Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7398

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2018
Datum publicatie
06-11-2018
Zaaknummer
C/13/654394 / KG ZA 18-983 MvdV/MB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering verbod gebruik maken van in het kader van arbeidsconflict opgesteld rapport afgewezen. Geen strijd met AVG. Niet zonder meer aannemelijk dat onderzoeksbureau vergunning op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus nodig heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1269
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: C/13/654394 / KG ZA 18-983 MvdV/MB

Vonnis in kort geding van 10 oktober 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres bij dagvaarding op verkorte termijn van 20 september 2018,

advocaat mr. A.W. Duthler te 's-Gravenhage,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SANQUIN PLASMA PRODUCTS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. W.M. Hes te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Sanquin worden genoemd.

1 De procedure

Ter zitting van 26 september 2018 heeft [eiseres] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Sanquin heeft aan de hand van een vooraf ingezonden Conclusie van Antwoord, verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. [eiseres] heeft producties in het geding gebracht en beide partijen hebben hun standpunt doen toelichten aan de hand van een pleitnota. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig:

aan de zijde van [eiseres] : [eiseres] met mr. H.C.M.G. Dietz, kantoorgenoot van mr. Duthler;

aan de zijde van Sanquin: [naam 1] (hierna: [naam 1] ), [functie] ,

mr. Hes en zijn kantoorgenoot mr. D.J.A. Vesters.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is bij Sanquin in dienst sinds 1 mei 2017, op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, aanvankelijk als Project Manager en sinds 27 juli 2017 als Program Manager.

2.2.

Eind 2017 heeft Sanquin de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De kantonrechter heeft dat verzoek afgewezen en Sanquin bevolen [eiseres] weder te werk te stellen.

2.3.

Vanaf 1 maart 2018 was [eiseres] tijdelijk arbeidsongeschikt.

2.4.

Sanquin heeft [eiseres] op 19 april 2018 bij brief op non-actief gesteld en een onderzoek naar haar gedrag aangekondigd. In deze brief staat onder meer:

With this letter I confirm your suspension which has been discussed with you in our meeting on Thursday the 19th of April 2018. In our meeting I have explained the reason for your suspension, in short because I have been made aware that your behavior towards at least one employee has resulted in a threatening and intimidating work environment. I have asked [naam bedrijf] (een onderzoeks- en trainingsbureau, hierna [naam bedrijf] , vzr.) to conduct the investigation into the situation on behalf of Sanquin. You will be contacted by them regarding further steps. (…) I’m confident that you have been informed sufficiently. If you have any questions, you can contact me via e-mail or by telephone.”

2.5.

Op 26 april 2018 heeft [naam bedrijf] [eiseres] uitgenodigd voor een interview in verband met ‘an investigation of reports of undesirable forms of conduct on your part.’

2.6.

In een e-mail van 27 april 2018 heeft [eiseres] [naam bedrijf] verzocht om nadere informatie over de ‘investigation’.

2.7.

Bij e-mail van 30 april 2018 heeft [naam bedrijf] aan [eiseres] uiteengezet dat het onderzoek zich met name richtte op het gedrag van [eiseres] ten opzichte van een andere (met name genoemde) medewerker van Sanquin. Er zou sprake zijn van “ ‘signals of improper behaviour’ (signalen van ongewenst gedrag)”.

2.8.

Het interview heeft op 1 mei 2018 plaatsgevonden.

2.9.

In diverse e-mails in juni en juli 2018 heeft [eiseres] aan [naam bedrijf] vragen gesteld naar de rechtmatigheid van het onderzoek en de verwerking van haar persoonsgegevens.

2.10.

Het onderzoek van [naam bedrijf] heeft geresulteerd in een rapport (hierna: het Rapport), waarvan een concept is opgesteld op 10 augustus 2018 en de definitieve versie op 23 augustus 2018.

2.11.

