Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:754

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
C/13/614261 / FA RK 16-5893
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding, hoofdverblijf kinderen bij de man, afwijzing vervangende toestemming verhuizing kinderen, geen noodzaak tot verhuizing vrouw. Huwelijksgoederenrecht, huwelijksvoorwaarden, finaal en periodiek verrekenbeding, naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat het finaal verrekenbeding onverkort wordt toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2018/114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/614261 / FA RK 16-5893 en C/13/625483 / FA RK 17/1620

Beschikking van 14 februari 2018 betreffende echtscheiding en nevenvoorzieningen

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende tevens verwerende partij,

hierna mede te noemen de man,

advocaat mr. M.A. Weenink te Amsterdam

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna mede te noemen de vrouw,

advocaat mr. C.M. Lattmann-van der Heijde te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Bij beschikking van 14 juni 2017 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de beslissing op de nevenvoorzieningen aangehouden. De inhoud van de beschikking van 14 juni 2017 wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de nadien ingekomen stukken waaronder:

  • -

    het faxbericht d.d. 3 december 2017 van de zijde van de man;

  • -

    de brief d.d. 4 december 2017 met bijlagen van de zijde van de vrouw;

  • -

    het faxbericht d.d. 5 januari 2018 van de zijde van de man.

2 De verdere beoordeling

Ten aanzien van de kinderen

2.1.

De hoofdverblijfplaats

2.1.1.

Ieder van partijen verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem of haar te bepalen.

2.1.2.

Partijen hebben sinds 2003 samengewoond in [woonplaats] en [woonplaats] . Sinds medio 2015 verblijft de vrouw in haar geboorteplaats [geboorteplaats] en sinds 1 oktober 2016 is zij daar ook ingeschreven. De kinderen verblijven sindsdien het merendeel van de tijd bij de man in de voormalige echtelijke woning. Tot medio februari 2016 was de zorg min of meer gelijk verdeeld, de vrouw verbleef ook dagen in de voormalige echtelijke woning. Vanaf februari 2016 gold er een proefregeling, waarbij de man doordeweeks de volledige zorg voor de kinderen op zich nam en de kinderen twee van de drie weekenden bij de vrouw verbleven. Toen deze regeling afliep zijn er voorlopige voorzieningen gevraagd, waarbij de rechtbank de kinderen voor de duur van de procedure aan de man heeft toevertrouwd.

2.1.3.

Bij de beoordeling van de vraag welke hoofdverblijfplaats het meest in het belang is van de kinderen, dient in ogenschouw genomen te worden dat het bepalen van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw, er toe zal leiden dat de kinderen verhuizen van [woonplaats] naar [woonplaats] en daarbij (onder andere) naar een andere school moeten gaan. In dat kader wordt door de vrouw op goede gronden aangesloten bij de criteria die in de jurisprudentie gehanteerd worden in kwesties waarbij vervangende toestemming voor een verhuizing met minderjarige kinderen aan de rechter wordt verzocht. De criteria die een rol spelen bij de beoordeling van een verzoek tot vervangende toestemming zijn

  • -

    het recht en belang van de vrouw om te verhuizen en haar leven opnieuw in te richten,

  • -

    de noodzaak om te verhuizen,

  • -

    de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid,

  • -

    de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing van de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren,

  • -

    de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg, de rechten van de andere ouder en de minderjarige op het contact met elkaar in een vertrouwde omgeving,

  • -

    de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg,

  • -

    de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing,

  • -

    de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen,

  • -

    de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

2.1.4.

Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank als volgt. In beginsel heeft de vrouw het recht om haar leven opnieuw in te richten en om te verhuizen. De vrijheid van de vrouw om met de kinderen ergens anders te gaan wonen, is echter niet onbegrensd en dient te worden afgezet tegen de belangen van de kinderen en de man. Hierbij geldt als uitgangspunt dat slechts een zwaarwegend belang van de vrouw een schending van de belangen van de kinderen of die van de man zal kunnen rechtvaardigen. De vrouw heeft in eerste instantie gesteld dat heimwee haar verhuizing noodzakelijk heeft gemaakt. Ter zitting en in de nadien ingediende stukken heeft zij gesteld dat zij, wegens het ontbreken van passende woonruimte in de [regio 1] , geen andere mogelijkheid had dan terug te keren naar haar geboorteplaats. Zij voert daartoe onder andere aan dat het onmogelijk is om voor de huur die zij thans betaalt een woning te vinden in de [regio 1] . Hoewel de rechtbank de vrouw volgt in haar stelling dat wonen in de [regio 1] duurder is dan in [woonplaats] , is de rechtbank van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat een verhuizing naar [woonplaats] voor haar noodzakelijk en de enige mogelijkheid was, temeer nu de financiële situatie van partijen zodanig is dat er mogelijkheden zijn om meer aan huur uit te geven dan de vrouw thans doet. Het is partijen van meet af aan duidelijk geweest dat de vrouw uit hoofde van de vermogensrechtelijke afwikkeling in ieder geval een zeker geldbedrag zal ontvangen. Daarbij komt dat de vrouw er, blijkens het schrijven van haar advocaat d.d. 4 december 2017, vanuit gaat dat de reden dat zij wordt afgewezen voor banen in [regio 1] gelegen is in het feit dat zij niet kan aangeven wanneer zij in of om [woonplaats] komt wonen; het vinden van werk is op zichzelf niet onmogelijk. Als de vrouw in [woonplaats] gaat werken, gaat de rechtbank er vanuit dat het voor haar mogelijk moet zijn een hoger inkomen te verwerven dan haar huidige inkomen.

2.1.5.

Vooropgesteld wordt dat naar het oordeel van de rechtbank beide ouders in gelijke mate geschikt geacht moeten worden de zorg voor hun kinderen op zich te nemen. De vrouw heeft door naar [woonplaats] te verhuizen het echter onmogelijk gemaakt om tot een evenwichtige verdeling van de zorgtaken te komen, waarbij recht gedaan wordt aan de wens van beide ouders om een substantiële rol te spelen in de verzorging en opvoeding van hun zonen. Door haar verhuizing naar [woonplaats] en haar wens de hoofdverblijfplaats van de kinderen eveneens in [woonplaats] te vestigen, heeft de vrouw het belang van de vaderrol van de man onvoldoende onderkend. Vast staat dat de vrouw meer dan de man in staat is de kinderen zelf op te vangen, in die zin dat zij minder kinderopvang nodig zal hebben dan de man. Die enkele omstandigheid is echter onvoldoende om aan te nemen dat het thans in het belang van de kinderen is om ook naar [woonplaats] te verhuizen. De man neemt sinds ongeveer twee jaar het grootste gedeelte van de zorg voor de kinderen voor zijn rekening, al dan niet met hulp van derden. Niet is gebleken dat de kinderen hier onder te lijden hebben gehad, anders dan dat zij moeten wennen aan de nieuwe situatie en geconfronteerd worden met de strijd tussen hun ouders. De kinderen bevinden zich in een veilige en stabiele opvoedingssituatie, met dien verstande dat een evenwichtige verdeling van de zorgtaken tussen beide ouders op grond van de afstand thans niet optimaal is. Dit levert echter geen noodzaak op voor kinderen om te verhuizen, nu dat probleem zich omgekeerd ook zal voordoen als de kinderen in [woonplaats] wonen.

