Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7406

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2018
Datum publicatie
19-10-2018
Zaaknummer
13/728123-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 32-jarige man krijgt zes jaar gevangenisstraf voor seksuele uitbuiting en mensenhandel van 2 vrouwen. Ook moet hij de slachtoffers in totaal ruim 340.000 euro schadevergoeding betalen, het grootste deel daarvan aan 1 van de slachtoffers, die gedurende 6 jaar schaamteloos door de man werd uitgebuit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728123-17 (Promis)

Datum uitspraak: 18 oktober 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,

gedetineerd in het [Justitieel Complex] te [plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 oktober 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. S. de Klerk, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T. den Haan, naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van wat naar voren is gebracht door
mr. A. Koopsen, raadsvrouw van benadeelde partij [benadeelde partij 1] en door mr. L.A.M.G. Wellen, raadsvrouw van benadeelde partij [benadeelde partij 2] .

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – kort gezegd ten laste gelegd dat

feit 1

hij zich met een ander in de periode van 1 april 2017 tot en met 31 mei 2017 heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van mensenhandel, door middel van uitbuiting in de prostitutie van [benadeelde partij 1] ;

feit 2

hij zich in de periode van 1 maart 2009 tot en met 31 januari 2015 heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel, door middel van uitbuiting in de prostitutie van [benadeelde partij 2] ;

feit 3

hij zich in het jaar 2014 voor een periode van omstreeks drie maanden heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel, door middel van uitbuiting in de prostitutie van [slachtoffer ] .

De gehele tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle drie ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen, met uitzondering van het onder 1 ten laste gelegde onderdeel ‘medeplegen’. De officier van justitie heeft kort gezegd het volgende aangevoerd.

De verklaringen van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [slachtoffer ] zijn consistent over de rol van verdachte bij hun uitbuiting in de prostitutie. Daarnaast vinden hun verklaringen steun in de verklaringen van verschillende getuigen en in diverse andere onderzoeksresultaten. De verklaring van verdachte daarentegen vindt op geen enkele wijze steun in het dossier. Dat [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] een plan zouden hebben gesmeed om verdachte erin te luizen, is volstrekt onaannemelijk. Verder is het zo dat de verklaringen van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [slachtoffer ] een werkwijze van verdachte laten zien die op diverse punten overeen komt: hij misleidt hen, gaat een liefdesrelatie aan of doet zich voor als redder in nood, hij bemoeit zich met het escortwerk en laat hen (een deel van) hun geld afgeven. Verdachte wordt dreigend en agressief als één van de slachtoffers niet werkt. Ten slotte is van belang dat uit het onderzoek naar verdachtes inkomen blijkt dat hij eigenlijk alleen inkomen had in de periode dat de drie genoemde vrouwen niet voor hem werkten. Er is niet gebleken dat verdachte enig substantieel inkomen had in de periode dat [benadeelde partij 2] en [slachtoffer ] voor hem werkten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van alle drie de feiten vrijspraak bepleit en hij heeft daartoe kort gezegd het volgende naar voren gebracht.

Verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Het bewijs in deze zaak is hoofdzakelijk subjectief, omdat het grotendeels bestaat uit verklaringen van aangeefsters en getuigen. Daar moet behoedzaam mee worden omgegaan. Ten aanzien van de verklaringen van [benadeelde partij 1] geldt dat deze op onderdelen niet consistent zijn en daarnaast onvoldoende steun vinden in objectief bewijs. Dat geldt ook voor de verklaringen van [benadeelde partij 2] . Het dossier bevat verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Opvallend is dat zij beiden zeer verschillend verklaren over [benadeelde partij 2] , zodat hun verklaringen geen objectief steunbewijs voor de aangifte van [benadeelde partij 2] kunnen vormen. Voor de uitbuiting van [slachtoffer ] moet ook vrijspraak volgen, omdat van uitbuiting geen sprake is. [slachtoffer ] heeft – naar eigen zeggen – met verdachte samengewerkt, waarbij zij hem betaalde. Zij heeft het contact met verdachte kunnen verbreken op het moment dat zij dat wilde.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank bespreekt hieronder eerst of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de seksuele uitbuiting van [benadeelde partij 2] , daarna [benadeelde partij 1] en sluit af met de beoordeling van de beschuldiging over de uitbuiting van [slachtoffer ] . De rechtbank heeft voor deze volgorde gekozen omdat dit past binnen de chronologie van de verdenkingen en omdat zij de bevindingen in de zaak [benadeelde partij 2] ook van belang acht voor de beoordeling van het feitencomplex in de zaken [benadeelde partij 1] en [slachtoffer ] .

3.3.1.

Ten aanzien van feit 2 ( [benadeelde partij 2] )

De rechtbank is van oordeel dat feit 2 wettig en overtuigend is bewezen, met uitzondering van het onderdeel medeplegen. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van het volgende.

