Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7456

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2018
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
13/741077-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging woninginbraak in verenging. Er wordt een gevangenisstraf van vijftien dagen opgelegd, met aftrek van het voorarrest, en een taakstraf van 180 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM


VONNIS

Parketnummer: 13/741077-18

Datum uitspraak: 17 oktober 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 oktober 2018, waarbij verdachte aanwezig was.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.R. Bons, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.F. van der Brugge, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij op 20 april 2017 in Capelle aan den IJssel heeft geprobeerd met een ander of anderen in te breken in een woning.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die achter dit vonnis is gevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij baseert zich op de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de aangifte van de eigenaar van de woning;

  • -

    de verklaring van getuige [naam getuige] ;

  • -

    de bevindingen van de forensische opsporing;

  • -

    het aangetroffen DNA-spoor van [naam] (hierna: [naam] );

  • -

    de verbalisanten die verdachte en [naam] op stills van camerabeelden herkennen; en

  • -

    de omstandigheid dat verdachte en [naam] veertig minuten na het incident bij de woning op 23 kilometer afstand samen als passagier in een auto zaten, waarin ook inbrekersgereedschap is aangetroffen.

3.2

Het standpunt van de raadsman van verdachte

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de camerabeelden, waarop verdachte door meerdere verbalisanten wordt herkend, geen duidelijke weergave van het gezicht van de betreffende persoon bieden. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat de betrokken verbalisanten onderling hebben gecommuniceerd over wie er op de camerabeelden te zien zou zijn.

Daarnaast is het onduidelijk met wie [naam] bij de betreffende woning was, omdat de signalementen van deze personen onvoldoende specifiek zijn beschreven. Gesproken wordt over vier personen en onduidelijk is gebleven wie welke rol vervulde. Tot slot betekent het feit dat verdachte samen met [naam] een half uur later ruim twintig kilometer verderop wordt aangehouden niet dat hij betrokken is geweest bij het tenlastegelegde feit.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen en overweegt als volgt.

Op 20 april 2017 omstreeks kwart over negen ’s avonds hoorde en zag [aangever] (hierna: aangever) dat er geprobeerd werd om in te breken in zijn woning aan de [adres] . Hij kwam met zijn vrouw de ingang van de flat binnen, ging met de lift naar de eerste verdieping (waar de woning is gelegen) en betrapte twee personen op heterdaad. In het slot van zijn voordeur was al een schroef gedraaid. Eén persoon kon ontkomen door van het balkon te springen en de andere persoon ontkwam via de trap en de nooduitgang. Getuige [naam getuige] , die tegelijk met aangever en zijn vrouw kwam aanlopen, zag nog twee onbekende getinte mannen uit de ingang komen. Hij hoorde aangever schreeuwen nadat deze de lift naar de eerste verdieping had genomen.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte een van die twee personen is geweest die aangever bij zijn woning betrapte. Zij overweegt als volgt. Van de entree van de flat zijn er camerabeelden beschikbaar. Op deze camerabeelden zijn om 21:01 twee personen te zien die zich in en uit beeld bewegen en na twee minuten de lift inlopen. Verdachte wordt door vijf verbalisanten herkend op deze camerabeelden. Vier van hen hebben de bewegende beelden gezien en één verbalisant heeft stills van de camerabeelden gezien. Alle verbalisanten kennen verdachte vanuit hun dagelijks werk: zij hebben hem eerder meerdere keren staande gehouden of op straat gezien. Bovendien hebben de verbalisanten toegelicht waaraan zij verdachte herkennen. Zij noemen daarbij onder meer zijn neus, wenkbrauwen, voorhoofd, postuur en manier van lopen.

Meerdere verbalisanten herkennen ook [naam] op de camerabeelden. De rechtbank gaat er daarom van uit dat verdachte samen met [naam] de lift naar boven heeft genomen, kort voordat aangever twee personen bij zijn woning betrapte. Het staat vervolgens vast dat [naam] de persoon is geweest die ontkwam door van het balkon af te springen. Op de balustrade van dat balkon is namelijk een biologisch spoor gevonden waarvan het DNA matcht met dat van [naam] . De kans om een match te vinden ervan uitgaande dat het materiaal afkomstig is van een willekeurig iemand anders dan [naam] , is kleiner dan één op één miljard.

Verder blijkt dat verdachte veertig minuten na het incident bij de woning samen met [naam] is aangehouden nadat zij als passagiers uit een auto zijn gestapt en zijn weggerend. De aanhouding vond plaats op een afstand van 23 minuten rijden van de woning van aangever. In de betreffende auto werd inbrekersgereedschap aangetroffen.

Alles tezamen en in onderlinge samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte de tweede persoon op de eerste verdieping is geweest. Het ligt op de weg van verdachte om aannemelijk te maken dat dat niet zo zou zijn, maar dit heeft hij nagelaten door zich op zijn zwijgrecht te beroepen, ook op vragen wat hij had gedaan voor zijn aanhouding en met wie. De rechtbank komt tot de conclusie dat verdachte samen met [naam] heeft geprobeerd in te breken in de woning van aangever.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 20 april 2017 te Capelle aan den IJssel ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan [adres] , weg te nemen geld en/of goederen van zijn gading, toebehorend aan [aangever] , en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, opzettelijk met zijn mededader naar die woning is toegegaan, waarna hij, verdachte en zijn mededader een schroef in het slot van de voordeur van voornoemde woning hebben geschroefd.

