Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7328

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5128
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

PW, verzwegen werkzaamheden en inkomsten, schending inlichtingenplicht. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen overzicht van de door haar gewerkte dagen en uren heeft verstrekt alsmede geen administratie van de door haar ontvangen inkomsten. De rechtbank is van oordeel dat nu de omvang van de werkzaamheden van eiseres niet, ook niet bij benadering, is vast te stellen, verweerder niet is gehouden schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag eiseres aanvullend recht op bijstand had. Geen dringende redenen om af te zien van terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/5128

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 oktober 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I.J.G. van Raab van Canstein),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Ahmed).

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) over de periode van 1 januari 2012 tot en met 10 januari 2017 ingetrokken en een bedrag van € 72.384,09 bruto en een bedrag van € 301,18 netto teruggevorderd.

Bij besluit van 26 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

Achtergrond van het geschil

1. Eiseres ontving een bijstandsuitkering met ingang van 12 september 1996, laatstelijk naar de norm van een alleenstaande. Naar aanleiding van een anonieme melding dat eiseres zou samenwonen, heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van eiseres. In dat kader is op 15 december 2016 een huisbezoek bij eiseres afgelegd. Op 19 december 2016 en 11 januari 2017 zijn gesprekken gevoerd met eiseres op kantoor van verweerder. De bevindingen en conclusies van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van bevindingen alleenstaande RMO van 11 januari 2017. Daarin is geconcludeerd dat eiseres de inlichtingenplicht en de medewerkingsplicht heeft geschonden door niet te melden dat zij inkomsten uit werkzaamheden ontvangt en niet alle bankafschriften heeft verstrekt. Verweerder is geadviseerd de uitkering per 11 januari 2017 in te trekken. Tevens is verweerder geadviseerd het dossier aan de afdeling Opsporing over te dragen voor nader onderzoek, omdat het vermoeden bestond dat de benadeling groter was dan € 50.000. Verweerder heeft dit advies opgevolgd en de zaak overgedragen aan de afdeling Opsporing. In dat kader zijn de bankgegevens van eiseres gevorderd bij de bank en is eiseres als verdachte verhoord. De bevindingen en conclusies van dit onderzoek zijn neergelegd in een Proces-verbaal Uitkeringsfraude van 14 februari 2017. De bijstandsuitkering was ondertussen, op verzoek van eiseres, beëindigd per 11 januari 2017.

2. Verweerder heeft bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, de door eiseres ontvangen bijstand over de periode van 1 januari 2012 tot en met 10 januari 2017 ingetrokken en teruggevorderd, omdat eiseres heeft verzwegen dat zij in ieder geval vanaf 1 januari 2012 zwarte oncontroleerbare werkzaamheden verricht en inkomsten ontvangt.

3. Eiseres heeft in beroep het bestreden besluit gemotiveerd betwist.

‘Informed consent’?

4.1.

Eiseres heeft allereerst aangevoerd dat geen sprake was van een ‘informed consent’ voorafgaand aan het huisbezoek. Aan eiseres is meegedeeld dat in verband met een melding zou worden gecontroleerd of de opgegeven woon- en leefsituatie overeenkwam met de werkelijke situatie. Tijdens het huisbezoek hebben de handhavers echter ook vragen aan eiseres gesteld over haar inkomsten. Eiseres heeft op deze vragen antwoord gegeven. Deze vragen hingen niet samen met het doel van het huisbezoek. De vragen hadden ook op kantoor van verweerder kunnen worden gesteld. Ondervraging van eiseres tijdens het huisbezoek was derhalve niet proportioneel. De verklaring had ook op een andere, minder ingrijpende wijze kunnen worden verkregen. Omdat eiseres er niet op is gewezen dat zij deze verklaring ook later kon afleggen en dat het weigeren van die verklaring op dat moment geen directe gevolgen voor haar uitkering zou hebben, is geen sprake van ‘informed consent’. Daarom dient deze verklaring buiten beschouwing te blijven. In dat kader noemt eiseres diverse uitspraken waarin is geoordeeld dat de controleurs zijn binnengetreden zonder voorafgaande ‘informed consent’.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Eiseres heeft toestemming gegeven voor het afleggen van een huisbezoek, nadat aan haar het doel van het huisbezoek was meegedeeld en haar was uitgelegd wat de gevolgen zouden zijn voor de bijstand en de toeslag als zij daar geen medewerking aan zou verlenen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is geweest van ‘informed consent’ wat betreft het afleggen van het huisbezoek. Het is niet ongebruikelijk dat tijdens een huisbezoek vragen worden gesteld, die ook elders, zoals op kantoor van verweerder, zouden kunnen worden gesteld. Maar dat is op zich niet in strijd met het recht. Het dossier en het verhandelde ter zitting biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de ondervraging van eiseres niet proportioneel is geweest.

