Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:747

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
Parketnummer 13/741179-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging tot zware mishandeling door tijdens een achtervolging tegen een politiemotor aan te trappen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/741179-17 + 13/741134-16 (TUL) (Promis)

Datum uitspraak: 9 februari 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te Amsterdam op [geboortedag] 1996,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het [adres verdachte] , thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 januari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. Stroink, en van wat de gemachtigde raadsvrouw van verdachte, mr. N. el Farougui, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 30 mei 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] (brigadier van politie, Eenheid Amsterdam) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet naar voornoemde [slachtoffer] is toegegaan waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een of meer trappende en/of schoppende bewegingen heeft/hebben gemaakt naar, althans in de richting van de dienstmotor waar voornoemde [slachtoffer] (tijdens een achtervolging) op reed en/of tegen die dienstmotor heeft/hebben getrapt en/of geschopt (waardoor voornoemde [slachtoffer] op die rijdende motor uit balans raakte);

Subsidiair:

hij op of omstreeks 30 mei 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] (brigadier van politie, Eenheid Amsterdam) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door een of meer trappende en/of schoppende bewegingen te maken naar, althans in de richting van de dienstmotor waar voornoemde [slachtoffer] (tijdens een achtervolging) op reed en/of door tegen die dienstmotor te trappen en/of te schoppen (waardoor voornoemde [slachtoffer] op die rijdende motor uit balans raakte);

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie.

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde bewezen. Zij heeft erop gewezen dat de aangifte wordt gesteund door de verklaring van andere verbalisanten dan aangever. Indien aangever was gevallen, dan was het heel anders afgelopen. Volgens de officier van justitie is sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel Zij acht voorts het medeplegen bewezen, nu zowel de bestuurder als de bijrijder trappende bewegingen hebben gemaakt naar de politiemotor.

4.2.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft gesteld dat de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen op ambtseed in beginsel voldoende bewijs opleveren, maar dat voor de overtuiging meer nodig is. Zij heeft in dat verband gewezen op een arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1799. Hierin heeft de Hoge Raad geoordeeld dat terughoudend moet worden omgegaan met een ambtsedig proces-verbaal van een verbalisant die zelf slachtoffer is. Deze kan een situatie anders ervaren, aldus de raadsvrouw, terwijl zowel de aangifte, als het proces-verbaal van bevindingen zijn verklaring weergeeft. De raadsvrouw heeft gesteld dat geen objectief steunbewijs voorhanden is, zodat vrijspraak dient te volgen.

Subsidiair heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van een aanmerkelijke kans op een aanrijding of een val. Er was geen sprake van een hoge snelheid en de agent had de motor weer snel onder controle.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is met de raadsvrouw en in lijn met de jurisprudentie van oordeel dat terughoudend moet worden omgegaan met processen-verbaal die zijn opgemaakt door verbalisanten die zelf slachtoffer zijn in de strafzaak. In deze zaak wordt de aangifte van het slachtoffer echter ondersteund door de verklaring van verbalisant [naam verbalisant] . Die heeft blijkens zijn verklaring namelijk gezien dat de bestuurder van de snorfiets trappende bewegingen maakte in de richting van aangever. Het verweer op dit punt wordt dan ook verworpen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte, die de bestuurder van de bewuste snorfiets was, en zijn bijrijder meermalen naar de politiemotor hebben getrapt bij een snelheid van ongeveer 40 kilometer per uur op een drukke rijbaan. De motor werd daarbij daadwerkelijk geraakt en in onbalans gebracht, nota bene op een moment dat een auto de motor tegemoet kwam. Hiermee hebben zij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de motor zou vallen en het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank wijst er in dit verband op dat tweewielers kwetsbaar zijn in het verkeer, dat een motorfiets een zeer zwaar voorwerp is dat makkelijk uit balans kan worden gebracht door er tegenaan te trappen en dat, zoals uit de bewijsmiddelen blijkt, de motoragent meermalen heeft moeten corrigeren om een val of een aanrijding met een auto te voorkomen.