Bij e-mail van 23 augustus 2018 heeft [naam 1] namens Sanquin aan [eiseres] meegedeeld de arbeidsovereenkomst met haar te willen beëindigen. In deze e-mail staat onder meer:

[naam bedrijf] have now concluded the independent investigation I requested. They have prepared a report, a copy of which I have attached to this email. Based upon the conclusions drawn in the report we come to the conclusion that a) your actions towards a colleague have been inappropriate and b) you have been responsible for creating a hostile working environment. Furthermore we have come to the conclusion that there is an irreparable breach in trust as well as in the working relationship with you. This is not only demonstrated in the report but also in the way that you have recently communicated with us.”

In de e-mail staat ook dat gestreefd wordt naar een beëindigingsovereenkomst en dat een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter zal worden ingediend, indien een overeenkomst niet tot stand komt. Bij de e-mail is het Rapport meegezonden.

2.12.

Op 24 augustus 2018 heeft [eiseres] een klacht ingediend bij de Autoriteit Persoonsgegevens tegen [naam bedrijf] .

2.13.

Op 27 augustus 2018 zijn aan [eiseres] op haar verzoek ook de bijlagen van het rapport toegezonden.

2.14.

Op 10 september 2018 heeft [eiseres] aangifte gedaan tegen [naam bedrijf] wegens overtreding van artikel 2 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wbpr).

2.15.

Bij brief van 11 september 2018 heeft [eiseres] aan Sanquin verzocht haar persoonsgegevens, waarbij gedoeld wordt op het Rapport, te wissen, omdat deze volgens [eiseres] onrechtmatig zijn verkregen, onder meer omdat [naam bedrijf] niet over een vergunning voor recherchewerkzaamheden beschikt. [eiseres] heeft Sanquin verzocht om binnen twee kalenderdagen aan haar mee te delen of aan dit verzoek zou worden voldaan.

2.16.

Op 17 september 2018 heeft [eiseres] een verzoekschrift ingediend bij deze rechtbank, om [naam bedrijf] en Sanquin te veroordelen om te voldoen aan de verzoeken van [eiseres] , binnen zeven dagen na afgifte van de beschikking:

- tot inzage van alle door [naam bedrijf] verwerkte persoonsgegevens van haar;

- voor zover nodig tot beperking van de verwerking daarvan;

- tot vernietiging van de door [naam bedrijf] verwerkte persoonsgegevens van [eiseres] bij Sanquin, onder overlegging van een overzicht daarvan.

Dit alles op straffe van dwangsommen, met (hoofdelijke) veroordeling van [naam bedrijf] en Sanquin tot betaling van schadevergoeding en de proceskosten.

2.17.

Sanquin heeft aan de verzoeken van [eiseres] niet voldaan en een minnelijke regeling over het einde van de arbeidsovereenkomst is niet tot stand gekomen.

3. Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, samengevat, op straffe van verbeurte van dwangsommen en met veroordeling van Sanquin in de proceskosten:

a. om Sanquin te verbieden het Rapport (inclusief het concept daarvan) met de daarin vervatte informatie over [eiseres] te gebruiken en verder te verwerken, totdat de rechter een definitief oordeel heeft geveld over de verzoeken van [eiseres] tot inzage, beperking van de verwerking en wissing van haar persoonsgegevens;

b. Sanquin te veroordelen ervoor te zorgen dat het (concept) Rapport wordt afgezonderd, om er zeker van te zijn dat het, in afwachting van het rechterlijk oordeel als bedoeld onder a, niet verder wordt gebruikt.

3.2.