Verklaringen [benadeelde partij 2] vs. verklaringen verdachte

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van aangeefster [benadeelde partij 2] enerzijds en verdachte anderzijds op relevante onderdelen uiteen lopen. Zo stelt aangeefster - kort gezegd - dat zij voor verdachte in de prostitutie moest werken, dat zij al haar verdiende geld aan hem moest afstaan en dat hij geweld tegen haar gebruikte als zij niet wilde werken. Verdachte daarentegen heeft verklaard dat aangeefster vrijwillig in de prostitutie werkte, dat hij nooit geld van haar heeft ontvangen en dat hij nooit geweld tegen haar heeft gebruikt.

De rechtbank zal de lezing van aangeefster grotendeels volgen. Aangeefster heeft namelijk meerdere verklaringen afgelegd en deze zijn op hoofdlijnen consistent. Daar komt bij dat haar verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen, zoals getuigenverklaringen en rapporten van hulpverleners. De rechtbank zal hierna in het kort op de verschillende bewijsmiddelen ingaan.

Verklaringen [benadeelde partij 2]

heeft meerdere verklaringen afgelegd. Zij heeft in 2017 aangifte gedaan van mensenhandel en is in 2018 door de politie en bij de rechter-commissaris verhoord. In elk van deze verklaringen geeft [benadeelde partij 2] aan dat zij in de ten laste gelegde periode voor verdachte in de prostitutie heeft gewerkt en dat zij al haar verdiende geld aan hem moest afstaan. Als zij niet werkte, werd zij in elkaar geslagen. Ook verklaart [benadeelde partij 2] telkens dat verdachte haar mishandelde. Daarnaast bevat het dossier twee aangiftes van [benadeelde partij 2] uit 2012. Op 13 augustus 2012 heeft zij uitgebreid verklaard over de mishandelingen en bedreigingen die hadden plaatsgevonden sinds de aanvang van haar relatie met verdachte in maart 2009. Deze oudere verklaring sluit aan bij de verklaring die zij in 2017 en 2018 bij de rechter-commissaris en de politie heeft afgelegd.

Getuigenverklaringen

De broer van verdachte, getuige [naam broer] , verklaart in algemene bewoordingen dat verdachte meisjes voor zich liet werken in de prostitutie. Hij heeft dit zelf van zijn broer gehoord. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij met zijn broer, verdachte, en [benadeelde partij 2] in de woonkamer zat van haar woning en dat [benadeelde partij 2] wegging nadat er was aangebeld. Soms verliet zij daadwerkelijk de woning en in andere gevallen ging zij naar boven. Vervolgens kwam [benadeelde partij 2] terug en gaf zij geld aan verdachte. Ze was hopeloos verliefd op verdachte. Getuige [getuige 1] was een collega en leidinggevende van [benadeelde partij 2] bij escortservice [naam escortservice] . Zij verklaart dat zij [benadeelde partij 2] regelmatig thuis heeft opgevangen op het moment dat zij bij verdachte vertrokken was. Zij heeft regelmatig letsel bij aangeefster waargenomen en heeft haar telkens horen vertellen dat verdachte het had gedaan. Daarnaast is het [getuige 1] opgevallen dat aangeefster haar arbeidspatroon wijzigde en ook haar seksuele dienstverlening veranderde toen zij bij verdachte woonde: zij wilde ineens 7 dagen per week werken en was ook bereid om seksuele diensten te verrichten die zij eerder nooit deed, zoals anale seks en (orale) seks zonder condoom. Verdachte dreigde ook om de HIV-besmetting van [benadeelde partij 2] publiekelijk te maken.

De verklaringen van aangeefster vinden ook steun in de verklaring van getuige [getuige 2] , een neef van [getuige 1] en chauffeur bij [naam escortservice] . Hij heeft aangegeven dat aangeefster alleen zelf geld te besteden had op het moment dat zij had gebroken met verdachte. Op momenten dat zij met verdachte samen was had zij ineens geen geld meer te besteden, en kocht [getuige 2] bijvoorbeeld sigaretten voor haar. [getuige 2] heeft de schulden van [benadeelde partij 2] in beeld gebracht en heeft verklaard dat zij vanaf 2010 schulden heeft opgebouwd.

Betrouwbaarheid getuigen

Verdachte heeft meermalen aangegeven dat de verklaringen van getuigen subjectief zijn en hij heeft zich op de terechtzitting afgevraagd hoe kan worden aangetoond dat de verschillende verklaringen van aangeefsters en getuigen, de waarheid zijn. De rechtbank merkt op dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de drie voornoemde getuigen niet de waarheid spreken. Daarnaast zijn de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] betrouwbaar, omdat zij bij escortservice [naam escortservice] hebben gewerkt en in die hoedanigheid kennis hadden van de prostitutiewerkzaamheden van [benadeelde partij 2] .

Overige bewijsmiddelen

Er zijn overigens ook andere bewijsmiddelen die de verklaringen van [benadeelde partij 2] ondersteunen. Uit de gegevens die van verschillende hotels zijn ontvangen, blijkt dat verdachte en [benadeelde partij 2] beiden tientallen boekingen bij hotels hebben gedaan, met name in 2014. In dat jaar boekte verdachte 28 keer een hotel op zijn naam en [benadeelde partij 2] 45 keer. Van de in totaal 103 getraceerde hotelboekingen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 5 november 2017 werden er 95 gedaan op doordeweekse dagen.