2.1.6.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door de vrouw gestelde noodzaak tot verhuizen zowel voor haar als voor de kinderen onvoldoende is vast komen te staan. Dit criterium is dermate zwaarwegend dat de rechtbank aan de beoordeling van de overige criteria niet toekomt. In het belang van [kind 1] en [kind 2] wordt hun hoofdverblijf bij de man bepaald.

2.2.

De zorgregeling

2.2.1.

De man verzoekt een contactregeling tussen de kinderen en de vrouw vast te stellen waarbij de kinderen bij de vrouw verblijven:

o om het weekend van vrijdag na schooltijd (dan wel 12:00 uur, de vrouw haalt hen op) tot de daarop volgende zondagmiddag tussen 17:00 uur en 19:00 uur (de man haalt hen op);

o in twee van de drie jaren (vanaf 2017) een week van de voorjaarsvakantie van de kinderen;

o in de oneven jaren: in de eerste week van de meivakantie van de kinderen (onder welke vakanties worden begrepen een eventuele extra vakantieweek in juni);

o in de even jaren: in de tweede week van de meivakantie van de kinderen (onder welke vakanties worden begrepen een eventuele extra vakantieweek in juni);

o in de even jaren: gedurende de eerste drie weken van de zomervakantie van de kinderen;

o in de oneven jaren: gedurende de laatste drie weken van de zomervakantie van de kinderen;

o in twee van de drie jaren (vanaf 2017) gedurende de herfstvakantie van de kinderen;

o in de even jaren: gedurende de eerste week van de kerstvakantie van de kinderen;

o in de oneven jaren: gedurende de tweede week van de kerstvakantie van de kinderen;

o in het weekend waarin Moederdag valt, met dien verstande dat de kinderen bij de vader verblijven in het weekend waarin Vaderdag valt (tenzij de betreffende dag valt in een vakantieweek van de andere ouder en die ouder gedurende die week met de kinderen op vakantie wil);

althans een andere regeling vast te stellen die de rechtbank juist acht.

2.2.2.

De vrouw heeft verzocht een zorgregeling vast te stellen tussen de man en de kinderen, er vanuit gaande dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar zou worden bepaald. Zij verzoekt een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen bij de man verblijven;

o gedurende twee van de drie weekenden van vrijdag na school tot zondag omstreeks 17:00/18:00 uur, waarbij de man de kinderen uit school haalt en de vrouw de kinderen bij de man haalt;

o in de zomervakantie in de oneven jaren de eerste drie weken en in de even jaren de laatste drie weken:

o de herfstvakantie of de voorjaarsvakantie;

o in de kerstvakantie in de oneven jaren de eerste week en in de even jaren de tweede week;

o in de meivakantie in de oneven jaren in de eerste week en in de even jaren in de tweede week;

o op Vaderdag, waarbij de kinderen op Moederdag bij de moeder verblijven;

De rechtbank verstaat haar verzoek aldus dat zij een gelijke regeling verzoekt tussen haar en de kinderen nu de hoofdverblijfplaats bij de man zal worden bepaald.

2.2.3.

Op dit moment zijn de kinderen twee van de drie weekenden bij de vrouw. De man heeft verzocht dit te wijzigen, in die zin dat de kinderen om het weekend bij de vrouw verblijven omdat hij zelf in het weekend ook meer tijd met de kinderen wenst door te brengen.

2.2.4.

Nu de hoofdverblijfplaats van de kinderen bepaald zal worden bij de man en er daarmee duidelijkheid voor de toekomst is ontstaan, volgt de rechtbank de man in zijn stelling dat het belangrijk is dat de kinderen ook meer vrije tijd met hem doorbrengen. Het verzoek te bepalen dat de kinderen om de week het weekend bij hem en bij de vrouw verblijven, zal derhalve worden toegewezen. Nu er geen verweer is gevoerd op de door de man verzochte tijden en haal-en-breng-regeling, zal de rechtbank in gelijke zin beslissen.

2.2.5.

De door de vrouw verzochte verdeling van de vakanties, komt neer op een gelijke vakantietijd bij ieder van de ouders. Nu de weekenden om en om bij de vader en moeder worden doorgebracht, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de kinderen meer tijd bij de vrouw doorbrengen tijdens de vakanties. Het verzoek van de man zal derhalve worden toegewezen, waarbij wordt opgemerkt dat de rechtbank er vanuit gaat dat de man zijn toezegging gestand doet dat de kinderen in overleg meer tijd met de vrouw kunnen doorbrengen.

3 Ten aanzien van de vermogensrechtelijke afwikkeling

Verrekening

3.1.

Op 18 oktober 2007 hebben partijen huwelijkse voorwaarden laten opmaken, voor zover van belang inhoudende:

1. Begripsbepaling

a. Inkomen

Met inkomen wordt in deze huwelijkse voorwaarden bedoeld wat daar in het maatschappelijk verkeer onder wordt verstaan, voor aftrek van belastingen en sociale lasten.

Partijen nemen alleen de inkomsten uit werk en onderneming in aanmerking en niet de inkomsten uit vermogen.

Met inkomsten uit onderneming wordt de winst uit onderneming bedoeld. Bij het vaststellen van deze winst uit onderneming moet rekening gehouden worden met het bepaalde in artikel 8 van deze huwelijkse voorwaarden.

Onder inkomen wordt door partijen onder andere verstaan:

- inkomsten uit werk;

- inkomsten ter vervanging van inkomsten uit werk, zoals arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, werkloosheidsuitkeringen en bijstandsuitkeringen;

- inkomsten uit onderneming;

- pensioenuitkeringen.

(…)

2. Uitsluiting gemeenschap van goederen

De echtgenoten zijn gehuwd buiten elke gemeenschap van goederen.

(…)

4. Jaarlijkse verrekening

1. Aan het einde van elk jaar delen de echtgenoten bij helfte wat van ieders inkomens over dat jaar onverteerd is gebleven.

Voor zover inkomsten waarop een uitsluitingsclausule van toepassing is, niet zijn besteed als kosten van de huishouding, blijven deze bij de verrekening buiten beschouwing.

2. Over de periode waarin de echtgenoten, anders dan in onderling overleg, duurzaam gescheiden hebben geleefd, kan geen verrekening worden gevorderd.

3. Voor zover verrekening niet is uitgevoerd, blijft de verrekeningsvordering in stand. De verrekening heeft uitsluitend betrekking op de onverteerd gebleven inkomsten overeenkomstig lid 1 van dit artikel. Waardeveranderingen ontstaan door belegging van gespaard inkomen blijven buiten beschouwing. Het recht op verrekening vervalt drie jaar na het einde van het huwelijk.

4. (…)

5. De verrekening blijft ook achterwege als het inkomen van een of beide echtgenoten in dat kalenderjaar negatief was.

(…)

6. Finale verrekening bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed

  1. Bij echtscheiding, scheiding van tafel en bed of bij omzetting van het huwelijk in een geregistreerd partnerschap en het beëindigen van dat geregistreerd partnerschap, wordt verrekend alsof tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan, met inachtneming van het volgende.

  2. Het vermogen van ieder van de echtgenoten bestaat uit het saldo van zijn bezittingen en schulden. Aanspraken op al of niet ingegaan pensioen worden niet in deze verrekening betrokken.

De vaststelling van de beide vermogens en de bepaling van de waarde daarvan zullen plaatsvinden in onderling overleg of bij gebreke daarvan door een of meer deskundigen als door de aard van de goederen wordt vereist, dit ter beoordeling van de bevoegde kantonrechter.

