Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:746

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
Parketnummer 13/684275-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

wederrechtelijke vrijheidsberoving door een dreigende situatie te creëren en vernieling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/684275-17 + 15/032126-16 (TUL)

Datum uitspraak: 9 februari 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres [gba adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 januari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. Stroink, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. V.R.C. Shukrula, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [persoon 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door

- voornoemde [persoon 1] (op dwingende en/of bedreigende wijze) te zeggen dat hij niet weg mag gaan en/of niet weg mag lopen en/of door eenmaal of meermalen (op dreigende wijze) te zeggen: "ik sla je in elkaar", althans woorden van die (dreigende) aard en/of strekking en/of

- ( daarbij) een of meer vitrine(s) te vernielen, waardoor verdachte een zodanig bedreigende indruk wekte dat voornoemde [persoon 1] niet weg durfde te gaan en/of

- ( vervolgens) de deur af te sluiten, zodat voornoemde [persoon 1] het pand niet kon verlaten;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 14 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [persoon 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door voornoemde [persoon 1] (meermalen) dreigend de woorden toe te voegen: "ik sla je in elkaar", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of door voornoemde [persoon 1] te zeggen dat hij niet weg mocht lopen terwijl hij, verdachte, (vervolgens) met een deurkruk een of meer vitrine(s) kapot gooide/sloeg;

2.

hij op of omstreeks 14 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een of meer vitrine(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door eenmaal of meermalen een deurkruk tegen voornoemde vitrine(s) te gooien/slaan.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte allereerst betoogd dat er geen sprake was van een situatie van vrijheidsberoving. Verdachte wilde alleen maar dat het slachtoffer, zijn vader, naar hem zou luisteren. Daarom wilde verdachte dat het slachtoffer bleef. Het vernielen van vitrines was alleen een roep om aandacht en het afsluiten van de deur was niet bedoeld om het slachtoffer binnen te houden, maar alleen om de politie buiten te houden. Verdachte had met al die handelingen geen opzet op wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachte heeft tegen zijn vader verschillende malen gezegd dat hij (vader) ‘niet weg ging’. De rechtbank begrijpt dat verdachte daarmee bedoelde dat vader niet weg mocht gaan. Hij dreigde daarbij met teksten als ‘Ik sla je in elkaar’ en andere bewoordingen, die zowel door vader als door getuige [persoon 2] werden ervaren als bedreigend. Toen vader probeerde weg te lopen, gooide verdachte met een deurkruk vitrines kapot, wat vader begrijpelijkerwijs een angstig gevoel gaf. Hij had door dit alles het gevoel gekregen dat hij tegen zijn wil werd vastgehouden en niet meer weg kon. De rechtbank leidt uit deze gedragingen en uitspraken van verdachte af dat zijn opzet erop gericht was zijn vader te beletten het pand te verlaten, hoewel voor alle betrokkenen duidelijk was dat vader weg wilde gaan. De begeleidende bedreigende woorden (‘ik sla je in elkaar’) en het geweld tegen de vitrines zijn zo onmiskenbaar gericht op het wekken van de suggestie dat (meer) geweld zal volgen als vader niet zou luisteren, dat de rechtbank uit de uiterlijke verschijningsvorm daarvan afleidt dat het op dat moment de bedoeling van verdachte was om het verbod om weg te gaan kracht bij te zetten met bedreigingen. De verdachte had daarmee het opzet zijn vader wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven.

Een wederrechtelijke vrijheidsberoving heeft meestal een doel, en dat één en ander in dit geval door verdachte vooral bedoeld was als roep om aandacht en dat hij wilde bereiken dat zijn vader naar hem zou luisteren gelooft de rechtbank. Het is echter niet toegestaan om aandacht en/of een luisterend oor op deze manier af te dwingen.

4.2.

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte verder betoogd dat niet kan worden bewezen dat verdachte de woorden “Ik sla je in elkaar” heeft gebezigd, aangezien enkel en alleen het slachtoffer heeft verklaard dat verdachte dit heeft gezegd.

De rechtbank verwerpt dit verweer eveneens. Niet alle bestanddelen van een tenlastelegging behoeven te worden bewezen met twee bewijsmiddelen. Bovendien heeft de rechtbank geen reden te twijfelen aan de verklaring van het slachtoffer, nu ook uit de verklaring van getuige [persoon 2] blijkt dat verdachte dreigende woorden richting het slachtoffer heeft geuit.