Daarnaast is er onderzoek gedaan naar verdachtes inkomen. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat verdachte in de jaren waarvan [benadeelde partij 2] zegt dat zij haar verdiensten aan verdachte moest afstaan, heel weinig eigen legaal inkomen had. Het is extra opvallend dat verdachte in het jaar 2016 wel een legaal modaal inkomen had, terwijl de uitbuiting volgens [benadeelde partij 2] tot januari 2015 duurde. Ook in 2017 is het legaal inkomen van verdachte veel hoger dan het inkomen dat hij in 2009 tot 2015 genoot. Verdachte heeft verklaard dat hij door de jaren heen veel geld zwart heeft bijverdiend bij een bepaald restaurant in Amsterdam. Niettemin kon hij ter zitting de naam en het adres van dit restaurant niet noemen. Zijn moeder, bij wie verdachte regelmatig in huis heeft gewoond, heeft bovendien verklaard niet te weten wat voor werk verdachte had. De politie heeft verdachte op 12 december 2017 ondervraagd over zijn werk van de afgelopen jaren. Destijds heeft hij verklaard via uitzendbureaus te hebben gewerkt, onder andere in de transport en magazijnwerk. Dit was bekend bij de Belastingdienst. Gelet op deze omstandigheden gaat de rechtbank voorbij aan de verklaring van verdachte dat hij met het werk bij het restaurant voldoende kon verdienen om in zijn levensonderhoud te voorzien.

Ten slotte heeft de rechtbank kennis genomen van de rapportages van SHOP (Stichting Hulpverlening en Opvang Prostituees en slachtoffers van mensenhandel) en Terwille. Daartussen bevindt zich onder andere een brief van 15 augustus 2011, van psychotherapeut R.W. Koks. Hij beschrijft dat [benadeelde partij 2] een relatie had met een man die haar manipuleerde en dwong in de prostitutie. Zij heeft tijdens haar behandeling twee keer de kliniek verlaten om naar haar ex-vriend te gaan. In het verslag van de intake bij Stichting Terwille, gedateerd 9 februari 2012, wordt als hulpvraag omschreven dat [benadeelde partij 2] wil breken met haar leven als prostituee en met het leven in afhankelijkheid van haar toenmalige pooier. Ook heeft SHOP op 18 april 2012 aan GGN Deurwaarders bericht dat [benadeelde partij 2] van 2009 tot eind januari 2012 in de prostitutie heeft gewerkt en haar inkomsten heeft afgestaan aan haar ex. Uit al deze verklaringen en rapporten komt naar voren dat aangeefster, hoewel zij niet in de prostitutie wilde werken en niet meer afhankelijk van verdachte wilde zijn, telkens toch naar verdachte terugging.

Tussenconclusie

De rechtbank zal op grond van het voorgaande, uitgaan van de lezing van [benadeelde partij 2] . Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of dit feitencomplex moet worden gekwalificeerd als mensenhandel.

Juridisch kader

Bij de beoordeling of sprake is van mensenhandel zoals bedoeld in artikel 273f, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr), wordt gekeken of sprake is van drie bestanddelen, te weten (een aantal) dwangmiddelen, (een aantal) handelingen en het oogmerk van uitbuiting. Voor niet alle subonderdelen geldt dat de vaststelling van al deze bestanddelen nodig is om tot een bewezenverklaring te komen.

Het bestanddeel ‘(oogmerk van) uitbuiting’ is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de (niet limitatieve) opsomming in artikel 273f, tweede lid Sr van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten. De vraag of en, zo ja, wanneer sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van de onderhavige bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van voornoemde vraag komt in elk geval betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengen, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Van een situatie van seksuele uitbuiting is blijkens de wetsgeschiedenis sprake als betrokkene verkeert in een situatie die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een Nederlandse mondige prostituee verkeert.

Sub 1: dwangmiddelen, gedragingen en oogmerk van uitbuiting

Voor een bewezenverklaring van dit onderdeel moet sprake zijn van ten eerste één of meer dwangmiddelen en ten tweede één of meer gedragingen. Ten derde moet er bij de verdachte sprake zijn van het oogmerk om het slachtoffer uit te buiten.

Dwangmiddelen

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte tegen [benadeelde partij 2] gebruik gemaakt van de dwangmiddelen geweld, een andere feitelijkheid, dreiging met geweld, misleiding en misbruik van een kwetsbare positie.

Geweld

Verdachte heeft [benadeelde partij 2] regelmatig geschopt en geslagen als zij niet (meer) wilde werken. Ook was er sprake van geweld in de relationele sfeer, waardoor verdachte [benadeelde partij 2] zijn wil kon opleggen, ook als het ging om het werken in de prostitutie.

Een andere feitelijkheid

Aangeefster was HIV positief, en verdachte was hiervan op de hoogte. Hij heeft niettemin herhaaldelijk gedreigd deze persoonlijke, medische informatie gegeven openbaar te maken en hij heeft daadwerkelijk een bericht gestuurd naar [naam escortservice] met de mededeling dat [benadeelde partij 2] besmet was met HIV.