Uitgaan van de eerste verklaring?

5.1.

Voorts heeft eiseres aangevoerd dat aan haar eerste verklaring geen doorslaggevende betekenis mag worden toegekend, omdat deze van meet af aan is betwist en ook door getuigen wordt weersproken. In dat kader heeft eiseres verschillende verklaringen overgelegd van haar broer, zoon en dochter, schoondochter en een vriendin. Zo hebben de broer en een zoon van eiseres verklaard dat eiseres geld bij hun heeft geleend. Verder heeft de schoondochter van eiseres verklaard dat zij regelmatig bij de gesprekken tussen eiseres en verweerder was en dat eiseres altijd eerlijk heeft gemeld dat zij geld ontving van haar broer en zoons.

5.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat volgens vaste rechtspraak mag worden uitgegaan van de juistheid van een in eerste instantie afgelegde verklaring. Dit geldt temeer wanneer deze is opgenomen in een op ambtseed- of belofte opgemaakt proces-verbaal. Aan het achteraf intrekken of wijzigen van een dergelijke verklaring kan in beginsel dan ook geen waarde worden toegekend. Voorts is niet gebleken dat onaanvaardbare druk op eiseres is uitgeoefend tijdens de gesprekken, aldus verweerder.

5.3.

Volgens vaste rechtspraak1 mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemene uitgangspunt in haar geval een uitzondering moet worden gemaakt. Hierbij is van belang dat eiseres in eerste instantie concreet heeft verklaard over de door haar verrichte schoonmaakwerkzaamheden. Op deze verklaring is zij tijdens alle gesprekken en het verhoor niet teruggekomen. Eiseres is daarna wisselend in haar verklaringen over hoeveel uur per week zij werkte, vanaf wanneer zij werkte en waar de bedragen vandaan kwamen (er zou volgens eiseres ook sprake zijn van leningen en giften), echter tijdens het verhoor op 13 februari 2017 heeft eiseres uiteindelijk verklaard dat haar eerste verklaring van een maand geleden het dichtst bij de werkelijkheid ligt. Anders dan eiseres heeft aangevoerd, maken de getuigenverklaringen niet dat zij niet kan worden gehouden aan haar tegenover de handhavingsspecialist afgelegde verklaringen. Uit het RAAK-overzicht blijkt weliswaar dat eiseres zowel in persoon als telefonisch contact heeft gehad met verweerder in de loop der jaren (al dan niet vergezeld van haar schoondochter), echter dat ging over sociale activering en niet over het ontvangen van geldbedragen. Dat eiseres in bezwaar en in beroep benadrukt dat het niet alleen om inkomsten uit werkzaamheden ging, maar ook om leningen en giften, maakt evenmin dat zij niet kan worden gehouden aan haar eerste verklaring over de door haar verrichtte werkzaamheden.