4.3.

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van feit 2 betoogd dat de wederrechtelijkheid ontbreekt, nu de vitrines aan verdachte zelf toebehoorden omdat hij ze met eigen geld heeft betaald.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. De vitrines stonden in het bedrijfspand en werden door het bedrijf gebruikt. Kennelijk rekende het bedrijf op het kunnen (blijven) gebruiken van deze vitrines en aannemelijk is dat het vernielen ervan (ook) voor het bedrijf schade oplevert. Het bedrijf had dan ook een zodanige zeggenschap over en belang bij deze vitrines dat zijn betrekking tot die vitrines minst genomen gelijk gesteld kan worden aan die van mede-eigenaar. Een en ander is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om te concluderen dat de vitrines (mede) toebehoorden aan het bedrijf.

4.4.

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie en met de verdediging, niet bewezen dat verdachte de toegangsdeur van het pand heeft afgesloten met het doel te voorkomen dat het slachtoffer het pand kon verlaten. Zij acht de verklaring van verdachte hierover, namelijk dat hij de toegangsdeur afsloot omdat hij de politie wilde buitensluiten, aannemelijk.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde:

op 14 juni 2017 te Amsterdam opzettelijk [persoon 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door

  • -

    voornoemde [persoon 1] op dwingende en bedreigende wijze te zeggen dat hij niet weg mag gaan en niet weg mag lopen en door meermalen op dreigende wijze te zeggen: “Ik sla je in elkaar.” en

  • -

    daarbij vitrines te vernielen, waardoor verdachte een zodanig bedreigende indruk wekte dat voornoemde [persoon 1] niet weg durfde te gaan.

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

op 14 juni 2017 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk vitrines, toebehorende aan [bedrijf] , heeft vernield door een deurkruk tegen voornoemde vitrines te gooien.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 weken, met aftrek van voorarrest, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het reclasseringsadvies van 12 december 2017. De officier van justitie heeft verder gevorderd dat de vordering tenuitvoerlegging zal worden toegewezen.

De raadsman heeft, in het geval van een bewezenverklaring, verzocht om bij de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft [persoon 1] , zijn vader, gedurende om een nabij een half uur belet om de ruimte waarin hij zich bevond te verlaten door zich bedreigend richting hem op te stellen. Daarmee heeft hij gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer veroorzaakt. Verdachte heeft hiermee ontoelaatbaar gedrag vertoont. De omstandigheid dat verdachte een periode veel te hard had moeten werken in het bedrijf om alles gedaan te krijgen en dat hij daarbij geen enkele steun van zijn ouders ervoer terwijl hij samen met hen het bedrijf bezit, maakt het vorenstaande niet anders. Voor dat soort problemen moet men andere oplossingen zoeken.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 12 december 2017, waarin is gesteld dat verdachte enige tijd na het voorval met een rechterlijke machtiging is opgenomen bij de ggz-instelling [naam instantie] , waar hij nog steeds, momenteel ambulant, onder behandeling is. Verdachte heeft ter zitting verklaard medicatie te hebben voor een bipolaire stoornis.

Aangever, de vader van verdachte, heeft per brief van 18 januari 2018 aan de rechtbank kenbaar gemaakt dat het gedrag van verdachte door de behandeling die hij ondergaat voor zijn problematiek, enorm is verbeterd. Ook heeft hij laten weten dat de verhoudingen weer genormaliseerd zijn en dat verdachte het bedrijf op korte termijn zal gaan overnemen. De aangever laat weten dat hij vreest voor het voortbestaan van de onderneming als verdachte een straf krijgt opgelegd.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 29 december 2017.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden en de rechtbank zal zich hierbij aansluiten.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 16 juni 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 15/032126-16, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 18 april 2016 van de politierechter van de rechtbank Noord-Holland, waarbij verdachte is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 25 uren subsidiair 12 dagen hechtenis, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55, 282 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde:

eendaadse samenloop van

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden

en

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 weken.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich houdt aan de meldplichtafspraken die reeds gemaakt zijn met de reclassering te Zaandam en zich blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

2. zich laat behandelen voor delictgerelateerde problematiek bij [naam instantie] , of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij voornoemd vonnis van 18 april 2016, zijnde een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 25 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 12 dagen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.F. Ferdinandusse, voorzitter,

mrs. M.C.M. Hamer en F.P. Lauwaars, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 februari 2018.