Dreiging met geweld

Uit de verklaringen van aangeefster volgt ook dat verdachte haar met de dood bedreigde. Dat verdachte effectief met geweld dreigde volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de omstandigheid dat verdachte daadwerkelijk geweld tegen haar heeft gebruikt.

Misleiding

Van misleiding is sprake als een verdachte een slachtoffer doelbewust een onjuiste voorstelling van zaken geeft. Verdachte heeft [benadeelde partij 2] volgens haar verklaring de indruk gegeven dat hij ook van haar hield en hij heeft haar te kennen gegeven dat zij haar verdiende geld bij hem in bewaring kon geven, zodat dat gespaard kon worden. Hij heeft al haar verdiensten afgenomen en het doen voorkomen dat hij daarbij niet handelde uit puur financieel gewin, maar als liefdespartner van [benadeelde partij 2] . Ook [slachtoffer ] heeft verklaard dat [benadeelde partij 2] dacht dat ze een relatie had met verdachte. Volgens [slachtoffer ] ging het echter om een eenzijdige relatie. Daarmee is de misleiding bewezen. Daarbij is ook van belang dat de verschillende dwangmiddelen niet los van elkaar kunnen worden gezien en het juist de samenhang en de interactie tussen die dwangmiddelen het onttrekken aan een (mogelijke) uitbuitingsituatie onmogelijk kunnen maken.

Misbruik van de kwetsbare positie

Met een kwetsbare positie wordt een situatie bedoeld waarin de betrokkene geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan. De keuzemogelijkheden voor het slachtoffer ontbreken of zijn verminderd. Aangeefster [benadeelde partij 2] heeft verklaard dat zij, ondanks dat zij niet in de prostitutie wilde werken, telkens toch weer naar verdachte terug ging of contact met hem zocht, waarna zij telkens weer in de prostitutie belandde. Op de vraag waarom dat telkens weer gebeurde, geeft zij aan dat zij dat niet goed weet. Zij verklaart ook dat zij niet sterk in haar schoenen stond, en dat verdachte soms heel lief tegen haar deed. Ten slotte verklaart [benadeelde partij 2] dat zij ook wel contact met verdachte zocht omdat zij zich eenzaam voelde en verslaafd was aan verdachte. Haar kwetsbare positie wordt bevestigd door getuige [getuige 1] . Herhaaldelijk heeft deze getuige in haar woning [benadeelde partij 2] opgevangen, ook nadat verdachte haar had mishandeld, maar steeds keerde zij terug bij verdachte. Als verdachte naar [benadeelde partij 2] belde, raakte zij in paniek, werd bang, ging trillen en werd onderdanig. De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande blijkt dat [benadeelde partij 2] afhankelijk was van verdachte.

Dit blijkt niet alleen uit de verklaringen van aangeefster en van getuigen, maar ook uit de bevindingen van de hulpverlening. [benadeelde partij 2] heeft kenmerken van borderline en een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. Zij heeft meerdere malen geprobeerd om de situatie te ontvluchten, onder meer door twee keer voor een periode van drie maanden deel te nemen aan een project voor loverboyslachtoffers in Frankrijk. Enerzijds kiest [benadeelde partij 2] er dus meermalen voor om verdachte de rug toe te keren, maar anderzijds is zij zelf degene die kort na terugkeer uit Frankrijk weer het contact met verdachte zoekt. Blijkbaar was de invloed van verdachte op aangeefster zo groot, dat het jaren heeft geduurd voor zij zich daadwerkelijk aan een leven met verdachte kon onttrekken.

Gedragingen

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene tevens volgt dat verdachte met voornoemde middelen [benadeelde partij 2] heeft geworven, vervoerd en gehuisvest.

Oogmerk van uitbuiting

Mensenhandel is gericht op uitbuiting. In relatie tot de seksindustrie spreken de wetgever (Kamerstukken II, 1988-1989, 21 207, nr. 3, blz. 3 e.v.) en de Hoge Raad van een uitbuitingssituatie indien de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren (Vergelijk: HR 5 februari 2002, LJN AD5235).

Van omstandigheden vergelijkbaar met de situatie waarin een mondige prostituee verkeert is, gelet op de gebruikte dwangmiddelen en gedragingen, in deze situatie geen sprake. Immers kon aangeefster niet zelf bepalen hoeveel ze werkte en welke seksuele diensten zij verleende. Daar komt bij dat zij jarenlang al haar verdiende geld aan verdachte af moest staan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat is bewezen dat verdachte het oogmerk had op de uitbuiting van [benadeelde partij 2] .

Sub 3, 4, 6 en 9

Op grond van hetgeen ten aanzien van sub 1 is overwogen kunnen ook de dwang (sub 4), het opzettelijk voordeel trekken (sub 6) en het dwingen te bevoordelen (sub 9) worden bewezen.

3.3.2.

Ten aanzien van feit 1 ( [benadeelde partij 1] )

De rechtbank is van oordeel dat ook feit 1 wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van het volgende. Bij haar beoordeling heeft de rechtbank gebruik gemaakt van hetzelfde juridisch kader zoals hiervoor onder 3.3.1. weergegeven.

