.

Standpunt [verzoeker]

2. Op 10 oktober 2018 heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het spoedeisend belang is er voor [verzoeker] in gelegen dat hij sinds 1 september 2018 niet meer werkt als koerier en dus geen inkomen heeft en ook niet over vermogen beschikt. Daarnaast is er wel degelijk sprake van duurzaam gescheiden leven en dit is ook bestendig. [naam] woont in Bussum en [verzoeker] in Amsterdam. Zij willen wel samen (gaan) wonen, maar dat mag pas van de (schoon)familie als er een islamitisch huwelijksfeest heeft plaatsgevonden. [verzoeker] heeft daar op dit moment de financiële middelen niet voor. De gemeente moet zich bewust zijn van deze culturele factoren en die in het voordeel van [verzoeker] laten meewegen.

Wat toetst de voorzieningenrechter?

3. De voorzieningenrechter gaat na of er een voorlopige voorziening moet worden getroffen omdat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. Zij moet daarbij een afweging maken tussen aan de ene kant het belang van [verzoeker] dat zo snel mogelijk een voorziening wordt getroffen en aan de andere kant het belang van de gemeente bij de onmiddellijke uitvoering van het besluit. Als algemeen uitgangspunt geldt dat er geen reden is een voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter het besluit rechtmatig acht. Dit staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beoordeling voorzieningenrechter intrekking (AMS 18/6184)

4.1

De voorzieningenrechter stelt vast dat in geschil is de vraag of [verzoeker] en zijn echtgenote al dan niet duurzaam gescheiden leven in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet (Pw). Op grond van dat artikel wordt immers als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

4.2

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep1 is sprake van duurzaam gescheiden leven indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één van hen gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden van het geval. In het algemeen kan worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk de betrokken partners de intentie hebben een echtelijke samenleving - al dan niet op termijn - aan te gaan. Het is niet uitgesloten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt.

4.3

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. [verzoeker] en zijn echtgenote hebben immers de intentie om op termijn te gaan samenwonen. Hoewel er op dit moment blijkbaar praktische (waaronder financiële) bezwaren zijn om een echtelijke samenleving aan te gaan, is de voorzieningenrechter van oordeel dat vanwege de hiervoor genoemde intentie, [verzoeker] niet duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote. Zoals de Centrale Raad van Beroep ook eerder heeft overwogen2 kan echtelijke samenleving ook bestaan zonder dat van samenwonen sprake is.

4.4

Uit de verklaring die [verzoeker] op de zitting en tijdens zijn gesprek met de gemeente op 19 september 2018 heeft afgelegd, blijkt ook niet de intentie van hem en zijn echtgenote dat ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig is bedoeld. Dat culturele factoren een rol spelen bij de huidige situatie van [verzoeker] en zijn echtgenote, doet niet af aan het feit dat zij de intentie hebben om op termijn te gaan samenwonen. Van bestendig duurzaam gescheiden leven is dan ook geen sprake.

4.5

Gelet op het voorgaande heeft de gemeente [verzoeker] terecht met ingang van

13 maart 2018 aangemerkt als gehuwd. Omdat [verzoeker] vanaf die datum niet meer als alleenstaande aangemerkt kan worden, heeft de gemeente zijn uitkering met ingang van die datum kunnen intrekken. Het primaire besluit I zal naar verwachting stand houden in bezwaar. Daarom bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Beoordeling voorzieningenrechter terugvordering (AMS 18/6297)

5. Met betrekking tot het primaire besluit II overweegt de voorzieningenrechter dat [verzoeker] op dit moment geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. De gemeente heeft op 8 oktober 2018, dus voordat [verzoeker] bezwaar heeft gemaakt en om een voorlopige voorziening heeft verzocht, per brief aan [verzoeker] laten weten dat aan hem uitstel van betaling van de terugvordering wordt verleend tot

1 februari 2019. Om die reden wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat in beide zaken geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Vreede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 zie onder meer de uitspraken van 12 mei 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1487), 21 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2400) en de uitspraak van 13 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2067).

2 uitspraak van 9 oktober 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX9932).