Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7457

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2018
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
13/684485-17, 13/106383-14 (tul) en 23/001164-16 (tul)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard, omdat de bewindvoerder niet is opgeroepen. Wel legt de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0910
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM


VONNIS

Parketnummers: 13/684485-17, 13/106383-14 (tul) en 23/001164-16 (tul)

Datum uitspraak: 3 oktober 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren te distrikt [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1961,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 oktober 2018, waarbij verdachte aanwezig was.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.R. Bons, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. Z. Nahar, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij:

  1. op 12 november 2017 in Amsterdam vier onderbroeken heeft gestolen bij Dirk van den Broek;

  2. op 9 augustus 2017 in Amsterdam [persoon 1] heeft mishandeld door haar te duwen, te slaan en te stompen;

  3. op 9 augustus 2017 in Amsterdam [persoon 1] heeft bedreigd door tegen haar te zeggen: “Wacht maar! Ik maak je dood. Ik sla je de ogen uit je hoofd. Als je me niet loslaat dan …” en “Je moet mij niet tegenhouden, anders sla ik je kop eraf”; en

  4. op 20 mei 2018 in Amsterdam Bakkeljauw filet heeft gestolen bij Coop.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die achter dit vonnis is gevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vier de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1 acht de officier van justitie de verklaring van verdachte dat hij de spullen in de tas van een vriend van hem zaten, niet geloofwaardig. Aangever, dan wel de beveiliger van de winkel verklaren dat verdachte de onderbroeken in zijn tas stopt en deze niet afrekent. Ook wordt een lege verpakking gevonden en de onderbroeken die bij verdachte zijn aangetroffen, komen overeen met de onderbroeken die bij Dirk van den Broek worden verkocht.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft verdachte verklaard dat hij zichzelf wilde verdedigen. Dit komt niet uit het dossier naar voren. Bovendien wordt de aangifte van [persoon 1] ondersteund door verklaringen van getuigen en is op de camerabeelden te zien dat verdachte [persoon 1] enkele keren stompt. Ten aanzien van de bedreiging is de officier van justitie van mening dat [persoon 1] de redelijke vrees kon hebben dat verdachte zijn bedreigingen zou waarmaken, gelet op de omstandigheden waarin hij deze uitte, namelijk na de mishandeling.

Ten aanzien van feit 4 heeft de Coop aangifte van winkeldiefstal gedaan en heeft verdachte bekennend verklaard.

3.2

Het standpunt van de raadsman van verdachte

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit. Er zijn aanknopingspunten dat de verklaring van verdachte, dat de onderbroeken niet uit de winkel afkomstig waren, klopt. Zo is niet zeker vastgesteld dat de aangetroffen onderbroeken uit de gevonden lege verpakking afkomstig zijn. Ook is op de camerabeelden te zien dat verdachte iets uit de schappen pakt en dat hij uit beeld verdwijnt, maar er kan niet worden gezegd dat hij onderbroeken uit de schappen heeft gepakt en deze heeft weggestopt.

Ten aanzien van de overige drie tenlastegelegde feiten heeft de raadsman van verdachte geen bewijsverweer gevoerd.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat alle vier de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Zij overweegt daartoe als volgt.

3.3.1

De diefstal bij Dirk van den Broek (feit 1)

I. [persoon 2] , mobiele beveiliger, heeft namens Dirk van den Broek in Amsterdam aangifte gedaan van diefstal op 12 november 2017. Getuige [getuige 1] heeft gezien dat verdachte met een lege tas binnenkwam, vier pakken onderbroeken uit het schap haalde, de onderbroeken uit de verpakking heeft gehaald en dat verdachte ten slotte de onderbroeken in zijn tas stopte. Na het passeren van de kassa heeft [getuige 1] de tas van verdachte gecontroleerd en daarbij kwamen de onderbroeken tevoorschijn.

Verdachte heeft verklaard dat hij op iemand wachtte en dat de tas waarin de onderbroeken zaten, van een vriend van hem is. Er is echter in de winkel een lege verpakking aangetroffen die overeenkwam met de hoeveelheid onderbroeken die bij verdachte was aangetroffen. Het merk kwam ook overeen met de aangetroffen onderbroeken en wordt ook verkocht bij Dirk van den Broek. Verdachte heeft zijn verklaring bovendien niet aannemelijk gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte de bij hem aangetroffen onderbroeken bij Dirk van den Broek gestolen.