4 De strafbaarheid van het feit en van verdachte

Het bewezen verklaarde is een strafbaar feit en verdachte is daarvoor ook strafbaar.

5 Motivering van de straffen

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van vier maanden gevorderd waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

5.2

Het standpunt van de raadsman van verdachte

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit waardoor geen straf of maatregel moet volgen.

Subsidiair heeft hij de rechtbank verzocht verdachte een taakstraf op te leggen in plaats van een gevangenisstraf.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft met een ander geprobeerd in te breken in een woning. Dergelijke feiten veroorzaken niet alleen materiële schade, maar zorgen ook voor een gevoel van onveiligheid, ook als het bij een poging blijft. Nadat aangever verdachte en zijn mededader betrapte, zijn zij op de vlucht geslagen, maar dit had ook anders kunnen aflopen.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft acht geslagen op een e-mailbericht van 25 september 2018 van [naam 1] , reclasseringswerker bij Reclassering Nederland. Hieruit blijkt onder meer dat verdachte twee keer niet is verschenen voor het opstellen van een adviesrapportage. Zijn casusregisseur geeft aan dat hij niet openstaat voor contact. Voor zover de casusregisseur weet, heeft verdachte geen zelfstandige woonruimte en heeft hij geen structurele dagbesteding. Momenteel is alleen de reïntegratieconsulent van het Werk Participatie en Inkomen (hierna: WPI) bij verdachte betrokken. In september zou verdachte beginnen met een reïntegratietraject, maar dit is nog niet gebeurd. Ook de schuldhulpverlening stagneert, omdat verdachte moeilijk te bereiken is.

De zaak met parketnummer 13/741173-17 is inmiddels onherroepelijk, waardoor het reclasseringstoezicht uitvoerbaar is. Dat toezicht wordt uitgevoerd door het Leger des Heils en verdachte wordt zo snel mogelijk uitgenodigd voor een eerste gesprek.

Ter aanvulling heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij sinds de opheffing van zijn voorlopige hechtenis (de rechtbank begrijpt: februari 2018) niet meer in aanraking is geweest met politie en justitie. Hij heeft sinds kort een uitkering en wil graag werk. Verdachte heeft verder verklaard dat hij vaak in contact probeert te komen met de reclassering, maar dat de reclassering juist nooit met hem contact opneemt. Zo heeft hij meteen na het onherroepelijk worden van de zaak met parketnummer 13/741173-17 contact gezocht met de reclassering. Wel heeft verdachte goed contact met zijn reïntegratieconsulent bij het WPI.

Het strafblad van verdachte

Uit het strafblad van verdachte (uitdraai van 6 september 2018) blijkt dat verdachte zich eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke feiten. Tevens blijkt dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

De straffen

In beginsel is een gevangenisstraf voor een feit als dit gerechtvaardigd. Niet voor niets indiceren de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden voor een woninginbraak.

Uit het hiervoor besproken e-mailbericht blijkt dat het toezicht in de zaak met parketnummer 13/741173-17 nog maar net uitvoerbaar is en dat verdachte zo snel mogelijk wordt uitgenodigd voor een eerste gesprek. Het traject bevindt zich dus nog in de opstartfase en detentie zou dit doorkruisen, hetgeen de rechtbank niet wenselijk acht. Verdachte is nog jong en heeft geen structurele dagbesteding. Een taakstraf is naar het oordeel van de rechtbank daarom een meer passende strafmodaliteit om verdachte de consequenties van zijn handelen te laten voelen. Zij zal daarom aan hem opleggen een gevangenisstraf van vijftien dagen, met aftrek van het voorarrest, en een taakstraf van 180 uren.

6 De vordering van de benadeelde partij [aangever]

De benadeelde partij [aangever] vordert € 214,81 (tweehonderdveertien euro eenentachtig) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. De schadevergoeding wordt gevorderd vanwege een noodafdichting inbraak die moest worden geplaatst.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij, hoewel deze pas ter terechtzitting aan de rechtbank en de raadsman van verdachte is verspreid, hoofdelijk toewijsbaar is met toekenning van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij geen standpunt ingenomen.

Vaststaat dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en zal daarom geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 20 april 2017.

De schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [aangever] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Hoofdelijk

Het te vergoeden bedrag van € 214,81 (tweehonderdveertien euro eenentachtig) vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel wordt hoofdelijk aan verdachte opgelegd, omdat hij met een ander heeft geprobeerd in te breken in de woning van de benadeelde partij.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 45, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toeging tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [naam verdachte] daarvoor strafbaar.

Straffen

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte daarnaast tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 180 (honderdtachtig) uren.

Vordering van de benadeelde partij [aangever]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever] toe tot een bedrag van € 214,81 (tweehonderdveertien euro eenentachtig), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 20 april 2017, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [aangever] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens [naam] is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever] , te betalen de som van € 214,81 (tweehonderdveertien euro eenentachtig), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 20 april 2017, tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens [naam] is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 4 (vier) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,
mrs. M.E. Leijten en L. Voetelink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Spaan, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 oktober 2018.

[..]

[..]

[..]

[..]

[..]

[..]

[..]

[..]

[..]

[..]

[..]

[..]

4 [..]

[..]

[..]

.