[benadeelde partij 1] heeft - kort gezegd - verklaard dat zij voor verdachte in de prostitutie heeft gewerkt, en dat zij haar verdiensten aan hem moest afstaan. Verdachte daarentegen heeft – samengevat – verklaard dat [benadeelde partij 1] vrijwillig in de prostitutie werkte, dat hij daar af en toe behulpzaam bij was en dat zij haar verdiensten niet aan hem heeft afgestaan.

De rechtbank zal de verklaring van [benadeelde partij 1] volgen, omdat deze – in tegenstelling tot verdachtes lezing – steunt vindt in andere bewijsmiddelen. Zo verklaart de broer van verdachte, getuige [naam broer] , dat [benadeelde partij 1] voor verdachte in de prostitutie werkte. Ook de verklaring van [getuige 3] en de bevindingen uit het onderzoek naar de locaties van de telefoons van verdachte en [benadeelde partij 1] ondersteunen de verklaring van [benadeelde partij 1] . Daar komt bij dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij een advertentie op Kinky.nl regelde voor verdachte en dat hij deze regelmatig heeft ‘opgeplust’. [benadeelde partij 1] heeft verder verklaard dat zij voor [naam 1] en [naam 2] in de prostitutie werkte en dat zij hiermee wilde stoppen. Vervolgens heeft verdachte haar bij [naam 1] en [naam 2] vandaan gehaald, omdat zij haar mishandelden en haar de verdiensten uit prostitutie afnamen. [benadeelde partij 1] heeft toen verdachte gebeld en deze heeft geregeld dat zij in een hotel in de buurt van zijn woning kon overnachten. [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat zij verdachte als een redder zag. Vervolgens kon verdachte het mooi tegen haar spelen, aldus [benadeelde partij 1] . Na 2 nachten in een hotel te hebben geslapen, zogenaamd om haar te beschermen, moest zij de kosten voor de hotelovernachtingen terug verdienen door voor verdachte in de prostitutie te gaan werken. Deze verklaring wordt ondersteund door gegevens van hotel New West Inn, waaruit blijkt dat verdachte een hotelkamer vlakbij zijn woning heeft geboekt van 22 op 23 april 2017.

Uitgaande van de verklaring van [benadeelde partij 1] ziet de rechtbank overeenkomsten tussen de wijze waarop verdachte is omgegaan met [benadeelde partij 2] . Zowel bij [benadeelde partij 2] als bij [benadeelde partij 1] is er sprake van een afhankelijke/kwetsbare vrouw. Verdachte komt in beide gevallen in eerste instantie behulpzaam en attent over. Vervolgens heeft hij met verleidingstechnieken deze kwetsbare vrouwen zodanig aan zich gebonden, dat hij ze voor hem kon laten werken als prostituee en hun verdiensten af kon laten staan. Beiden voelden zich geïsoleerd van hun omgeving. [benadeelde partij 1] heeft daarover verklaard dat zij niet wist waar ze naartoe moest gaan als ze bij hem zou zijn weggelopen. Ook werden zij onder druk gezet om te werken. Zo heeft [benadeelde partij 1] ook verklaard dat verdachte zou hebben gedreigd aan haar vrienden en vriendinnen bekend te maken dat zij als prostituee werkte. Dat verdachte ten aanzien van [benadeelde partij 1] min of meer dezelfde listige, misleidende manier van doen toepast als hij bij [benadeelde partij 2] het geval was, sterkt de rechtbank in de overtuiging dat de lezing van [benadeelde partij 1] juist is.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte tegen [benadeelde partij 1] dan ook gebruik gemaakt van het middel ‘misbruik van een kwetsbare positie’. Zoals hiervoor is overwogen wilde aangeefster niet meer voor [naam 1] en [naam 2] in de prostitutie werken, en was verdachte degene die haar heeft meegenomen en in een hotel heeft ondergebracht. [benadeelde partij 1] zag verdachte als degene die haar had gered en beschermde tegen eerdergenoemde [naam 1] en [naam 2] . Dat maakt dat aangeefster op dat moment in een kwetsbare positie verkeerde. Verdachte heeft hier misbruik van gemaakt door aangeefster vervolgens de kosten voor de hotelovernachtingen terug te laten betalen door haar in de prostitutie te laten werken en haar werkzaamheden voort te zetten, terwijl zij haar verdiensten aan verdachte moest afstaan.

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen tevens volgt dat verdachte met voornoemd middel [benadeelde partij 1] heeft geworven, vervoerd en gehuisvest. Hij heeft haar ondergebracht in een hotel, heeft haar naar hotels en klanten gebracht en heeft haar aangezet om verder te gaan met de prostitutie op een moment dat zij zelf wilde stoppen met het werken in de prostitutie voor een ander.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat het bestanddeel ‘oogmerk van uitbuiting’ is bewezen. [benadeelde partij 1] heeft al haar prostitutie-verdiensten aan verdachte af moeten staan. Dat is geen situatie die gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren.

Op grond van hetgeen ten aanzien van sub 1 is overwogen kunnen ook de dwang (sub 4), het opzettelijk voordeel trekken (sub 6) en het dwingen te bevoordelen (sub 9) worden bewezen.