Sanquin voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen zijn verwikkeld in een arbeidsgeschil. Sanquin heeft inmiddels – zoals ter zitting meegedeeld diezelfde dag, op 26 september 2018 – na de afwijzing eind 2017 (zie 2.2) een nieuw verzoek ingediend bij de kantonrechter tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [eiseres] . Voorshands wordt er, anders dan [eiseres] heeft gesuggereerd, van uitgegaan dat het tweede verzoek los staat van het eerdere ontbindingsverzoek. Geen van partijen heeft daarvan de onderliggende stukken in het geding gebracht en Sanquin heeft onweersproken gesteld dat de gebeurtenissen die aanleiding zijn geweest voor het huidige verzoek zich hebben voorgedaan nadat de eerdere procedure was afgerond. Er is daarom vooralsnog onvoldoende aanleiding om de voorgeschiedenis bij deze zaak te betrekken. Ook de eventuele arbeidsongeschiktheid van [eiseres] wordt in dit kort geding buiten beschouwing gelaten, alleen al omdat daarover geen eenduidigheid bestaat. [eiseres] stelt ziek te zijn, maar volgens Sanquin heeft de Arbo-arts haar per 21 april 2018 volledig arbeidsgeschikt geacht, waar, volgens Sanquin geen second opinion of ander deskundigenoordeel tegenover staat. [eiseres] heeft op haar beurt vervolgens geen nadere gegevens in het geding gebracht.

4.2.

Het ontbindingsverzoek dat thans voorligt is onder meer gebaseerd op werkgerelateerd gedrag van [eiseres] , dat Sanquin als grensoverschrijdend heeft bestempeld. Sanquin heeft onderzoek daarnaar uitbesteed aan [naam bedrijf] , een bureau dat zich met name bezig houdt met het geven van adviezen, cursussen en het doen van onderzoek op het gebied van ongewenst gedrag op de werkvloer en de zorg voor een veilig werkklimaat. [naam bedrijf] heeft daartoe interviews afgenomen met de betrokkenen (onder wie [eiseres] ) en daarvan het Rapport opgemaakt. Het Rapport zelf is niet ingebracht in deze kortgedingprocedure. Sanquin heeft ter zitting verklaard dat het Rapport ook (nog) geen deel uitmaakt van de processtukken in de arbeidszaak bij de kantonrechter.

4.3.

[eiseres] vordert in dit kort geding dat het Sanquin wordt verboden om gebruik te maken van het Rapport, totdat op haar verzoek tot beperking/wissing/vernietiging van de daarin vervatte persoonsgegevens is beslist. [eiseres] beroept zich daarvoor met name op de artikelen 5 en 15 tot en met 19 van de Algemene Gegevensbescherming (AVG).

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat Sanquin (naast [naam bedrijf] ) aan te merken valt als verwerkingsverantwoordelijke en dat het gebruiken van de persoonsgegevens van [eiseres] (naam, adres enzovoort) valt onder het verwerken van persoonsgegevens in de zin van de AVG.

4.5.

Artikel 5 van de AVG luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Persoonsgegevens moeten:

a. a) worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is („rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie”);

b) voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt;

(…)

c) toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt („minimale gegevensverwerking”);

d) juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd; alle redelijke maatregelen moeten worden genomen om de persoonsgegevens die, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, onjuist zijn, onverwijld te wissen of te rectificeren („juistheid”);”

4.6.

[eiseres] heeft allereerst gesteld dat de verwerking van haar gegevens onrechtmatig is, omdat [naam bedrijf] gegevens heeft verzameld zonder te beschikken over een vergunning op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wbpr), terwijl de werkzaamheden van [naam bedrijf] moeten worden aangemerkt als ‘recherchewerkzaamheden’ in de zin van die wet. Het gebruik maken van het aldus onrechtmatig tot stand gekomen Rapport door Sanquin is in het verlengde daarvan eveneens onrechtmatig, aldus [eiseres] . Dit zou (uiteindelijk) moeten leiden tot vernietiging van het Rapport en in dit kort geding tot een verbod op het gebruik.

4.7.

De stelling van [eiseres] dat de werkzaamheden van [naam bedrijf] als ‘recherchewerkzaamheden’ zouden moeten worden gekwalificeerd en [naam bedrijf] als recherchebureau, zodat [naam bedrijf] over een vergunning ingevolge de Wbpr dient te beschikken, kan voorshands niet zonder meer als juist worden aanvaard.