Het onderling overleg wordt als gestaakt beschouwd als niet binnen twee maanden na dagtekening van een aangetekende brief waarbij door de ene aan de andere echtgenoot om mededeling van zijn inzichten is verzocht, overeenstemming is bereikt over de waarde.

3. De uitkering moet worden gedaan in geld en wel binnen een jaar na de ontbinding van het huwelijk tenzij gewichtige redenen zich verzetten tegen prompte voldoening. In dat geval zullen partijen een redelijke betalingsregeling, al of niet met zekerheidstelling en al of niet met rente overeenkomen, waarbij de belangen van alle partijen in acht worden genomen.

4. Voor de bepaling van omvang en samenstelling van het verrekenplichtig vermogen wordt als peildatum aangemerkt het tijdstip waarop het verzoek tot echtscheiding of het verzoek tot scheiding van tafel en bed is ingediend. Als echtgenoten het huwelijk beëindigen door omzetting van het huwelijk in een geregistreerd partnerschap en het beëindigen van dat geregistreerd partnerschap - dan geldt als peildatum het beëindigen van het geregistreerd partnerschap.

5. De verrekening blijft achterwege als het vermogen van een van de echtgenoten of van beiden negatief is of bij het einde van het huwelijk een van de echtgenoten failliet is, in surseance van betaling verkeert of een regeling in het kader van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op hem van toepassing wordt verklaard.

6. In alle gevallen blijft buiten de verrekening:

  • -

    wat aan ieder van de echtgenoten bij aanvang van het huwelijk toebehoorde;

  • -

    wat door erfrecht of schenking door de echtgenoten werd verkregen;

  • -

    het ondernemingsvermogen van een van de echtgenoten;

  • -

    de aandelen in niet op de beurs genoteerde vennootschappen;

  • -

    al hetgeen krachtens de jaarlijkse verrekening is verkregen;

  • -

    al hetgeen voor bovengenoemde goederen in de plaats is getreden, met dien verstande dat de inkomsten uit de goederen en de renten van die schulden, alsmede de kosten en lasten die uit die inkomsten plegen te worden voldaan, niet in de verrekening zullen worden betrokken.

(…)

8. Onderneming/ Eigen besloten vennootschap

Voor winst uit onderneming of ondernemingsvermogen geldt het volgende:

1. Ingeval een echtgenoot gerechtigd is tot de winst en het vermogen van een onderneming geldt als inkomen dat deel van de - gereserveerde - winst dat in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd wordt.

2. (…)

3. Bij vaststelling van datgene wat voor verrekening in aanmerking komt moet steeds rekening worden gehouden met fiscale claims die het gevolg zijn van onttrekkingen aan de onderneming.

4. Als op grond van deze huwelijksvoorwaarden winst uit onderneming of ondernemingsvermogen moet worden verrekend, zullen partijen op verzoek van de echtgenoot-ondernemer een redelijke betalingsregeling overeenkomen, tenzij de andere echtgenoot aantoont dat onmiddellijke uitbetaling in redelijkheid kan worden verlangd.

5. De winst die wordt behaald met het geheel of gedeeltelijk staken van een onderneming en de voordelen behaald bij de vervreemding van aandelen die tot een aanmerkelijk-belangpakket behoren, worden niet als inkomsten beschouwd.”

3.2.

De man verzoekt ten aanzien van de vermogensrechtelijke afwikkeling:

  • -

    de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen aldus vast te stellen dat de hierna te noemen woning en het appartement aan de man worden toegedeeld onder de verplichting om de schulden die voor de financiering zijn aangegaan voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen, onder de opschortende voorwaarde dat de schuldeisers bereid zijn de vrouw te ontslaan uit haar (hoofdelijke) aansprakelijkheid, waarbij de vrouw gehouden is hem de helft van een eventuele onderwaarde te vergoeden en hij gehouden is de vrouw de helft van een eventuele overwaarde te vergoeden;

  • -

    de woning en/of het appartement verkocht dienen te worden indien de vrouw niet kan worden ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid, met het bevel aan de vrouw om mee te werken aan de verkoop;

  • -

    de man heeft zijn verrekenvordering toegelicht in een formulier ‘verdelen en verrekenen’.

3.3.

De vrouw verzoekt ten aanzien van de vermogensrechtelijke afwikkeling:

  • -

    een deskundige te benoemen ten aanzien van de verrekenvordering van de vrouw op de man, tevens heeft zij een formulier ‘verdelen en verrekenen’ overgelegd;

  • -

    zij gaat akkoord met de door de man voorgestelde verdeling van de woning en het appartement, met dien verstande dat van de waarde in onverhuurde staat van de woning en het appartement dient te worden uitgegaan, op basis van de taxaties door haar overgelegd als producties 29 en 30.

Peildatum en omvang van het te verrekenen vermogen

3.4.

In artikel 6 lid 4 van de huwelijkse voorwaarden zijn partijen overeengekomen dat als peildatum voor de finale verrekening de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek geldt, zodat de peildatum 23 augustus 2016 is.

3.5.

Tussen partijen staat vast dat het finale verrekeningsbeding er toe leidt dat de navolgende vermogensbestanddelen tot het te verrekenen vermogen behoren:

a. de bankrekeningen op naam van een van hen of op beider naam;

b. de Porsche met kenteken [autokenteken] op naam van de man;

c. de vordering op [naam B.V.] ad € 75.000,-.

3.6.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de navolgende vermogensbestanddelen in de verrekening betrokken dienen te worden:

d. de aandelen in [naam B.V.] op naam van de man;

e. een schuld in rekening-courant aan [naam B.V.] ;

f. een schuld aan de ouders van de vrouw in verband met kosten van levensonderhoud van de vrouw.

3.7.

Ad a, de bankrekeningen

3.7.1.

Tussen partijen staat vast dat ieder de op zijn of haar naam staande rekening behoudt en dat de saldi per peildatum tussen hen verrekend dienen te worden. Wat de vrouw betreft dient daarnaast een bedrag van € 48.000,- in de verrekening betrokken te worden, dat de man kort voor de peildatum heeft opgenomen van de rekening met nummer [rekeningnummer] . De rechtbank oordeelt dat de man echter voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat het opgenomen bedrag benut is om de rekening-courantschuld deels af te lossen. Onder verwijzing naar 3.7.14 ziet de rechtbank daarom geen aanleiding het opgenomen bedrag thans separaat in de verrekening te betrekken.

Ad b, de Porsche

3.7.2.

Tussen partijen staat vast dat de Porsche voor een waarde van € 8.750,- in de verrekening betrokken dient te worden, zodat de man gehouden is de vrouw ter zake € 4.375,- te voldoen.

Ad c, de vordering op [naam B.V.]

3.7.3.

Partijen hebben in privé een bedrag van € 75.000,- geleend aan [naam B.V.] De vrouw stelt dat dit bedrag benut is voor de aanschaf van de sportschool. Dit leidt wat haar betreft tot een investering die meebrengt dat zij alsnog een aanspraak op de waarde van de onderneming heeft, naar rato van deze investering. De man betwist dit. De rechtbank volgt de vrouw in deze niet. Het betreft een zuivere lening aan een rechtspersoon, waarvoor een terugbetalingsverplichting bestaat. Het saldo van de vordering ad € 75.000,- op [naam B.V.] dient aldus in de verrekening betrokken te worden dat ieder van partijen € 37.500,- toekomt.