3.3.3.

Ten aanzien van feit 3 ( [slachtoffer ] )

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan. Hij zal daarom van dit feit worden vrijgesproken. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van het volgende.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat er sprake is geweest van misleiding. [slachtoffer ] verklaart immers zelf dat zij niet vóór verdachte in de prostitutie werkte, maar mét hem. Zij maakte zelf afspraken met klanten en heeft zelf aan verdachte gevraagd of hij haar chauffeur/beveiliger wilde zijn. Anders dan bij [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] het geval is, regelt [slachtoffer ] naar eigen zeggen zelf haar zaakjes en hoeft zij ook niet al haar verdiende geld aan verdachte af te staan. Uit haar eigen verklaring blijkt ook niet van één van de overige ten laste gelegde dwangmiddelen. Het feit dat zij de prostitutie inging om van haar schulden af te komen, maakt nog niet dat er sprake is geweest van misbruik door verdachte van een kwetsbare positie. Getuigenverklaringen en overige bevindingen weerleggen ook niet het beeld dat [slachtoffer ] schetst van haar werk als mondige prostituee. De rechtbank komt daarom tot de slotsom dat, nu niet is bewezen dat van één of meer dwangmiddel(en) sprake is, niet is bewezen dat er sprake is van mensenhandel, zodat verdachte wordt vrijgesproken.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II bij dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

feit 1

in de periode van 26 april 2017 tot en met 25 mei 2017 te Amsterdam en Utrecht, een ander te weten [benadeelde partij 1] (geboren [geboortedatum] )

(sub 1)

door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van [benadeelde partij 1]

en

(sub 4)

die [benadeelde partij 1] telkens met voornoemd middel heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: escort- en prostitutiewerkzaamheden)

en

(sub 6)

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [benadeelde partij 1]

en

(sub 9)

die [benadeelde partij 1] met voornoemd middel heeft bewogen hem, verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [benadeelde partij 1] met of voor een derde

immers heeft hij, verdachte,

ten aanzien van die [benadeelde partij 1] (terwijl hij wist dat die [benadeelde partij 1] in een slechte financiële situatie verkeerde en net gevlucht was van haar pooiers en bescherming zocht en onzeker was)

- die [benadeelde partij 1] onder druk gezet en er zodoende toe aangezet om in de prostitutie te blijven werken en

- die [benadeelde partij 1] in een hotel ondergebracht om haar zogenaamd te beschermen en

- die [benadeelde partij 1] voorgehouden dat zij de kosten voor de hotelkamers moest terugverdienen met prostitutiewerkzaamheden en

- die [benadeelde partij 1] haar verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden telkens af laten staan en

- voor die [benadeelde partij 1] seksafspraken met klanten gemaakt en prijsafspraken met klanten gemaakt en

- voor die [benadeelde partij 1] hotelkamers geboekt voor seksafspraken en

- die [benadeelde partij 1] naar seksafspraken gebracht;

feit 2

op tijdstippen gelegen in de periode van 1 maart 2009 tot en met 31 januari 2015 te Amsterdam en Heemskerk en elders in Nederland een ander te weten [benadeelde partij 2] (geboren [geboortedatum] ) telkens

(sub 1)

door geweld en een andere feitelijkheid en door dreiging met geweld en door misleiding en door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van [benadeelde partij 2] en

(sub 4)

die [benadeelde partij 2] telkens met één van de voornoemde middelen heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: escort- en prostitutiewerkzaamheden)

en

(sub 6)

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [benadeelde partij 2]

en

(sub 9)

die [benadeelde partij 2] met één of meer van de voornoemde middelen heeft bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [benadeelde partij 2] met of voor een derde

immers heeft hij, verdachte, ten aanzien van die [benadeelde partij 2]

- die [benadeelde partij 2] doen voorkomen alsof zij een liefdesrelatie hadden en die [benadeelde partij 2] voorgehouden dat hij, verdachte, voor haar zou sparen en

- voornoemde liefdesrelatie gebruikt om die [benadeelde partij 2] onder druk te zetten en er zodoende toe aangezet en gebracht om voor hem, verdachte, in de prostitutie te blijven werken en

- die [benadeelde partij 2] meermalen ernstig mishandeld door haar te slaan en te schoppen en

- die [benadeelde partij 2] gechanteerd door te dreigen dat hij, verdachte, bekend zou maken dat die [benadeelde partij 2] HIV besmet is en

- die [benadeelde partij 2] bewogen om zeven dagen per week in de prostitutie te werken en

- ervoor gezorgd dat die [benadeelde partij 2] met een advertentie op de site www.kinky.nl kwam te staan en

- voor die [benadeelde partij 2] hotelkamers geboekt voor seksafspraken en die [benadeelde partij 2] naar hotelkamers gebracht (met de auto) en vervolgens de hotelkamer verlaten als er klanten kwamen en

- die [benadeelde partij 2] haar verdiensten uit prostitutiewerkzaamheden telkens af laten staan en