Een recherchebureau is in deze wet gedefinieerd als “een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de uitoefening van een beroep of bedrijf met winstoogmerk recherchewerkzaamheden verricht, voor zover die werkzaamheden worden verricht op verzoek van een derde, in verband met een eigen belang van deze derde en betrekking hebben op een of meer bepaalde natuurlijke personen”. Hoewel het begrip ‘recherchewerkzaamheden’ in de Wbpr ruim is geformuleerd, namelijk ‘het vergaren en analyseren van gegevens’, is het de vraag of de werkzaamheden van [naam bedrijf] vallen onder deze noemer. Sanquin heeft onweersproken gesteld dat het Rapport in alle openheid uitsluitend is gebaseerd op interviews met betrokkenen en op door betrokkenen (met name [eiseres] zelf) aangeleverde gegevens en niet op gegevens die (al dan niet heimelijk) door onderzoek van [naam bedrijf] boven tafel zijn gekomen. Daarom kan op voorhand niet worden geconcludeerd dat het Rapport vanwege de wijze van totstandkoming ervan zonder meer onrechtmatig, en daarmee niet rechtmatig in de zin van artikel 5 AVG is, zoals [eiseres] heeft gesteld. Dit nog daargelaten dat de enkele omstandigheid dat [naam bedrijf] niet over een vergunning op grond van de Wbpr beschikt – gesteld dat deze vereist zou zijn – niet zonder meer meebrengt dat [eiseres] op basis van de AVG van Sanquin zou kunnen eisen dat zij (de inhoud van het) rapport buiten beschouwing laat. Sanquin is immers niet degene die het Rapport heeft opgesteld en vooralsnog is niet gebleken van enig onrechtmatig handelen van Sanquin bij de totstandkoming daarvan.

4.8.

Daarnaast heeft Sanquin terecht aangevoerd dat het in artikel 17 AVG opgenomen recht tot wissing van gegevens geen absoluut recht is. [eiseres] heeft niet nader gemotiveerd waarom het eventueel ontbreken van een vergunning zou moeten leiden tot verbieden (en uiteindelijk vernietigen) van het gehele rapport, noch nader geconcretiseerd om welke gegevens het dan in ieder geval zou moeten gaan. Evenmin heeft zij gesteld dat (en welke) gegevens in het Rapport onjuist zouden zijn, of anderszins in strijd met artikel 5 AVG, afgezien van haar opmerking dat het Rapport, althans de verklaringen van haar collega, volgens haar als ‘smaad en laster’ moeten worden betiteld.

4.9.

Sanquin heeft verder onweersproken gesteld alleen de contactgegevens van [eiseres] , en geen andere persoonsgegevens, aan [naam bedrijf] te hebben verstrekt. Zij heeft terecht gesteld daarbij een gerechtvaardigd belang te hebben, als bedoeld in artikel 6 onder f van de AVG, namelijk om een onderzoek te doen verrichten naar mogelijk ongewenst gedrag van [eiseres] op de werkvloer. Anders dan [eiseres] stelt is Sanquin daarin ook transparant geweest. In de brief van 19 april 2018 en de e-mail van 26 april 2018 heeft Sanquin immers duidelijk aan [eiseres] meegedeeld dat zij [naam bedrijf] had ingeschakeld voor het doen van onderzoek en wat daarvan de achtergrond was. [naam bedrijf] heeft daarop in de e-mail van 30 april 2018 aan [eiseres] nog een nadere toelichting gegeven. [eiseres] kan niet met recht stellen dat zij in het duister tast over de aanleiding van het onderzoek en heeft voldoende gelegenheid gehad haar visie naar voren te brengen. Ook nu kan zij dat nog doen. Tegen die achtergrond zijn voorshands evenmin aanknopingspunten te vinden dat Sanquin in strijd handelt of heeft gehandeld met de AVG.

4.10.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat vooralsnog onvoldoende grond bestaat voor toewijzing van de vorderingen van [eiseres] . Bij deze uitkomst behoeven de overige weren van Sanquin geen nadere bespreking.

4.11.

De gevraagde voorzieningen worden geweigerd, met veroordeling van [eiseres] , als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van Sanquin begroot op:

– € 626,- € 626,- aan griffierecht en

– € 626,- € 980,- aan salaris advocaat;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. van der Veen, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2018.1

1 type: MB coll: JT