Ad d, de aandelen in [naam B.V.]

3.7.4.

De vrouw stelt dat voor wat betreft de waarde van de aandelen de periodieke verrekeningsverplichting van overgespaarde inkomsten alsnog moet worden uitgevoerd, in die zin dat artikel 1:141 lid 3 BW van toepassing is. De huwelijkse voorwaarden laten volgens haar deze keuze toe. Als de verrekening niet alsnog wordt uitgevoerd, blijft het in de onderneming [naam B.V.] aanwezige vermogen alsnog bij de man terwijl dit wel onder de jaarlijkse verrekening van overgespaarde inkomsten was gevallen. Zij verwijst daartoe naar artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden waarin is opgenomen dat voor winst uit onderneming of ondernemingsvermogen geldt dat ingeval een echtgenoot gerechtigd is tot de winst en het vermogen van een onderneming als inkomen geldt dat deel van de –gereserveerde - winst dat in het maatschappelijk verkeer als redelijk wordt beschouwd.

3.7.5.

De man betwist dat de door de vrouw gestelde keuzemogelijkheid bestaat. Wat hem betreft gaat het finaal verrekenbeding voor op het periodiek verrekenbeding, in die zin dat dat finale beding het periodieke beding absorbeert. De regeling van artikel 1:141 lid 3 BW speelt wat hem betreft geen rol meer in de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

3.7.6.

Nu partijen van mening verschillen over de uitleg van de huwelijkse voorwaarden, dient de uitleg daarvan te geschieden volgens het zogenaamde Haviltex-criterium. Daarbij zijn niet alleen de bewoordingen van de huwelijkse voorwaarden van belang, maar komt het ook aan op de bedoeling die partijen er over en weer redelijkerwijs aan mochten toekennen en hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

3.7.7.

De vrouw stelt dat het uitdrukkelijk de bedoeling van partijen is geweest om tot totale verrekening van de overgespaarde inkomsten over te gaan, zodat zij hieruit beiden vermogen konden vormen. Zij vermoedt dat de man het periodieke verrekenbeding doelbewust niet is nagekomen, in die zin dat zich in de onderneming vermogen bevindt dat op grond van artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden voor verrekening in aanmerking komt. Het feit dat er geen periodieke verrekening heeft plaatsgevonden, mag er wat haar betreft niet toe leiden dat zij bij de echtscheiding alsnog met lege handen staat. Zij acht het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden uitgangspunt zal zijn voor de verrekening tussen partijen. Gekeken moet worden naar de bedoeling van partijen.

3.7.8.

De man stelt dat partijen de (waarde van de) aandelen bewust buiten een eventuele verrekening hebben gelaten. De man had voor het aangaan van het huwelijk al een eigen onderneming en die situatie moest ongewijzigd in stand blijven. De huwelijkse voorwaarden hadden als bedoeling de vrouw mee te laten profiteren van het inkomen en van vermogensvorming in privé. De man heeft zich naar eigen zeggen altijd een redelijk salaris uitgekeerd, zodat er wat hem betreft nu niets meer te verrekenen valt. Het in de onderneming aanwezige vermogen is volgens hem nodig als buffer en om te kunnen investeren.

3.7.9.

Gelet op de bewoordingen van artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden, is die regeling opgesteld voor het geval het huwelijk eindigt door echtscheiding. Uit de tekst van artikel 6 lid 6 van de huwelijkse voorwaarden volgt verder expliciet dat het ondernemersvermogen en de aandelen van de onderneming buiten de overeengekomen finale verrekening dienden te blijven. Geen van partijen heeft zich bovendien thans op het standpunt gesteld dat de feitelijke bedoeling anders was. Daarnaast stelt de rechtbank op basis van artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden en de stellingen van partijen echter vast dat het eveneens de gezamenlijke bedoeling van partijen was, dat de vrouw zou meeprofiteren van het tijdens het huwelijk verworven inkomen. Vaststaat daarnaast dat de daartoe benodigde verrekening niet periodiek heeft plaatsgevonden. In artikel 4 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden is opgenomen dat de verrekeningsvordering in stand blijft voor zover de verrekening niet is uitgevoerd en dat het recht op verrekening pas drie jaar na het einde van het huwelijk vervalt. Als inkomen dient ingevolge artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden te gelden, dat deel van de – gereserveerde – winst dat in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd wordt.

3.7.10.

In jurisprudentie heeft de Hoge Raad bepaald dat indien in huwelijkse voorwaarden zowel een periodiek als een finaal verrekenbeding is opgenomen, het finale beding bij de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden geen ruimte meer laat voor uitvoering van het periodieke beding. Dit neemt de rechtbank als uitgangspunt. In de casus die zijn voorgelegd aan de Hoge Raad ging het echter om een finaal verrekenbeding waarbij partijen bij het einde van het huwelijk dienden te verrekenen alsof er sprake was geweest van een algehele gemeenschap van goederen. In het onderhavige geval zijn partijen eveneens overeengekomen dat er verrekend dient te worden alsof er sprake was van een algehele gemeenschap van goederen, maar zijn er vervolgens een groot aantal vermogensbestanddelen alsnog uitgesloten van deze verrekening, zodat niet gezegd kan worden dat er sprake is van een alles omvattende finale verrekening.

Dit laatste maakt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar de vrouw te houden aan het finaal verrekenbeding zonder enige correctie. Immers zou de vrouw ernstig benadeeld kunnen worden nu het periodiek verrekenbeding niet is uitgevoerd, indien er wel een hoger inkomen uit het bedrijf van de man genoten had kunnen worden. Wel dient de in artikel 2, 4 en 6 van de huwelijkse voorwaarden verwoorde bedoeling van partijen om onder koude uitsluiting te huwen, de aandelen en het ondernemersvermogen buiten de finale verrekening te laten, de verrekening betrekking te laten hebben op de onverteerd gebleven inkomsten en de afspraak om waardeveranderingen buiten beschouwing te laten, te worden nageleefd. Daarmee blijft over als bedoeling van partijen, in de verrekening te betrekken het inkomen als bedoeld in artikel 8 dat verrekend had dienen te worden.

Anders dan door de vrouw aangevoerd leidt dit er niet toe dat op grond van artikel 1:141 lid 3 BW de totale waarde van de aandelen of het ondernemersvermogen in de verrekening betrokken dient te worden. Naast artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden bestaat er geen ruimte voor de wettelijke regeling van het finaal verrekenen voor het geval de periodieke verrekening niet is uitgevoerd.

3.7.11.

Het voorgaande leidt er toe dat op grond van artikel 4 j° 8 huwelijkse voorwaarden thans alsnog beoordeeld moet worden of het voor de man in zijn hoedanigheid als directeur-grootaandeelhouder tijdens het huwelijk mogelijk is geweest zichzelf een hoger salaris uit te keren uit de B.V. De rechtbank merkt daarbij op dat de man als ondernemer een behoorlijke mate van vrijheid heeft om zijn eigen bedrijfsvoering vorm te geven. Bij de beoordeling van voornoemde vraag dient niet uit het oog verloren te worden dat het om bedrijfseconomische redenen noodzakelijk kan zijn bepaalde reserveringen aan te houden.

3.7.12.

