Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7511

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-09-2018
Datum publicatie
12-11-2018
Zaaknummer
AMS 18/1137
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuursdwang. Fiets verwijderd, niet in parkeervoorziening geplaatst. Begunstigingstermijn van een uur voor het feitelijk weghalen van de fiets is een reële termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/1137

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 september 2018 in de zaak tussen

[de persoon] , te Amsterdam, eiser,

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Zuid, thans het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Kramer).

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder bestuursdwang toegepast door de fiets van eiser te verwijderen bij het NS [station] .

Bij besluit van 30 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit in stand gelaten onder verbetering van de grondslag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2018. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding:

1. Eiser heeft op 1 september 2017 zijn fiets geparkeerd op het [plein] bij [station] , buiten de daarvoor bestemde parkeervoorzieningen. Verweerder heeft dit op dezelfde dag om 7:30 uur geconstateerd en op dat tijdstip een sticker op de fiets van eiser geplakt, waarop is vermeld dat de fiets die dag zal worden verwijderd vanaf 8:30 uur. Vervolgens heeft verweerder om 11:20 uur de fiets van eiser verwijderd door het slot open te breken en de fiets naar het fietsdepot te brengen. Eiser heeft de fiets daar opgehaald en moest de kosten van de bestuursdwang van € 35,- betalen. Voor het doorgeknipte kettingslot, dat onbruikbaar is geworden, heeft eiser bij de aanschaf € 59,95 betaald.

Standpunt verweerder

2. Er is sprake van overtreding van artikel 4.27, vierde lid, in samenhang met het derde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van Amsterdam. Op grond daarvan is het verboden om in een aangewezen gebied, in dit geval [station] , fietsen buiten de parkeervoorzieningen te plaatsen. Indien een fiets toch buiten de parkeervoorziening wordt aangetroffen, krijgt de eigenaar vanaf het aanbrengen van de sticker één uur de tijd om de fiets te verwijderen (de begunstigingstermijn). Eiser betwist de overtreding niet, maar vindt de begunstigingstermijn onredelijk kort. Verweerder volgt eiser daarin echter niet en verwijst naar jurisprudentie, waaronder een uitspraak van de rechtbank Amsterdam1. Een uur is volgens verweerder voldoende om de overtreding ongedaan te maken, namelijk de fiets te verwijderen. Een langere termijn zou een aanzuigende werking van fout geparkeerde fietsen hebben.

Beroepsgronden eiser

3. Eiser voert in beroep aan dat de uitspraak van de rechtbank Amsterdam waar verweerder naar heeft verwezen, geen gelijk geval betreft. De rechtbank had in die zaak namelijk overwogen dat een begunstigingstermijn van een uur voldoende was, omdat in het desbetreffende gebied, namelijk het Leidseplein, het gros van de mensen komt om te winkelen of een kop koffie te drinken, waarbij de verwachting dat men binnen één uur terug kan zijn, reëel is. In eisers geval heeft verweerder juist géén rekening gehouden met de aard van de overtreding en het gebied, omdat bij [station] het gros van de mensen rond 7:30 uur aankomt om te forensen naar zijn werkplaats, waarbij de verwachting dat men binnen één uur terug kan zijn juist niet reëel is. Verweerders motivering deugt dus niet.

Op grond van artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de overtreder in de gelegenheid gesteld worden de overtreding ongedaan te maken, tenzij sprake is van spoedeisende bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:31 van de Awb. Niet is in geschil dat van een spoedeisend geval geen sprake was. Volgens eiser dient de begunstigingstermijn van één uur blijkbaar ter omzeiling van spoedhandhaving. Eiser verzoekt de rechtbank het besluit te vernietigen en het bezwaar alsnog gegrond te verklaren. Ook verzoekt hij om proceskostenvergoeding en om vergoeding van de in rekening gebrachte kosten en de kosten van zijn kettingslot.

Oordeel van de rechtbank

4.1

De rechtbank overweegt ten eerste dat niet in geschil is dat eiser de APV heeft overtreden door in aangewezen gebied zijn fiets buiten de parkeervoorziening te plaatsen. Verweerder was dus bevoegd om bestuursdwang toe te passen. De kern van het geschil ziet op de vraag of verweerder de begunstigingstermijn te kort heeft vastgesteld en of eiser wel reëel in de gelegenheid is gesteld om de overtreding zelf op te heffen.

4.2

De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de begunstigingstermijn niet wezenlijk langer en niet wezenlijk korter mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen.2 De begunstigingstermijn moet lang genoeg zijn om aan de gegeven last te kunnen voldoen, maar mag niet zodanig lang zijn dat de overtredingen feitelijk worden gedoogd. De rechtbank overweegt dat de feitelijke handeling die benodigd is om de overtreding op te heffen daarbij als uitgangspunt geldt. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat een begunstigingstermijn van een uur voor het feitelijk weghalen van de fiets, als een reële termijn moet worden aangemerkt. De stelling dat een begunstigingstermijn van een uur blijkbaar dient ter omzeiling van spoedhandhaving volgt de rechtbank dus niet.

