Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7555

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2018
Datum publicatie
01-11-2018
Zaaknummer
13/701874-17 (A) en 13/706071-18 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft meerdere malen zijn echtgenote mishandeld, omdat hij, door excessief cocaïnegebruik, ervan overtuigd was dat zij hem bedroog met een andere man. Bekennende verdachte. Zwaardere straf opgelegd dan geëist door OM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/701874-17 (A) en 13/706071-18 (B) (Promis)

Datum uitspraak: 23 maart 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1974,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] ,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [detentieplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 maart 2018.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. K.F.E. den Hartog en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A.D. Kloosterman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlasteleggingen

Aan verdachte is na wijziging op de eerdere terechtzitting van 8 augustus 2017 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

Zaak A

1. het mishandelen van zijn echtgenote [slachtoffer] op 26 mei 2017;

2. het mishandelen van zijn echtgenote [slachtoffer] op 19 mei 2017;

3. het bedreigen van [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of gezinsleden van [persoon 2] in of omstreeks de periode van 24 tot en met 26 mei 2017;

4. het wegrijden na betrokkenheid bij een verkeersongeval op 30 mei 2017;

5. het mishandelen van [persoon 3] op 10 maart 2017.

Zaak B

1. het mishandelen van [slachtoffer] op 20 november 2017;

2. het voorhanden hebben van een Roemeens rijbewijs waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het vals of vervalst was op 20 november 2017.

De integrale tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlagen 1 en 2.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Hoewel verdachte feit 3 niet heeft bekend, kan het feit op basis van de verklaringen van [persoon 1] , [slachtoffer] , [persoon 2] en [persoon 4] bewezen worden verklaard.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak van feit 3 bepleit. Het ten laste gelegde is door verdachte ontkend en wordt onvoldoende ondersteund door bewijsmiddelen uit het dossier anders dan de aangiften.

De raadsman heeft zich wat betreft de overige feiten, gezien de bekennende verklaring van verdachte, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Ten aanzien van zaak A onder 3

Verdachte ontkent de in zaak A onder 3 ten laste gelegde bedreigingen. Anders dan de raadsman heeft bepleit, acht de rechtbank de bedreiging van [persoon 1] wel bewezen. [persoon 1] heeft in haar aangifte verklaard dat verdachte schreeuwde “Je bent een hoer. Ik steek je huis in de fik als jullie nu de deur niet open doen. Ik maak jullie dood. Jullie hebben mijn andere gezicht nog niet gezien.”. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van [slachtoffer] . Zij heeft namelijk verklaard dat verdachte riep “Ik ga jullie en dit huis in de fik steken.”.

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, de bedreigingen van [persoon 2] en/of zijn gezinsleden niet bewezen, nu de aangifte van [persoon 2] onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen uit het dossier.

3.3.2.

Ten aanzien van de andere ten laste gelegde feiten

Verdachte heeft de mishandelingen van zijn echtgenote en [persoon 3] bekend. Ook heeft hij bekend dat hij is doorgereden nadat hij betrokken was bij een verkeersongeval en dat hij een vals Roemeens rijbewijs voorhanden heeft gehad. Deze bekentenissen vinden steun in andere bewijsmiddelen in het dossier, opgenomen in bijlage 3, waardoor de rechtbank deze feiten bewezen acht.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Zaak A

1. op 26 mei 2017 te Amsterdam zijn echtgenote, [slachtoffer] , heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het meermalen met kracht stompen op het gezicht van voornoemde [slachtoffer] ;

2. op 19 mei 2017 te Amsterdam zijn echtgenote, [slachtoffer] , heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het meermalen stompen op het gezicht van voornoemde [slachtoffer] ;

3. op 25 mei 2017 te Amsterdam [persoon 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [persoon 1] dreigend de woorden toe te voegen "Ik steek het huis in de fik als jullie nu de deur niet voor mij open doen, ik maak jullie dood";

4. als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Amsterdam op de Amstelkade, op 30 mei 2017 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [persoon 5] ) schade was toegebracht;

5. op 10 maart 2017 te Amsterdam, [persoon 3] heeft mishandeld door voornoemde [persoon 3] op het gezicht te stompen en op een been te trappen.

Zaak B

1. op 20 november 2017 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het meermalen met kracht stompen tegen het gezicht van voornoemde [slachtoffer] ;

2. op 20 november 2017 te Amsterdam in het bezit was van een Roemeens rijbewijs, waarvan verdachte wist dat het vals was, bestaande die valsheid hierin dat het voornoemde rijbewijs was voorzien van een goedgelijkende foto en persoonsgegevens van hem, verdachte, terwijl de achtergrondbedrukking middels printtechniek was aangebracht (namelijk middels een inkjet printer).

Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten stonden, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 1 (één) maand voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om een deels voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen en hem op grond van artikel 67a lid 3 Sv onmiddellijk in vrijheid te stellen. Voor zover dat niet gevolgd wordt, heeft de raadsman verzocht het meerdere in voorwaardelijke vorm aan verdachte op te leggen.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft meerdere malen zijn echtgenote mishandeld, omdat hij, door excessief cocaïnegebruik, ervan overtuigd was dat zij hem bedroog met een andere man. Het huiselijk geweld vond voornamelijk plaats in de gezamenlijke woning van verdachte en zijn echtgenote, terwijl zij zich juist in haar eigen woning veilig zou moeten kunnen voelen. Verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Slachtoffers van huiselijk geweld hebben vaak nog lang last van gevoelens van angst en onveiligheid. Verdachte heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan een bedreiging van zijn schoonzus en een mishandeling.

Verder had verdachte een vals rijbewijs voorhanden. Dergelijke valse documenten tasten het vertrouwen aan dat mag worden gesteld in documenten die door de overheid worden uitgegeven. Ook heeft verdachte de plaats van een door hem veroorzaakt verkeersongeval verlaten.

Strafverzwarend is dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 13 februari 2018 - eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten en tijdens beide schorsingen van zijn voorlopige hechtenis nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Die eerdere veroordelingen en die schorsingen hebben verdachte er blijkbaar niet van weerhouden opnieuw soortgelijk strafbare feiten te plegen. Dat baart de rechtbank zorgen. De rechtbank weegt anderzijds mee in haar oordeel dat verdachte ter terechtzitting openheid van zaken gegeven en spijt heeft betuigd, waarbij hij heeft gezegd dat hij zich heel erg schaamt voor zijn gedrag.

Uit het reclasseringsrapport van 24 juli 2017 volgt onder andere dat bij verdachte sprake is van extreem middelengebruik. Door dat middelengebruik, het daarmee samenhangend slaaptekort en de fysieke achteruitgang werd hij argwanend en ontremd in zijn gedrag en reacties, wat uiteindelijk heeft geleid tot de gepleegde geweldsfeiten en bedreiging. De rechtbank neemt de conclusies uit het reclasseringsrapport over en acht het, met de reclassering, van groot belang dat verdachte hulp krijgt bij zijn problematiek.

Alles afwegende vindt de rechtbank een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met als bijzondere voorwaarden onder meer een meldplicht en een behandelverplichting passend en geboden. Die straf is zwaarder dan de eis van de officier van justitie, enerzijds gelet op de ernst van de feiten en anderzijds omdat de rechtbank een flinke stok achter de deur voor verdachte nodig acht om hem te helpen niet weer terug te vallen in zijn middelengebruik en daarmee samenhangend gedrag.

8 Vordering van de benadeelde partij (feit 5)

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [persoon 3] . De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering van de gronden waarop deze berust. Gevorderd wordt € 300,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, voor de schade die is toegebracht voor het in zaak A onder 5 ten laste gelegde feit.

8.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd de immateriële schadevergoeding volledig toe te wijzen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. Verdachte heeft zijn excuses aangeboden. De angst richting hem zal dan ook niet meer zo groot zijn als omschreven in de vordering. Bovendien heeft de benadeelde partij ook gescholden en moet daarom rekening worden gehouden met de eigen schuld ex artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek (BW). Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht de immateriële schade zeer te matigen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist met een beroep op eigen schuld van de benadeelde. De rechtbank verwerpt het beroep op artikel 6:101 BW, nu niet aannemelijk is geworden dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend.

Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 200,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank zal aan verdachte ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Verdachte is tegenover de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die het strafbare feit heeft toegebracht. Verder is het belang van de benadeelde partij ermee gediend dat zij niet zelf met het innen van de toegewezen schadevergoeding wordt belast.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 231, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het onder zaak A onder 1 en 2 en het onder zaak B onder 1 bewezen verklaarde levert op: mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot, meermalen gepleegd.

Het onder zaak A onder 3 bewezen verklaarde levert op: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder zaak A onder 4 bewezen verklaarde levert op: overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder zaak A onder 5 bewezen verklaarde levert op: mishandeling.

Het onder zaak B onder 2 bewezen verklaarde levert op: een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals of vervalst is.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat verdachte

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de verdachte gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

1. Meldplicht

zich binnen vijf dagen volgend op het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij Reclassering Inforsa (telefoonnummer: [nummer] , adres: [adres 2] ). Hierna moet verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

2. Behandelverplichting - Ambulante en klinische behandeling

zich laat behandelen voor zijn middelengebruik en delictgedrag bij Forensisch Ambulante Zorg Inforsa of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. De reclassering acht het daarbij van belang dat een kortdurende klinische opname ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek kan plaatsvinden binnen een ambulant behandeltraject. Verdachte wordt verplicht tot een korte klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken, tenzij de reclassering dit niet noodzakelijk acht, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die opname door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

3. Andere voorwaarden het gedrag betreffende

meewerkt aan schuldhulpverlening zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 3] , wonende op het adres [adres 3] , toe tot € 200,- (tweehonderd euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 3] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 3] , € 200,- (tweehonderd euro) bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 4 (vier) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.A. Brunner, voorzitter,

mrs. C.M. Degenaar en J.M.L.I. van Hommerich, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.J.M. van der Hooft, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 maart 2018.