Gelet op de in artikel 4 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden opgenomen bepaling dat geen verrekening plaatsvindt over de periode dat partijen anders dan in onderling overleg duurzaam gescheiden hebben geleefd, is de periode die in de beoordeling moet worden betrokken de periode van 20 oktober 2007 tot 1 maart 2016, de datum waarop de eerder tussen partijen overeengekomen proefregeling is geëindigd en de vrouw zich definitief in [woonplaats] heeft gevestigd. Het feit dat zij zich hier pas enkele maanden later heeft ingeschreven doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.

3.7.13.

Voor de beoordeling van de vraag of het voor de man in zijn hoedanigheid als directeur-grootaandeelhouder mogelijk was om een hoger inkomen aan de B.V. te onttrekken in de periode van 20 oktober 2007 tot 1 maart 2016 stelt de rechtbank vast, dat de man zich gedurende deze periode een redelijk inkomen heeft toegekend uit de B.V., ook in perioden waarin het vermogen van de B.V. niet hoog was. Daarbij maakt de rechtbank op uit de stellingen van partijen, dat partijen in de huwelijkse periode met – onder andere – het door de man aan zichzelf toegekende inkomen goed hebben kunnen leven van het huwelijkse inkomen. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat de pensioenverplichting eveneens is opgenomen in het vermogen van de B.V., zoals dat op de balans stond. Als het bedrag van dit pensioen in aftrek op het vermogen wordt genomen, resteert naar de mening van de rechtbank nog steeds een redelijk vermogen in de B.V. De man heeft toegelicht waarom hij de keuze tot reservering van een redelijk vermogen in de B.V. maakt, dit past bij zijn bedrijfsvoering en wens om goed te kunnen inspelen op de zich sterk ontwikkelende markt. Nu dit de man als keuze vrij staat en het wel uitgekeerde inkomen als een redelijk inkomen kan worden aangemerkt, zal met geen hoger inkomen uit de B.V. rekening worden gehouden, behoudens hetgeen hierna onder 3.7.14 wordt overwogen.

Ad e, schuld in rekening-courant aan [naam B.V.]

3.7.14.

Naast het bedrag dat geleend is van [naam B.V.] in het kader van de financiering van de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] , is er eveneens sprake van een ‘reguliere’ rekening-courantschuld. De man stelt dat partijen gezamenlijk debiteur zijn van deze rekening-courantschuld. Dit blijkt niet uit de stukken en wordt door de vrouw betwist, zodat de rechtbank er vanuit gaat dat alleen de man debiteur is. Beoordeeld moet worden of de schuld als zodanig betrokken dient te worden in de finale verrekening. Formeel bestaat er uitsluitend een relatie in rekening-courant tussen de man als directeur van de B.V. en [naam B.V.] De rechtbank is van oordeel dat – nu de rekening-courantschuld door de man kon worden aangegaan, zonder de bedrijfsvoering in gevaar te brengen - de man zichzelf als directeur ook het bedrag van de rekening-courantschuld had kunnen uitkeren als (extra) inkomen. Van een lening, die ten goede is gekomen aan partijen en waarvoor beide partijen draagplichtig zouden zijn, is gelet hierop geen sprake. De man heeft in plaats van zichzelf extra inkomen toe te kennen, een bedrag in rekening-courant aan zichzelf beschikbaar gesteld, waardoor de rechtbank van oordeel is dat de draagplicht van de rekening-courantschuld uitsluitend op de man rust en dit bedrag niet in de verrekening betrokken zal worden.

Ad f, schuld in verband met kosten van levensonderhoud van de vrouw.

3.7.15.

De vrouw stelt dat zij geld aan haar ouders schuldig is, omdat zij haar kosten voor hun rekening hebben genomen die zij op dat moment zelf niet kon dragen. Wat haar betreft is de man op grond van artikel 1:81 BW gehouden deze schuld voor zijn rekening te nemen.

3.7.16.

De man ontkent het bestaan van de schuld en betwist bovendien dat er noodzaak bestond tot het aangaan van de schuld, de vrouw had wat hem betreft al veel eerder werk kunnen zoeken.

3.7.17.

De vrouw heeft een overzicht overgelegd van de bankrekening van haar ouders, waaruit blijkt dat zij in de periode vanaf 27 december 2015 tot de peildatum van 23 augustus 2016 een bedrag van € 5.500,- aan de vrouw hebben overgemaakt, waarvan door de vrouw € 800,- is terugbetaald. Doordat de vrouw ook terug gestort heeft, is wat de rechtbank betreft voldoende aannemelijk geworden dat er op de peildatum een terugbetalingsverplichting bestond van € 4.700,-. Nu de man in elk geval tot die datum onderhoudsplichtig voor de vrouw was, dient dit bedrag in de verrekening tussen partijen betrokken te worden.

3.7.18.

Ten aanzien van de overige posten die door de vrouw bijgeteld worden bij de volgens haar bestaande schuld aan haar ouders, merkt de rechtbank op dat deze deels na de peildatum zijn aangegaan, terwijl van een ander deel niet is terug te vinden of de kosten die gemaakt zijn betrekking hebben op de vrouw en bovendien onvoldoende vaststaat dat ter zake een terugbetalingsverplichting bestaat. De enkele verklaring van de ouders van de vrouw is gelet op de gemotiveerde betwisting van de man op dit punt onvoldoende. Volledigheidshalve wordt daarbij opgemerkt dat art. 1:81 j° 1:84 BW met zich brengt dat de kosten voor levensonderhoud van beiden moeten worden gedragen door partijen naar evenredigheid van het gemene inkomen. Ook de uitgaven die partijen “voor zichzelf” hebben gedaan, dienen in beginsel in de afrekening van de kosten van de huishouding betrokken te worden. In dit geding ontbreken echter de gegevens om tot een volledige afrekening van de kosten van de huishouding te kunnen komen. Bij gebreke van een volledige staat van de kosten van de huishouding van partijen kan ook om die reden het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man gehouden is haar een vergoeding te voldoen niet worden toegewezen.

3.8.

Eenvoudige gemeenschappen

3.8.1.

Naast voornoemde vermogensbestanddelen, die betrokken dienen te worden in de verrekening, hebben partijen een aantal vermogensbestanddelen in gezamenlijke eigendom. Het betreft:

a. de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] ;

b. de op de woning aan de [adres 1] gevestigde hypothecaire geldlening bij de Deutsche Bank, [leningnummer 1] ;

c. een schuld aan [naam B.V.] in verband met aflossingen op voornoemde hypotheek;

d. de aan voornoemde hypotheek gekoppelde polis bij Reaal met polisnummer [polisnummer] ;

e. de woning op het [adres 2] te [woonplaats] ;

f. de parkeerplaats behorende bij de woning aan het [adres 2] ;

g. de op de woning aan het [adres 2] gevestigde hypothecaire geldlening bij de ING, [leningnummer 2] ;

h. de op de woning aan het [adres 2] gevestigde hypothecaire geldlening bij de ING, [leningnummer 3]

i. de inboedel.

3.8.2.

Namens de vrouw zijn de eerste twee bladzijdes van twee taxatierapporten overgelegd. Uit de bladzijdes van het eerste rapport blijkt dat de woning aan het [adres 2] te [woonplaats] op 27 september 2017 door taxateur [naam taxateur] in onverhuurde staat is getaxeerd op € 560.000,- en in verhuurde staat op € 501.000,-. Uit de bladzijdes van het tweede rapport blijkt dat de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] op 15 september 2017 door taxateur [naam taxateur] is getaxeerd op € 905.000,-.

3.8.3.