- voor die [benadeelde partij 2] seksafspraken met klanten gemaakt en prijsafspraken met klanten gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf en maatregel

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een contactverbod met [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [slachtoffer ] wordt opgelegd.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat, in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, een lagere straf moet worden opgelegd dan door de officier van justitie is geëist.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich twee keer schuldig gemaakt aan mensenhandel, een ernstig strafbaar feit. Uit de verklaringen van aangeefsters komt een beeld naar voren van een man met twee gezichten: enerzijds de schijnbaar charmante man, die door de slachtoffers werd vertrouwd of op wie ze verliefd werden. Anderzijds is er het beeld van de mensenhandelaar, die zichzelf heeft verrijkt door vrouwen uit te buiten in de prostitutie. Daarbij deinsde verdachte er niet voor terug om regelmatig (fors) geweld tegen een van de slachtoffers te gebruiken. Verdachte heeft slechts zijn eigen financieel gewin voor ogen gehad, zonder ook maar enige rekening te houden met de belangen van de slachtoffers. Met name aangeefster [benadeelde partij 2] , die gedurende een zeer lange periode van bijna zes jaren is uitgebuit, is zeer veel leed aangedaan. Dat verdachtes invloed op haar ver reikte, blijkt wel uit de omstandigheid dat zij tot drie keer toe heeft geprobeerd om uit de invloedsfeer van verdachte te komen. Opnames in een project voor loverboyslachtoffers en deelname aan een uitstapprogramma bleken tevergeefs. Het spreekt voor zich dat de jarenlange uitbuiting haar diepe sporen bij [benadeelde partij 2] heeft nagelaten. Uit het dossier blijkt dat zij nog steeds te kampen heeft met psychische klachten. Dat geldt ook voor aangeefster [benadeelde partij 1] . Zij is haar vertrouwen in mensen kwijt en is er niet aan toe om over de uitbuiting te praten. Dat weerhoudt haar ervan om zich onder behandeling van een psycholoog te stellen.

Naast de ernst van de feiten, de lange duur van de uitbuiting van [benadeelde partij 2] en het geweld dat verdachte heeft gebruikt, weegt de rechtbank mee dat verdachte een strafblad heeft en dat hij niet heeft laten blijken het kwalijke van zijn handelen in te zien. Ter zitting heeft hij blijk gegeven van een berekenende proceshouding: hij heeft erkend wat onmiskenbaar uit bewijsmiddelen is gebleken en heeft voor het overige stellig alles ontkend.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat slechts een lange, onvoorwaardelijke gevangenisstraf recht doet aan de ernst van de feiten. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft ook zes jaar gevangenisstraf geëist, maar dat was mede gebaseerd op bewezenverklaring van feit 3, waarvan de rechtbank verdachte vrijspreekt. De rechtbank legt dus feitelijk een hogere gevangenisstraf op dan de officier van justitie heeft geëist. Zij acht dit passend en geboden, met name gezien de lange duur en het schaamteloze, gewelddadige karakter van de uitbuiting van [benadeelde partij 2] .

Ten aanzien van het contactverbod

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vrouw van verdachte contact heeft gehad met aangeefster [benadeelde partij 2] . Gelet op het leed dat verdachte [benadeelde partij 2] heeft aangedaan, is het onwenselijk dat hij, rechtstreeks dan wel via zijn vrouw, contact met haar heeft. De rechtbank zal daarom een contactverbod met [benadeelde partij 2] opleggen. Daarbij realiseert de rechtbank zich dat verdachte en [benadeelde partij 2] samen een kind hebben. Uiteraard beoogt de rechtbank niet om een goed verloop van een eventuele omgangsregeling te frustreren. Mogelijk kan het contact dat zij moeten hebben met betrekking tot hun dochter, via een derde verlopen. Daarnaast zal de rechtbank een contactverbod opleggen met [benadeelde partij 1] . Voor het geval dat verdachte het contactverbod overtreedt, bepaalt de rechtbank dat deze overtreding wordt bestraft met één week hechtenis. De maatregel zal als dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

8 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

8.1.

Vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij, [benadeelde partij 1] , vordert € 18.750,00 aan materiële schadevergoeding en € 5.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft kort gezegd het volgende aangevoerd.

[benadeelde partij 1] verklaart wisselend over het aantal dagen dat zij wekelijks werkte en over haar verdiensten. Een conservatieve berekening, die uitgaat van 5 dagen per week, € 500,00 per dag en 7,5 week lang, levert een bedrag aan materiële schade op van € 18.750,00. Nu de ten laste gelegde periode 5,5 week bedraagt, kan een bedrag van € 13.750,00 aan materiële schade worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade geldt dat de periode misschien niet heel lang is, maar wat zij heeft meegemaakt is wel bijzonder heftig. Daarom is een bedrag van € 5.000,00 passend.

8.1.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 15.000,00, omdat ten aanzien van de materiële schade dient te worden uitgegaan van een gewerkte periode van een maand. Daarnaast dient het bedrag te worden vermeerderd met de wettelijke rente en dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

8.1.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de benadeelde partij ten aanzien van de vordering tot vergoeding van de materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat niet kan worden vooruitgelopen op de procedure tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman matiging bepleit, omdat de benadeelde partij op eigen initiatief in de prostitutie is gaan werken en omdat – in het geval van een bewezenverklaring – er sprake is van een kortere gewerkte periode dan gevorderd.