3.3.2

De mishandeling en bedreiging van [persoon 1] (feiten 2 en 3)

De mishandeling

[persoon 1] heeft aangifte gedaan van mishandeling en bedreiging op 9 augustus 2017. Er was een incident geweest op het station Cornelis Lelylaan in Amsterdam. Een man probeerde door de incheckpoortjes achter haar aan te lopen zonder te betalen, omdat hij wilde zwartrijden. [persoon 1] wilde dit niet en stopte in het incheckpoortje met lopen. Hierna werd ze geduwd en ontstond er een worsteling waarbij [persoon 1] werd geslagen en gestompt. Ze heeft de man zelf ook geslagen en getrapt. Uiteindelijk is het haar gelukt de man vast te pakken. Hij begon te schreeuwen (“Wacht maar! Ik maak je dood. Ik sla je de ogen uit je hoofd. Als je me niet loslaat dan …”) waarna de politie de man kon aanhouden. Hij bleek verdachte te zijn.

Verbalisanten die ter plaatse kwamen, zagen een schreeuwende verdachte en een hevig geëmotioneerde [persoon 1] . Ook spraken zij met meerdere getuigen van de worsteling. Twee van hen hebben verklaard dat zij de man de vrouw hebben zien slaan. Getuige [getuige 2] verklaarde nog dat zij gehoord had dat de man tegen de vrouw zei: “Je moet mij niet tegenhouden, anders sla ik je kop eraf”.

Verdachte heeft verklaard dat hij [persoon 1] inderdaad heeft geduwd, maar dat hij zichzelf verdedigde, omdat [persoon 1] begon. Op de beschikbare camerabeelden is echter te zien dat de [persoon 1] naar de toegangspoortjes loopt en wordt gevolgd door verdachte. De toegangspoortjes gaan open en [persoon 1] wordt geduwd door verdachte (camera 3758). Er ontstaat een worsteling en verdachte begint met zijn rechtervuist op [persoon 1] in te slaan. Hij stompt haar drie keer op het achterhoofd (camera 3772). Verdachte houdt [persoon 1] vast en die probeert los te komen. Verdachte trekt aan [persoon 1] en hangt over haar heen. [persoon 1] weet zich los te wrikken en haalt met haar rechtervuist uit in de richting van het gezicht van verdachte (camera 3756). Deze camerabeelden ondersteunen de aangifte van [persoon 1] .

Op het beeld van camera 3751 is volgens een verbalisant nog concreet te zien dat verdachte op [persoon 1] inslaat, terwijl hij op haar ligt.

De rechtbank is van oordeel dat uit het bovenstaande volgt dat verdachte [persoon 1] heeft mishandeld door haar te duwen en haar meermalen te slaan en te stompen.

De bedreiging

Daarnaast heeft verdachte volgens [persoon 1] “Wacht maar! Ik maak je dood. Ik sla je de ogen uit je hoofd. Als je me niet loslaat dan …” naar haar geschreeuwd en heeft getuige [getuige 2] gehoord dat verdachte “Je moet mij niet tegenhouden, anders sla ik je kop eraf” tegen [persoon 1] zei. Deze worden kunnen naar algemeen spraakgebruik als bedreigend worden bestempeld. Bovendien had verdachte [persoon 1] kort daarvoor mishandeld. De uitspraken van verdachte zijn van dien aard dat, gelet op die context, bij [persoon 1] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij door toedoen van verdachte het leven zou kunnen verliezen. Hierom heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht.

3.3.3

De diefstal bij Coop (feit 4)

[persoon 3] , beveiligingsmedewerker, heeft namens Coop in Amsterdam aangifte gedaan van winkeldiefstal op 20 mei 2018. Hij heeft gezien dat verdachte drie stuks Bakkeljauw filet in zijn rode plastic tas heeft gestopt en deze niet heeft afgerekend. Op de beschikbare camerabeelden is ook te zien dat verdachte producten uit het schap pakt, om zich heen kijkt en deze in zijn rode plastic tas stopt. Verdachte heeft de diefstal zowel tijdens zijn verhoor door de politie als ter terechtzitting bekend.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

  1. op 12 november 2017 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen vier onderbroeken, waarde 19,96 euro, toebehorende aan winkelbedrijf Dirk van den Broek;

  2. op 9 augustus 2017 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [persoon 1] heeft geduwd en meermalen heeft geslagen en gestompt, waardoor voornoemde [persoon 1] pijn heeft ondervonden;

  3. op 9 augustus 2017 te Amsterdam [persoon 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door voornoemde [persoon 1] dreigend de woorden toe te voegen: "Wacht maar! Ik maak je dood. Ik sla je de ogen uit je hoofd. Als je me niet loslaat dan..." en "Je moet mij niet tegenhouden, anders sla ik je kop eraf”; en

  4. op 20 mei 2018 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen meer Bakkeljauw filet, toebehorende aan winkelbedrijf Coop.