De man wenst voornoemde vermogensbestanddelen toegedeeld te krijgen, maar stelt pas uitsluitsel te kunnen geven over zijn financiële mogelijkheden daartoe op het moment dat de hoogte van de door hem te betalen partneralimentatie bij de bank bekend is. Hij verzoekt daarom in staat gesteld te worden na de onderhavige beschikking zijn financieringsmogelijkheden te onderzoeken voordat de rechtbank beslist over de toedeling van de negen voornoemde vermogensbestanddelen. Hij stelt daarbij niet in te kunnen stemmen met de waarde van de woningen zoals eerder bepaald. Hij verzoekt de rechtbank een taxateur te benoemen die de woning bindend taxeert naar de waarde op dat moment.

3.8.4.

De vrouw heeft geen bezwaar tegen toedeling van de vermogensbestanddelen aan de man, maar verzoekt de woningen thans zonder nader uitstel toe te delen aan de man.

3.8.5.

Gezien het feit dat de affectieve relatie van partijen al geruime tijd geleden is verbroken en het echtscheidingsverzoek al in augustus 2016 is ingediend, is de rechtbank van oordeel dat in redelijkheid niet van de vrouw verlangd kan worden dat zij nog langer wacht op verdeling van de woningen. Ingevolge artikel 3:185 lid 1 BW kan de rechter, voor zover de deelgenoten over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, op vordering van de meest gerede partij de wijze van verdeling gelasten of zelf de verdeling vaststellen, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding de man allereerst in de gelegenheid te stellen zijn financieringsmogelijkheden te onderzoeken, maar zal eveneens bepalen welk traject gevolgd zal moeten worden als ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid niet mogelijk blijkt.

3.8.6.

Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat partijen gezamenlijk opdracht hebben gegeven voor de taxatie van de woning aan de [adres 1] die in september 2017 heeft plaatsgevonden. De niet onderbouwde stelling van de man dat desalniettemin niet van deze waarde uitgegaan kan worden, is voor de rechtbank onvoldoende om de vrouw niet te volgen in haar verzoek uit te gaan van de getaxeerde waarde van € 905.000,-. Daarbij is in ogenschouw genomen dat de waarde enige maanden geleden is bepaald, terwijl de peildatum voor de waardering in beginsel ligt op het moment van de feitelijke verdeling. Aangezien de onroerend goed markt in de regio niet zodanig is dat het aannemelijk is dat de waarde sindsdien is gedaald, gaat de rechtbank er vanuit dat het verzoek van de vrouw om voor toedeling aan de man uit te gaan van de waarde in september 2017 de man in die zin niet schaadt.

3.8.7.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de echtelijke woning aan de man dient te worden toebedeeld tegen de waarde van € 905.000,-, onder de verplichting zorg te dragen voor ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening en de lening bij de B.V. en de verplichting aan de vrouw de helft van de waarde van de aan de hypotheek gekoppelde polis uit te keren.

3.8.8.

De man heeft verzocht ten aanzien van de woning aan het [adres 2] (hierna: het appartement) te bepalen dat indien de woning op het moment van overname verhuurd is, hij de woning overneemt in de verhuurde staat waarbij hij gehouden is bij verkoop binnen acht jaar na heden de helft van het verschil tussen de netto verkoopopbrengst en de door de rechtbank te hanteren waarde aan de vrouw te vergoeden. De vrouw stelt dat uitgegaan moet worden van de waarde in onverhuurde staat. Zij stelt dat eerdere huurders het pand al hebben verlaten en dat de man niet heeft aangevoerd dat eventuele nieuwe huurders de woning niet eveneens kunnen verlaten.

3.8.9.

De rechtbank stelt voorop dat als een verhuurd onroerend goed aan één van de deelgenoten van de gemeenschap wordt toebedeeld, het in beginsel wordt toebedeeld tegen de waarde in verhuurde staat. De rechtbank is echter van oordeel dat het appartement in het onderhavige geval op grond van de billijkheid moet worden toebedeeld tegen de waarde in onverhuurde staat. Vanaf de indiening van het verzoek tot echtscheiding gelden niet langer de bevoegdheidsregelingen uit boek 1 BW, maar is artikel 3:170 BW van toepassing. Op grond van artikel 3:170 lid 2 BW dient het beheer van het goed door partijen tezamen te geschieden. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat het eerder lopende huurcontract is geëindigd. Voor zover de man nadien een nieuw contract is aangegaan, was hij hiertoe niet zelfstandig bevoegd. De rechtbank acht het in deze situatie dan ook niet billijk om het appartement tegen de waarde in verhuurde staat aan de man toe te delen. De rechtbank zal de woning dan ook tegen de waarde in onverhuurde staat aan de man toedelen.

3.8.10.

Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat partijen gezamenlijk opdracht hebben gegeven voor de taxatie die in september 2017 heeft plaatsgevonden. De niet onderbouwde stelling van de man dat desalniettemin niet van deze waarde uitgegaan kan worden, is voor de rechtbank onvoldoende om de vrouw niet te volgen in haar verzoek uit te gaan van de op dat moment vastgestelde waarde. Daarbij is in ogenschouw genomen dat de waarde enige maanden geleden is bepaald, terwijl de peildatum voor de waardering in beginsel ligt op het moment van de feitelijke verdeling. Aangezien de onroerend goed markt in de regio niet zodanig is dat het aannemelijk is dat de waarde sindsdien is gedaald, gaat de rechtbank er echter vanuit dat het verzoek van de vrouw om voor toedeling aan de man uit te gaan van de waarde in september 2017 de man in die zin niet schaadt.

3.8.11.

Uit de door de vrouw overgelegde stukken kan de rechtbank niet opmaken of bij de recente taxatie al dan niet rekening is gehouden met de bij de woning behorende parkeerplaats. Indien dit het geval is, wordt de woning tezamen met de parkeerplaats aan de man toebedeeld tegen de waarde van € 560.000,-, onder de verplichting zorg te dragen voor ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Voor het geval de parkeerplaats niet in de taxatie betrokken is zullen partijen alsnog tot taxatie daarvan over dienen te gaan.

3.8.12.

De rechtbank zal bepalen dat de man uiterlijk 1 mei 2018 aan de vrouw kenbaar dient te maken of hij in staat is de woning en/of het appartement tegen deze bindend vastgestelde waardes en de eventueel nader vastgestelde waarde van de parkeerplaats geleverd te krijgen, zodanig dat de vrouw uiterlijk 15 juni 2018 ontslagen is uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de hypothecaire geldlening op deze woning en het appartement met de parkeerplaats en zij uiterlijk 15 juni 2018 de helft van de overwaarde heeft ontvangen, waarbij iedere partij gehouden is de helft van de kosten ter zake de levering aan de man te dragen.

3.8.13.

Indien de vrouw niet uit haar hoofdelijkheid kan worden ontslagen en zij haar aandeel in de overwaarde niet uiterlijk 15 juni 2018 heeft ontvangen, zullen/zal de woning en/of het appartement met de parkeerplaats alsnog dienen te worden verkocht. De rechtbank overweegt in dat geval als volgt.

3.8.14.

Voornoemde verkoop zal voor de woning en/of het appartement met de parkeerplaats dienen te geschieden door een gezamenlijke opdracht van partijen aan een makelaar in onroerend goed. Indien partijen niet binnen vier weken na 15 juni 2018 gezamenlijk een makelaar daartoe opdracht hebben gegeven, dan zal de rechtbank bepalen dat de voormalige echtelijke woning, dan wel het appartement met de parkeerplaats door Brockhoff makelaars te Amstelveen aan een derde wordt verkocht. Ieder van partijen is bevoegd de makelaar daartoe opdracht te geven.