8.1.3.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de uitkomst van de ontnemingsprocedure niet hoeft te worden afgewacht om een beslissing te kunnen nemen over de vordering van de benadeelde partij. Een ontnemingsprocedure ziet immers op het door verdachte daadwerkelijk behaalde voordeel (opbrengsten minus kosten), terwijl de vordering benadeelde partij ziet op de door het slachtoffer geleden materiële en immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogte van de materiële schade gaat de rechtbank uit van de berekening die de raadsvrouw van de benadeelde partij heeft gehanteerd, met dien verstande dat de rechtbank uitgaat van een gewerkte periode van 4 weken, zoals ook is bewezenverklaard. De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade tot een bedrag van in totaal € 10.000,00 zal worden toegewezen.

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 5.000,00.

Conclusie

De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 15.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 april 2017. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [benadeelde partij 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 15.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf
25 april 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

8.2.

Vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij, [benadeelde partij 2] , vordert € 589.150,00 aan materiële schadevergoeding en € 45.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft kort gezegd het volgende aangevoerd.

Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van de materiële schade is aansluiting gezocht bij het ontnemingsrapport. De gemaakte kosten zijn daarbij van de totale opbrengst afgetrokken, vandaar het bedrag van € 589.150,00. Ten aanzien van de immateriële schade is uitgegaan van een bedrag van € 1.000,00 per maand, terwijl de ten laste gelegde periode 45 maanden betreft.

8.2.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [benadeelde partij 2] geheel dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de benadeelde partij ten aanzien van de vordering tot vergoeding van de materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat niet kan worden vooruitgelopen op de procedure tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman ook niet-ontvankelijkheid bepleit, omdat er al een bedrag van € 10.000,00 is gecompenseerd, in de vorm van een uitkering door het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

8.2.3.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de uitkomst van de ontnemingsprocedure niet hoeft te worden afgewacht om een beslissing te kunnen nemen over de vordering van de benadeelde partij, zoals hiervoor reeds is overwogen inzake de vordering van [benadeelde partij 1] . Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank is van oordeel dat niet eenvoudig is vast te stellen hoe hoog het bedrag aan gederfd inkomen (en daarmee het bedrag aan materiële schade) van [benadeelde partij 2] precies is. Immers is [benadeelde partij 2] gedurende de bewezenverklaarde periode niet doorlopend voor verdachte aan het werk geweest. Zowel uit de verklaringen van verdachte als de verklaringen van [benadeelde partij 2] blijkt dat zij soms een periode weg was bij verdachte en haar inkomsten voor zichzelf hield. Op basis van het dossier is niet eenvoudig vast te stellen om welke perioden het precies gaat en hoe lang deze duurden.

Het voorgaande betekent echter niet dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. De rechtbank kan, op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek, de omvang van de schade schatten. In dit geval kan met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de benadeelde partij over de bewezenverklaarde periode € 300.000,00 aan verdachte heeft moeten afstaan. De rechtbank komt tot dit bedrag door een conservatieve schatting te maken en daarbij uit te gaan van een gemiddeld inkomen per week van € 2.000,00 en een gewerkt aantal weken van 150. De rechtbank weegt hierbij mee dat door of namens verdachte niet aannemelijk is gemaakt dat van een andere berekening moet worden uitgegaan. Het voorgaande maakt dat ten aanzien van de post ‘afgenomen winst uit prostitutie’ een bedrag van € 300.000,00 wordt toegewezen. Daarnaast zal de rechtbank de vordering ten aanzien van de post ‘verwijderen tatoeages’ á € 1.000,00 toewijzen.

De rechtbank concludeert daarom dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 301.00,00 zal worden toegewezen.

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 25.000,00. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade ook rekening gehouden met hetgeen is overwogen ten aanzien van de materiële schade.

Conclusie

De vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 326.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2009. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer, [benadeelde partij 2] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 326.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2009 tot aan de dag van de algehele voldoening.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 38v, 38w, 57, 63 en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

‘mensenhandel, meermalen gepleegd’

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van ZES (6) JAREN.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van vijf (5) jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt een (1) week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde

maatregel niet op.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en zich belastend zal gedragen jegens bepaalde personen beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.

Gelast de teruggave aan verdachte van: personenauto [kenteken] , PEUGEOT 206 (5479171).

Wijst de vordering van [benadeelde partij 1] toe tot € 15.000,00 (zegge: vijftienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 april 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] , tot € 15.000,00 (zegge: vijftienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 april 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van honderdtien (110) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [benadeelde partij 2] toe tot € 326.000,00 (zegge: driehonderdzesentwintigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2009 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] , € 326.000,00 (zegge: driehonderdzesentwintigduizend euro) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 365 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. I. Verstraeten-Jochemsen en P.J.H. van Dellen, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. D.C. Wagter en S. Boonen, griffiers

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 oktober 2018.

mr. S. Boonen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.