De rechtbank is van oordeel dat naar uiterlijke verschijningsvormen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededader die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de aan dit vonnis als bijlage gehechte en daarvan deel uitmakende bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

op 30 mei 2017 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] , brigadier van politie, eenheid Amsterdam, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met zijn mededader trappende bewegingen heeft gemaakt naar de dienstmotor waar voornoemde [slachtoffer] tijdens een achtervolging op reed en tegen die dienstmotor heeft getrapt, waardoor voornoemde [slachtoffer] op die rijdende motor uit balans raakte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar primair bewezen geachte feit met toepassing van het adolescentenstrafrecht zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 6 weken, met aftrek van voorarrest, en dat de vordering tot tenuitvoerlegging zal worden toegewezen.

De officier van justitie heeft gevorderd dat adolescentenstrafrecht wordt toegepast in weerwil van het beknopte reclasseringsadvies ten behoeve van de rechtszitting d.d. 22 november 2017, opgemaakt en ter terechtzitting toegelicht door de reclasseringswerker mevrouw H. van der Geest. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het een oud feit betreft, verdachte eerst twee maanden na het feit is aangehouden en intussen een andere strafzaak is behandeld waarbij ook het adolescentenstrafrecht is toegepast, terwijl bij die behandeling ook dit feit had kunnen worden meegenomen. Dat de huidige strafzaak niet gelijktijdig met die zaak is behandeld was voor de rechter-commissaris aanleiding voor schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis. De officier van justitie acht het onwenselijk dat verdachte, die nu vervangende hechtenis van een gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) uitzit in een jeugdinrichting, na afloop daarvan in een inrichting voor volwassenen zal worden geplaatst.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw kan zich vinden in het standpunt van de officier van justitie met betrekking tot het adolescentenstrafrecht. Zij acht ook jeugddetentie passender dan gevangenisstraf voor volwassenen en verzoekt die jeugddetentie in voorwaardelijke vorm op te leggen en de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen. De raadsvrouw heeft gesteld dat als deze zaak tezamen met de eerder behandelde strafzaak was behandeld, de uitspraak in die eerdere zaak niet anders zou zijn geweest.

De raadsvrouw heeft voorts verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de licht verstandelijke beperking en de gedragsproblematiek van verdachte. De huidige detentie heeft volgens de raadsvrouw bij verdachte zogezegd de ogen geopend.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] door te proberen de motor waar [slachtoffer] op zat om te trappen. De situatie was bedreigend voor [slachtoffer] , die zijn werk aan het doen was. Dat geen ernstig letsel is veroorzaakt is niet aan het handelen van verdachte toe te schrijven. Verdachte heeft zich daarbij ook niet bekommerd om het gevaar dat zijn rijgedrag voor overige verkeersdeelnemers opleverde.

De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank heeft kennisgenomen van voornoemd reclasseringsadvies van 22 november 2017. Daarin wordt gesteld dat uit het wegingskader zowel aanwijzingen naar voren komen voor toepassing van het jeugd- als het volwassenstrafrecht. De reclassering acht het volwassenstrafrecht geïndiceerd omdat verdachte meerdere justitiële sancties, waaronder de GBM, heeft laten mislukken en reeds geruime tijd door de volwassenreclassering is begeleid. Verdachte lijkt baat te hebben bij een meer volwassen aanpak. Ter terechtzitting heeft de reclasseringswerker daar nog aan toegevoegd dat verdachte na beëindiging van de vervangende hechtenis van de GBM de leeftijd van 22 jaar heeft en bij een volgend vergrijp mogelijk ISD-waardig is. De rechtbank neemt de conclusies en het advies van de reclassering in zoverre over en zal het volwassenstrafrecht toepassen.

De rechtbank acht, rekening houdend met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes weken passend en geboden.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 8 december 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/741134-16, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 5 juli 2016 van de politierechter Amsterdam. Verdachte is daarbij veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 6 weken met aftrek van voorarrest, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 4 weken niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

poging tot medeplegen van zware mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) weken.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 5 juli 2016, namelijk jeugddetentie voor de duur van 4 weken.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.F. Ferdinandusse, voorzitter,

mrs. M.C.M. Hamer en F.P. Lauwaars, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 februari 2018.