3.8.15.

Partijen zullen in overleg met de makelaar de vraagprijs, welke dient te zijn gebaseerd op de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning en/of het appartement met de parkeerplaats, bepalen. Indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening er in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen dan zal de makelaar de woning en/of het appartement met de parkeerplaats te koop aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs.

3.8.16.

Partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voorzover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning en/of het appartement met de parkeerplaats, de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit naar beste weten en kunnen bepalen.

3.8.17.

Beide partijen zijn gehouden aan deze verkoop en de daaropvolgende overdracht mee te werken.

3.8.18.

Iedere partij is gehouden de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen.

3.8.19.

Na verkoop en overdracht van de voormalige echtelijke woning en/of het appartement met de parkeerplaats wordt de verkoopopbrengst, na aflossing van de hypothecaire schulden, gelijkelijk tussen partijen verdeeld, dan wel zal ieder van partijen de helft van de restschuld als eigen schuld dragen en betalen. In dit kader zal de aan de hypothecaire lening verbonden polis worden afgekocht en zal de afkoopwaarde bij helfte tussen partijen worden verdeeld, dan wel in mindering worden gebracht op de restschuld.

Ad i, de inboedel

3.8.20.

Tussen partijen is overeenstemming over het feit dat de man de gehele inboedel van de beide woningen behoudt en daar een vergoeding voor betaalt aan de vrouw. Partijen zijn echter verdeeld over de waarde van de inboedel en de vergoeding die verschuldigd is. De vordering van de vrouw ten aanzien van de verrekening, beperkt zich tot het benoemen van een deskundige die de verrekeningsvordering dient vast te stellen. Gezien de kosten die een dergelijke deskundigenbenoeming met zich brengt in verhouding tot een gebruikelijke waarde van tweedehands zaken, heeft de vrouw op dit moment naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de waardering van de inboedel onvoldoende belang bij toewijzing van haar verzoek. Nu geen van partijen ten aanzien van de inboedel een concreet verzoek heeft geformuleerd, is het aan hen zelf tot een uiteindelijke waardebepaling te komen. De rechtbank zal bepalen dat de inboedel wordt toebedeeld aan de man, onder de verplichting dat hij de helft van de waarde aan de vrouw vergoedt. Bij die waardebepaling dienen de zaken die de vrouw reeds uit de inboedel heeft meegenomen te worden meegerekend.

3.9.

Voortgezet gebruik echtelijke woning

De man heeft, voor het geval hij niet in staat is de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende schulden te ontslaan, verzocht hem het voortgezet gebruik van de woning toe te wijzen voor de duur van zes maanden na de echtscheiding. De vrouw heeft zich hier niet tegen verweerd, zodat de rechtbank in gelijke zin zal beslissen.

4 Partneralimentatie

4.1.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud dient te voldoen van € 756,- bruto per maand, althans een zodanige uitkering als de rechtbank juist acht. De man heeft zich hier tegen verweerd.

Behoefte

4.2.

De vrouw heeft gesteld dat haar huwelijksgerelateerde behoefte € 2.694,- netto per maand bedraagt. De man heeft zich hieraan gerefereerd, zodat de rechtbank eveneens van deze behoefte zal uitgaan.

Behoeftigheid

4.3.

De man heeft geen verweer gevoerd tegen de stelling van de vrouw dat zij behoeftig is aan een door de man te betalen uitkering. Uit de stukken blijkt dat zij eigen inkomsten heeft van € 21.050,- bruto per jaar, hetgeen neerkomt op een netto inkomen van € 1.514,- per maand. Zij is derhalve behoeftig aan de door haar verzochte uitkering tot levensonderhoud. De man heeft aangevoerd dat de vrouw meer kan verdienen indien zij naar de [regio 1] verhuist. Gelet op de overwegingen ten aanzien van het hoofdverblijf van de kinderen, is dit vooralsnog niet aan de orde. Uitgegaan wordt derhalve van het inkomen dat de vrouw thans in de [regio 2] verdient.

4.4.

Draagkracht

4.4.1.

Voor zover het de draagkracht van de man betreft, verwijst de rechtbank naar de berekening, die aan deze beschikking is gehecht. De rechtbank zal hieronder voor zover nodig haar berekening toelichten en ingaan op de posten die tussen partijen in geschil zijn.

4.4.2.

Bij het bepalen van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van zijn fiscaal jaarloon van € 84.999,- als directeur-grootaandeelhouder. Partijen zijn verdeeld over de vraag in welke mate daarnaast rekening gehouden moet worden met de inkomsten uit de verhuur van de woning aan het [adres 2] te [woonplaats] . Gelet op de financieringen die de man zal moeten afsluiten om het aandeel van de vrouw in zowel deze woning als de voormalige echtelijke woning over te nemen, acht de rechtbank het aannemelijk dat er voorlopig geen hoger inkomen uit de verhuur zal vloeien dan het bedrag van € 10.000,- netto per jaar waar ook de man zelf vanuit gaat. Indien na afronding van de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk blijkt dat er toch een hoger inkomen uit verhuur vloeit, dient de man de vrouw hierover te informeren.

4.4.3.

Ten aanzien van woonlasten gaat de rechtbank op grond van de stukken uit van € 16.688,- hypotheekrente per jaar, een WOZ-waarde van € 655.000,- , € 148,- per maand aan premie levensverzekering en € 95,- per maand aan forfaitaire eigenaarslasten, waarop de gemiddelde basishuur in mindering wordt gebracht. De man heeft onvoldoende aangevoerd om ten aanzien van de eigenaarslasten af te wijken van de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen en te rekenen met een hoger bedrag dan € 95,- per maand.

Naast voornoemde kosten wordt rekening gehouden met € 250,- per maand aan aflossing op het gedeelte ad € 75.000,- dat van de hypotheekschuld bij [naam B.V.]

4.4.4.

Ten aanzien van de ziektekosten wordt uitgegaan van € 129,- per maand aan premie, € 32,- aan eigen risico en € 39,- als aftrek wegens het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel van de zorgverzekeringswet.

4.4.5.

Rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen, een kindgebonden budget en de inkomensafhankelijke bijdrage voor de zorgverzekeringswet, leidt het voorgaande ertoe dat de man een draagkracht heeft van € 1.813,-. Allereerst zal hij zijn draagkracht dienen te benutten om in de kosten van de kinderen te voorzien.

4.4.6.

Tussen partijen staat vast dat de kosten van de kinderen in beginsel € 1.415,- bedragen. Wat de man betreft dienen deze kosten vervolgens nog verhoogd te worden met opvangkosten, de vrouw betwist dit. Nu vaststaat dat de man genoodzaakt is om hulp van derden in te schakelen bij de opvang van de kinderen, acht de rechtbank het passend om rekening te houden met netto opvangkosten van € 500,- per maand. Nu de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man wordt bepaald en hij niet heeft gevraagd om de vaststelling van door de vrouw te betalen kinderalimentatie, gaat de rechtbank er vanuit dat hij al deze kosten van de kinderen ad € 1.915,- voor zijn rekening neemt.

4.4.7.

Het voorgaande leidt er toe dat de man naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende draagkracht heeft om een uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw te voldoen.