4 Het bewijs

De rechtbank zal de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring is gebaseerd uitwerken als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld.

5 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6 Motivering van de straffen

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van acht weken gevorderd met aftrek van het voorarrest, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Hij heeft tevens gevorderd om de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door Reclassering Nederland in haar rapport van 18 juli 2018, aan het voorwaardelijk strafdeel te koppelen.

6.2

Het standpunt van de raadsman van verdachte

De raadsman van verdachte heeft de rechtbank verzocht verdachte een taakstraf op te leggen met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling en bedreiging van [persoon 1] . Dit zijn twee nare feiten die veel impact op haar hebben gehad, zoals is gebleken uit de slachtofferverklaring die ter terechtzitting is voorgelezen. [persoon 1] is nog steeds erg angstig en heeft fysieke klachten aan de mishandeling overgehouden. Het ergst vindt zij nog dat zij zonder twijfel voor verdachte een kaartje voor de metro had gekocht, als hij dit gewoon aan haar had gevraagd.

Hoewel beiden geweld hebben gebruikt, neemt de rechtbank het verdachte kwalijk dat hij [persoon 1] heeft mishandeld in het openbaar, namelijk op station Cornelis Lelylaan, en daarbij de eerste klap heeft uitgedeeld, terwijl [persoon 1] verdachte slechts aansprak op het feit dat hij wilde zwartrijden door met haar door de incheckpoortjes te lopen. Het is treurig te bedenken dat men een ander niet kan aanspreken op zijn of haar gedrag zonder het risico te lopen dat dat zorgt voor escalatie. Ook voor overige reizigers en aanwezigen op het station zorgen dergelijke conflicten voor onrust en een gevoel van onveiligheid.

Daarnaast heeft verdachte twee winkeldiefstallen gepleegd. Dit zijn vervelende feiten waarmee hij anderen overlast heeft bezorgd.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van Reclassering Nederland, gedateerd 18 juli 2018, opgemaakt door J. Boonk. Hieruit volgt onder meer het volgende.

Verdachte is een zwakbegaafde man met een problematisch verleden. Uit een NIFP-rapport uit 2010 komt naar voren dat er sprake is van onderliggende woede bij verdacht die rechtstreeks een gevolg lijkt te zijn van mishandelingen die hij als puber heeft ondergaan. Dit, in combinatie met zijn zwakbegaafdheid en het feit dat verdachte slecht tegen drukte om hem heen kan en dan lichtgeraakt kan reageren, kan de kans op recidive doen toenemen. Positief is dat hij de laatste jaren structuur in zijn leven heeft. Verdachte woont in een begeleide setting bij de Volksbond, waarbij hij ook begeleiding krijgt in het vinden en behouden van een dagbesteding. Momenteel werkt hij tien à vijftien uur per week als fietsenreparateur, ontvangt hij een Wajong-uitkering die wordt beheerd door een bewindvoerder en heeft hij geen schulden. Hoewel verdachte aan de harde ISD-criteria voldoet, acht de reclassering het niet wenselijk dat bovengenoemde structuur doorbroken wordt. Tevens acht ze het van belang dat er (alsnog) diagnostiek plaatsvindt opdat de achterliggende problematiek van het delictgedrag inzichtelijk gemaakt kan worden en de wenselijkheid van en mogelijkheden tot interventies bekeken worden. Reclassering Nederland adviseert daarom een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en meewerken aan diagnostisch onderzoek en de interventies die eventueel hieruit naar voren komen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het voor hem momenteel het belangrijkste is dat hij een ritueel kan doen in Suriname. Hij voelt zich bezeten door de duivel en dat ritueel is de enige manier om hem daarvan te zuiveren.

Het strafblad

Uit het strafblad van verdachte (uitdraai van 6 september 2018) blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor onder meer diefstallen en bedreigingen. Daarnaast volgt dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing is en dat de Wet beperking taakstraf aan de orde is.

De straffen

Ten aanzien van de op te leggen straffen overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte moet de consequenties van zijn handelen voelen. Reclassering Nederland geeft echter aan dat detentie de structuur die verdachte momenteel heeft, zou doorbreken. Dit acht de rechtbank niet wenselijk, temeer nu deze structuur goed voor verdachte lijkt te zijn. Een taakstraf lijkt daarom een meer passende strafmodaliteit.