Verklaringen van eiseres

6. Uit de gedingstukken en het verhandelde op zitting leidt de rechtbank het volgende af. Ten tijde van het huisbezoek verklaart eiseres dat de aangetroffen man in haar woning haar verloofde is en dat hij sinds 15 oktober 2016 bij haar woont. Op de vraag hoe eiseres in haar levensonderhoud voorziet, terwijl zij slechts een uitkering heeft voor een alleenstaande, antwoordt eiseres dat het moeilijk is en dat zij zuinig leeft. Voorts toont eiseres online haar bankrekeningoverzicht, waarna de handhavingsspecialist constateert dat eiseres elke maand stortingen doet op haar rekening. Wanneer wordt gevraagd naar de herkomst hiervan, antwoordt eiseres: “Ik ga u de waarheid zeggen, Sinds 1 september 2015 doe ik schoonmaakwerkzaamheden bij mensen thuis, dat zijn 3 mensen in [woonplaats] , ik doe de huishouding bij hen, dit zijn kennissen van mijn vrienden, dit doe ik 3 dagen per week, 5 uur per dag. Ik krijg € 15,- per uur uitbetaald. Dat geld krijg ik contant.” Voorts verklaart eiseres dat zij geen boekhouding heeft bijhouden en dat zij van het ontvangen geld een deel op haar bankrekening stort en met de rest boodschappen doet. Op 19 december 2016 heeft eiseres op kantoor van verweerder inzage gegeven in haar online bankoverzicht vanaf

22 december 2014. Eiseres verklaart: “U ziet dat ik in die periode bijna maandelijks bedragen op mijn rekening stort, deze bedragen betreffen verjaardagscadeaus, geld wat ik contant van mijn kinderen kreeg en wat er van mijn inkomsten uit schoonmaakwerkzaamheden overblijft.” Op 11 januari 2017 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden op het kantoor van verweerder. Eiseres is verzocht om bankafschriften vanaf 1 januari 2012 te overleggen. Tijdens het gesprek verklaart eiseres dat zij de bankafschriften niet kon opvragen omdat zij ongeveer € 400,- hiervoor moest betalen en dat geld heeft zij niet. Verder verklaart eiseres: “Het ging echt om een paar uur schoonmaakwerk. Ik ben pas eind 2015 begonnen met schoonmaakwerk. Niet eerder, ik heb niets meer toe te voegen, dit gesprek heb ik als moeilijk ervaren, omdat ik weet dat het mijn eigen schuld is door niet alles aan de gemeente te hebben verteld.” Verweerder heeft vervolgens alle bankafschriften van de ING bankrekening van eiseres gevorderd. Daaruit blijkt dat vanaf januari 2012 regelmatig geld is gestort en bijgeschreven op deze bankrekening. Uit het Proces-verbaal verhoor verdachte van 13 februari 2017 blijkt tot slot dat eiseres op de vraag of alle stortingen op haar bankrekening vanaf 2012 zwarte inkomsten uit werk als huishoudelijke hulp zijn beantwoordt met :”ja deels.”. Voorts verklaart eiseres wisselend over de schoonmaakwerkzaamheden, van drie uur per week tot vijf uur op woensdag waarvoor zij € 80,- ontving. Aan het einde van het verhoor verklaart eiseres: “Laat maar. Ik blijf bij mijn eerste verklaring een maand geleden. Deze verklaring ligt het dichtst bij de werkelijkheid. Het is mijn waarheid.” Tijdens de zitting bij de rechtbank verklaart eiseres één dag per week schoon te maken en drie dagen per week op haar kleinkind(eren) te passen.

Schending inlichtingenverplichting

7. Door over de (schoonmaak)werkzaamheden aan verweerder geen mededeling te doen heeft eiseres, anders dan zij heeft betoogd, geen openheid van zaken gegeven. Eiseres heeft aldus de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

Recht op aanvullende bijstand?

8.1.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstand behoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder had moeten overgaan tot herziening, omdat de genoten inkomsten aan de hand van de bankafschriften met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld.