5 Pensioen

In de huwelijkse voorwaarden zijn partijen overeengekomen dat de opgebouwde pensioenen worden verevend conform de wet. Partijen hebben de rechtbank bericht dat zij inmiddels overeenstemming hebben bereikt over het door de man in zijn hoedanigheid als directeur-grootaandeelhouder van [naam B.V.] aan de vrouw af te storten bedrag. De rechtbank beschouwt de door de vrouw gedane verzoeken met betrekking tot de afstorting van het pensioen en het benoemen van een deskundige om haar aandeel te berekenen daarmee als ingetrokken.

6 De beslissing

De rechtbank:

In de zaak met kenmerk C/13/614261/ FA RK 16-5893:

- stelt de hoofdverblijfplaats van [kind 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009 en [kind 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2012, vast bij de man;

- bepaalt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat met ingang van heden de vrouw de voornoemde kinderen bij zich heeft gedurende:

o een weekend in de veertien dagen van vrijdag na schooltijd (dan wel 12:00 uur, de vrouw haalt hen op) tot de daarop volgende zondagmiddag tussen 17:00 uur en 19:00 uur (de man haalt hen op);

o in twee van de drie jaren (vanaf 2017) een week van de voorjaarsvakantie van de kinderen;

o in de oneven jaren: in de eerste week van de meivakantie van de kinderen (onder welke vakanties worden begrepen een eventuele extra vakantieweek in juni);

o in de even jaren: in de tweede week van de meivakantie van de kinderen (onder welke vakanties worden begrepen een eventuele extra vakantieweek in juni);

o in de even jaren: gedurende de eerste drie weken van de zomervakantie van de kinderen;

o in de oneven jaren: gedurende de laatste drie weken van de zomervakantie van de kinderen;

o in twee van de drie jaren (vanaf 2017) gedurende de herfstvakantie van de kinderen;

o in de even jaren: gedurende de eerste week van de kerstvakantie van de kinderen;

o in de oneven jaren: gedurende de tweede week van de kerstvakantie van de kinderen;

o in het weekend waarin Moederdag valt, met dien verstande dat de kinderen bij de man verblijven in het weekend waarin Vaderdag valt (tenzij de betreffende dag valt in een vakantieweek van de andere ouder en die ouder gedurende die week met de kinderen op vakantie wil;

  • -

    bepaalt dat de man, indien hij ten tijde van de inschrijving van de uitspraak der echtscheiding nog de echtelijke woning te [woonplaats] aan de [adres 1] bewoont, jegens de vrouw bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking;

  • -

    verklaart de nevenvoorzieningen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het anders of meer verzochte.

In de zaak met kenmerk C/13/625483/ FA RK 17-1620:

- stelt de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap met betrekking tot de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] als volgt vast:

- bepaalt dat de woning tegen een waarde van € 905.000,- aan de man wordt toegedeeld, onder de verplichting zorg te dragen voor ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening en de lening bij [naam B.V.] en de verplichting aan de vrouw de helft van de waarde van de aan de hypotheek gekoppelde polis uit te keren, uiterlijk per 15 juni 2018 waarbij de man gehouden is uiterlijk 1 mei 2018 aan de vrouw kenbaar te maken of hij in staat is de woning tegen deze bindend vastgestelde voorwaarden over te nemen;

- bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten ter zake de levering aan de man te dragen;

- stelt de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap met betrekking tot het appartement aan het [adres 2] [woonplaats] en de daarbij behorende parkeerplaats als volgt vast:

- bepaalt dat het appartement tegen een waarde van € 560.000,- aan de man wordt toegedeeld, onder de verplichting zorg te dragen voor ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen en uitkering van haar aandeel in de waarde, beide uiterlijk per 15 juni 2018 waarbij de man gehouden is uiterlijk 1 mei 2018 aan de vrouw kenbaar te maken of hij in staat is de woning en de parkeerplaats tegen deze bindend vastgestelde voorwaarden over te nemen;

- bepaalt dat indien de bij het appartement behorende parkeerplaats nog niet in genoemde taxatie is betrokken, deze alsnog getaxeerd dient te worden door [naam taxateur] , waarna de parkeerplaats voor de aldus vastgestelde waarde aan de man wordt toegedeeld, onder de verplichting de vrouw de helft van de waarde uit te keren;

- bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de kosten ter zake de levering aan de man te dragen;

- bepaalt ten aanzien van de woning en/of het appartement met de parkeerplaats (tezamen aangeduid als het appartement):

- dat indien de vrouw niet uit haar hoofdelijkheid kan worden ontslagen en zij haar aandeel in de overwaarde niet uiterlijk 15 juni 2018 heeft ontvangen, de woning dan wel het appartement alsnog verkocht dient te worden;

- bepaalt dat partijen, indien de woning en/of het appartement verkocht dient te worden, binnen vier weken na 15 juni 2018 gezamenlijk opdracht tot verkoop verstrekken aan een makelaar in onroerend goed;

- bepaalt dat indien partijen niet binnen vier weken na 15 juni 2018 gezamenlijk opdracht tot verkoop aan een makelaar hebben gegeven, de verkoop zal geschieden door Brockhoff makelaars te Amstelveen, waarbij iedere partij zelfstandig bevoegd is de makelaar daartoe opdracht te geven;

- bepaalt dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening er in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de vraagprijs bindend voor partijen vaststelt, welke prijs dient te zijn gebaseerd op de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning dan wel het appartement;

- bepaalt dat als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de prijs waarvoor de woning dan wel het appartement aan een derde verkocht wordt, deze zal worden bepaald door de makelaar op de wijze als in rechtsoverweging 3.8.15. en verder hiervoor bepaald;

- bepaalt dat beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en de levering van de woning dan wel het appartement aan de koper;

- bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;

- bepaalt dat de op de woning dan wel het appartement rustende gezamenlijke schulden bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zullen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning dan wel het appartement;

- bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen en betalen;

- bepaalt dat ieder der partijen de op zijn of haar naam staande rekening behoudt en dat de saldi per peildatum tussen hen verrekend dienen te worden;

- bepaalt dat de Porsche met kenteken [autokenteken] aan de man wordt toegedeeld voor een waarde van € 8.750,- en in de verrekening betrokken dient te worden, zodat de man gehouden is de vrouw ter zake € 4.375,- te voldoen;

- bepaalt dat het saldo van de vordering ad € 75.000,- op [naam B.V.] in de verrekening betrokken te worden, waarbij ieder der partijen € 37.500,- toekomt;

- bepaalt dat uitsluitend de man draagplichtig is voor de schuld in rekening-courant op peildatum aan [naam B.V.] ;

- bepaalt dat partijen gelijkelijk draagplichtig zijn voor de schuld aan de ouders van de vrouw, die ten tijde van de peildatum € 4.700,- bedroeg, ieder van partijen draagt derhalve de helft van dat bedrag;

- bepaalt dat de inboedel wordt toebedeeld aan de man, onder de verplichting dat hij de helft van de waarde aan de vrouw vergoedt, waarbij bij die waardebepaling de zaken, die de vrouw reeds uit de inboedel heeft meegenomen, dienen te worden meegerekend;

  • -

    verklaart voormelde nevenvoorzieningen uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    wijst af het anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M.E. de Koning, voorzitter tevens kinderrechter, mr. A.J. Wesdorp en mr. P.R. de Geus, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier, op 14 februari 2018.

deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.