4.3

Eiser meent dat de termijn van een uur niet lang genoeg is, omdat hij pas aan het einde van de werkdag terug is op het station. Het uitgangspunt is echter, zoals hiervoor overwogen, de duur van de feitelijke handeling van het weghalen van een fiets. Bovendien, als de begunstigingstermijn op een werkdag zou worden gesteld, zou het beleid een dode letter worden, omdat verweerder dan in veel gevallen nooit zou kunnen optreden. Overtreders zouden hun fiets aan het begin van de werkdag fout kunnen parkeren en er aan het einde van de werkdag zonder consequenties weer op naar huis kunnen fietsen. Daarmee zou de termijn zodanig lang zijn, dat overtredingen feitelijk zouden worden gedoogd. Dat dit ook een aanzuigende werking voor fout geparkeerde fietsen zou hebben, acht de rechtbank niet onaannemelijk. Door zijn fiets in een aangewezen gebied niet in een parkeervoorziening te plaatsen en de hele dag weg te zijn, terwijl er ter plekke ook nog waarschuwingsborden staan, heeft eiser het risico genomen dat er handhavend zou worden opgetreden en hij niet tijdig terug zou zijn om de overtreding ongedaan te maken.

4.4

Het betoog van eiser dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de aard van het gebied, slaagt ook niet. Verweerder heeft bij aanwijzingsbesluit, in het belang van de veiligheid en ter voorkoming van hinder, alle NS-stations juist aangewezen als gebieden waarin fietsen en bromfietsen uitsluitend in de daarvoor bestemde voorzieningen mogen worden geparkeerd. Het is verboden om fietsen daar buiten de parkeervoorzieningen te stallen, omdat dit gevaar of hinder oplevert. In zijn ‘Werkinstructie foutgeparkeerde fietsen’ heeft verweerder daaraan de consequentie verbonden dat op die plaatsen een begunstigingstermijn van een uur wordt gegeven en dat in gevaarlijke situaties verweerder de fiets direct en zonder waarschuwing mag verwijderen. Verweerder heeft daarnaast terecht naar voren gebracht dat op [station] ook winkels en restaurants en dergelijke gevestigd zijn en dat er niet alleen forensen komen.

4.5

Voor zover eiser ter zitting nog heeft betoogd dat verweerder met een lichter middel had kunnen volstaan, door eisers fiets niet naar het depot te brengen maar in de buurt in een fietsenrek te plaatsen, is de rechtbank van oordeel dat dit betoog al niet slaagt, nu niet aannemelijk is gemaakt dat dat in dit geval en op dat moment mogelijk was.

5. Omdat de beroepsgronden van eiser niet slagen, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.

6. Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van enige andere kosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:21

Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 5:24

1. De last onder bestuursdwang omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.

2. De last onder bestuursdwang vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

3. De last onder bestuursdwang wordt bekendgemaakt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en aan de aanvrager.

Artikel 5:25

1. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

(…)

Artikel 5:31

1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Artikel 5:24, eerste en derde lid, is op dit besluit van overeenkomstige toepassing.

2. Indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

APV Amsterdam

Artikel 4.27

1. Het is verboden een fiets, bromfiets of gehandicaptenvoertuig te parkeren als daardoor:

a. op de weg de doorgang wordt gehinderd of belemmerd;

b. de veiligheid of de doorstroming van of het uitzicht voor het verkeer wordt gehinderd;

c. schade ontstaat of;

d. voor een bewoner of gebruiker van het gebouw waartegen of waarvoor de fiets, bromfiets of het gehandicaptenvoertuig staat geparkeerd de doorgang of het uitzicht wordt belemmerd.

(…)

3. Het college kan in het belang van de veiligheid en ter voorkoming van hinder een gebied aanwijzen waarin fietsen of bromfietsen uitsluitend in een daarvoor bestemde voorziening mogen worden geparkeerd.

4. Het is verboden om een fiets of bromfiets in een gebied als bedoeld in het derde lid buiten een voor parkeren bestemde voorziening te plaatsen.

In het aanwijzingsbesluit “Aanwijzen gebieden bij NS-stations met maximale fietsparkeerduur en vaststellen Handboek Fietsparkeren”, gepubliceerd in het Gemeenteblad van 3 mei 2016, nr. 55896, zijn alle NS-stations aangewezen als gebieden waarin fietsen of bromfietsen uitsluitend in een daarvoor bestemde voorziening mogen worden geparkeerd.

In dat Handboek Fietsparkeren bevindt zich de ‘Werkinstructie Foutgeparkeerde Fietsen’, waarin is vastgelegd dat de overtreder van artikel 4.27, derde en vierde lid, van de APV een begunstigingstermijn van minimaal een uur krijgt om de overtreding te beëindigen.

1 de uitspraak van 28 februari 2017, publicatienummer ECLI:NL:RBAMS:2017:1136

2 zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 september 2016, publicatienummer ECLI:NL:RVS:2016:2557