8.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de inkomsten niet controleerbaar zijn, omdat eiseres geen overzicht van de gewerkte dagen/uren en geen boekhouding van de inkomsten heeft bijgehouden. Verder wenste eiseres ook geen namen te noemen van de mensen waar zij huishoudelijk werk verrichtte. Zodoende kan het eventuele recht op bijstand niet meer worden vastgesteld, ook niet schattenderwijs, aldus verweerder.

8.3.

De rechtbank stelt vast dat eiseres geen overzicht van de door haar gewerkte dagen en uren heeft verstrekt alsmede geen administratie van de door haar ontvangen inkomsten. De rechtbank is van oordeel dat nu de omvang van de werkzaamheden van eiseres niet, ook niet bij benadering, is vast te stellen, verweerder niet is gehouden schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag eiseres aanvullend recht op bijstand had. Eiseres heeft ook achteraf geen nadere informatie over haar werkzaamheden verstrekt en is ook anderszins niet met een aanvaardbare, op objectieve en verifieerbare gegevens berustende reconstructie van deze activiteiten gekomen, waardoor het niet mogelijk is om schattenderwijs tot een nadere vaststelling van het recht op bijstand te komen.2 Eiseres heeft slechts verwezen naar de bankafschriften, echter deze stortingen betreffen, zoals eiseres heeft verklaard in haar verklaring van 15 en 19 december 2016, slechts een gedeelte van de ontvangen inkomsten, nu zij van de inkomsten tevens boodschappen deed en het resterende op haar bankrekening stortte. Alleen al hierom kan het recht op bijstand niet worden herzien tot een lager bedrag. Dat eiseres in beroep stelt dat het grotendeels gaat om leningen en giften, maakt het voorgaande niet anders. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Terugvordering

9.1.

Het voorgaande betekent dat verweerder verplicht is over te gaan tot integrale terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw.

Eiseres stelt dat sprake is van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Zij heeft in haar leven veel meegemaakt. Dit alles heeft geleid tot ernstige lichamelijke en psychische klachten. Hiervoor verwijst zij naar een medische rapportage uit 2002. De terugvordering komt aan als een mokerslag. Daarnaast is eiseres ook door de strafrechter veroordeeld voor bijstandsfraude3. Eiseres wordt dubbel gestraft en dit heeft een zware impact.

9.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat zij geen reden zien om van terugvordering af te zien. Niet is gebleken dat er iets bijzonders of uitzonderlijks aan de hand is. Eiseres onderscheidt zich niet van andere bijstandsgerechtigden die met een terugvordering worden geconfronteerd.

9.3.

De rechtbank begrijpt dat eiseres het gevoel heeft dat zij dubbel wordt bestraft, maar dat is niet het geval. Besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand zien op herstel van de rechtmatige toestand en zijn, anders dan een boete, niet bestraffend van karakter.

9.4.

Volgens vaste rechtspraak kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. De door eiseres aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen niet de conclusie dat van dringende redenen sprake is. De rechtbank kan heel wel voorstellen dat het terugvorderingsbedrag hoog is en dat dit een zware impact heeft, echter eiseres heeft de door haar aangevoerde medische omstandigheden niet met recente stukken onderbouwd. Weliswaar blijkt uit de gedingstukken dat eiseres jarenlang door verweerder is ontheven van de sollicitatieplicht en blijkt uit de medische rapportage dat zij niet belastbaar is voor werk, echter deze dateert van 2002. Bovendien is de rechtbank uit de gedingstukken en ter zitting gebleken dat eiseres een baan heeft gevonden bij een coffeeshop vlakbij haar woning. Wel wijst de rechtbank erop dat de tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering zodanig moet geschieden dat eiseres blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, zoals bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Conclusie

10. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzitter, en mr. B.C. Langendoen en

mr. O.P.G. Vos, leden, in aanwezigheid van mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak is hoger beroep mogelijk

U kunt binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige maatregel te treffen.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512

2 Zie de uitspraak van de CRvB van 20 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1059.

3 Zie de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 juni 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2079.