Rekening houdend met het advies van Reclassering Nederland en hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van 30 dagen opleggen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 27 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Aan dit voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door Reclassering Nederland is geadviseerd, te weten een meldplicht en het meewerken aan diagnostisch onderzoek en aan interventies die eventueel hieruit naar voren komen. De rechtbank merkt daarbij op dat zij hoopt dat verdachte het door hem gewenste ritueel in Suriname kan ondergaan, maar dat hij hierover te allen tijde met de reclassering moet overleggen en van haar toestemming moet krijgen.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf van zestig uren opleggen.

7 De vordering van de benadeelde partij [persoon 1]

De benadeelde partij [persoon 1] vordert € 279 (tweehonderdnegenzeventig euro) aan materiële schadevergoeding en € 400 (vierhonderd euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. De materiële schadevergoeding ziet op haar bril die kapot is.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel toewijsbaar is, inclusief oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

De raadsman van verdachte heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met het feit dat de benadeelde partij ook geweld jegens verdachte heeft gebruikt.

Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte onder bewind is gesteld ex artikel 1:431 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Dit betekent dat een rechthebbende wiens goederen onder bewind zijn gesteld ten aanzien van die goederen zelfstandige beheers- en beschikkingsbevoegdheid mist, wat met zich meebrengt dat hij of zij met betrekking tot die goederen niet als eisende of verwerende partij in een procedure kan optreden. De rechthebbende is dus procesonbevoegd. Wanneer iemand onder bewind is gesteld, vertegenwoordigt de bewindvoerder de rechthebbende, en dus ook tijdens een procedure (zie ook artikel 1:441 lid 1 BW). De bewindvoerder moet dus worden opgeroepen voor de zitting. In deze zaak is dat niet gebeurd en de bewindvoerder heeft de raadsman van verdachte ook geen machtiging gegeven om namens de bewindvoerder op te treden. Dit betekent dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het in dit stadium van de procedure alsnog oproepen van de bewindvoerder levert naar het oordeel van de rechtbank te grote belasting van het strafproces op. De benadeelde partij kan haar vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De schadevergoedingsmaatregel

De schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht kan te allen tijde worden opgelegd indien en voor zover verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. In deze zaak is de benadeelde partij materiële schade toegebracht door het bewezenverklaarde feit 2, de mishandeling. Het komt de rechtbank dan niet ongegrond of onrechtmatig toe dat deze geleden schade wordt vergoed. De eveneens door de benadeelde partij gevorderde immateriële schadevergoeding is naar het oordeel van de rechtbank redelijk en billijk.

Verdachte is naar burgerlijk recht jegens [persoon 1] aansprakelijk voor een bedrag van € 679 (zeshonderdnegenenzeventig euro), zodat de maatregel voor dat bedrag zal worden opgelegd, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 9 augustus 2017, tot aan de dag van de algehele voldoening.

8. De vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke veroordelingen

13/106383-14

Bij de stukken bevindt zich de op 14 augustus 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/106383-14, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 29 augustus 2014 van de politierechter van deze rechtbank, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven dagen voorwaardelijk, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden

Hoewel gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis, zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie afwijzen, nu het naar haar oordeel een feit van te lang geleden is.

23/001164-16

Eveneens bevindt zich bij de stukken de op 16 november 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 23/001164-16, betreffende het onherroepelijk geworden arrest van 21 november 2016 van het gerechtshof Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken, waarvan dertien dagen voorwaardelijk, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijk strafdeel te gelasten, maar in die zin dat zij de dertien dagen gevangenisstraf zal omzetten naar een taakstraf van 26 uren.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22b, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 285, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van de feiten 1 en 4

diefstal, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2

mishandeling; en

ten aanzien van feit 3

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Straffen

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 27 (zevenentwintig) dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich binnen twee weken na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij Reclassering Nederland, en dat hij zich daarna meldt zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren; en

  2. meewerkt aan een diagnostisch onderzoek en aan interventies die hieruit eventueel naar voren komen.

Geeft aan Reclassering Nederland opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte daarnaast tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 60 (zestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 (dertig) dagen.

De vordering van de benadeelde partij [persoon 1]

Verklaart de benadeelde partij [persoon 1] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [persoon 1] , te betalen de som van € 679 (zeshonderdnegenenzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 9 augustus 2017, tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 13 (dertien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke veroordelingen

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 13/106383-14.

Gelast – in plaats van de tenuitvoerlegging van de bij parketnummer 23/001161-16 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 13 (dertien) dagen – een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 26 (zesentwintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 13 (dertien) dagen.

De voorlopige hechtenis

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,
mrs. M.E. Leijten en L. Voetelink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Spaan, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 oktober 2018.

[...]