Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7317

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
22-10-2018
Zaaknummer
13/659037-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Stalking ex-vriendin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/659037-17

Datum uitspraak: 9 mei 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1984,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 april 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.H. Boersma, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R. Shahbazi, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 oktober 2009 tot en met 19 april 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [persoon 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van één of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het één of meerdere ma(a)l(en)

- onverhoeds betasten met zijn handen van de bil(len) en/of borst(en) van voornoemde [persoon 1] en/of

- betasten van de bil(len) van voornoemde [persoon 1] met zijn geslachtsdeel en/of

- onverhoeds achter voornoemde [persoon 1] gaan staan en/of (vervolgens) met zijn geslachtsdeel tegen de bil(len) van voornoemde [persoon 1] aan gaan rijden.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring op grond van de aangifte en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] . Er zijn geen redenen om de aangifte van aangeefster als niet betrouwbaar te achten. Aangeefster heeft namelijk toegegeven dat ze een keer met verdachte heeft gezoend en dat zij bevriend is met getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Ook heeft zij verklaard over ontuchtige handelingen van geringe ernst. Dit wijst erop dat zij haar aangifte als betrouwbaar moet worden aangemerkt. Ook de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] zijn betrouwbaar. Er zijn geen aanwijzingen dat zij zijn beïnvloed door aangeefster of haar partner. Te meer omdat de getuigen niet de gehele verklaring van aangeefster hebben bevestigd, hetgeen te verwachten zou zijn als de verklaringen zijn afgestemd. Verdachte komt daarentegen niet geloofwaardig over door zijn ontkennende verklaring. Verdachte heeft verklaard dat er geen flirterig dan wel plagerig gedrag is vertoond, laat staan dat hij de ontuchtige handelingen heeft verricht. Het dossier bevat echter meerdere getuigen, waaronder getuigen die aan de kant van verdachte staan, die wel hebben verklaard over een dergelijke flirterige sfeer. Deze sfeer is ook bevestigd door de [persoon 2] in het telefoongesprek tussen hem en de partner van aangeefster.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaren. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft overeenkomstig haar op schrift gestelde pleitaantekeningen verzocht om verdachte vrij te spreken. Verdachte heeft het ten laste gelegde ontkend. De aangifte is onbetrouwbaar, nu deze is gebaseerd op ongeloofwaardige en leugenachtige verklaringen van aangeefster. Ook de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] zijn onbetrouwbaar. Aangeefster, [getuige 1] en [getuige 2] hebben alle tijd gehad om hun verklaringen op elkaar af te stemmen. Getuige [getuige 2] is rancuneus en heeft een verklaring afgelegd, nadat hij wegens beschuldiging van diefstal door verdachte en [persoon 2] ontslag moest nemen. Ook is zijn verklaring bij de rechter-commissaris op 22 februari 2018 beduidend anders dan de verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd. De verklaring van [getuige 1] is evenmin betrouwbaar. Zij heeft verklaard dat zij op verzoek van haar vriendin getuigt en dat zij en aangeefster vriendinnen zijn. Zij heeft aangeefster zelfs opgehaald en naar de rechtbank gebracht zodat aangeefster haar verklaring bij de rechter-commissaris kon afleggen. Het is dan ook aannemelijk dat zij hun verklaringen in de autorit met elkaar hebben besproken. De dertien door de verdediging nagezonden getuigenverklaringen bevestigen de verklaring van verdachte. Tot slot bevat de dagvaarding te veel algemeenheden en is in de onderhavige zaak geen sprake van bedreiging en/of bedreiging met geweld of enige vorm van dwang of opzet daarop.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde niet bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Aangeefster heeft verklaard dat vanaf het begin van haar werkzaamheden op 1 oktober 2009 tot aan haar ziekmelding op 19 april 2015 door verdachte seksuele opmerkingen naar haar werden gemaakt en dat hij haar ook veelvuldig heeft betast. Verdachte heeft dit ontkend. De aangifte wordt ondersteund door twee getuigenverklaringen, maar de ontkennende verklaring van verdachte wordt ondersteund door dertien getuigenverklaringen. Aangeefster heeft verklaard dat de handelingen zouden hebben plaatsgevonden binnen een tijdsbestek van 5,5 jaar. Het is opmerkelijk dat een veelheid aan getuigen gedurende dit lange tijdsbestek niets van de ontuchtige handelingen heeft waargenomen, terwijl die getuigen juist aangeven dat gelet op de beperkte ruimte in de horecagelegenheid dit niet ontgaan kan zijn. Dat deze getuigen wel spreken over seksuele opmerkingen, die door verdachte worden ontkend, doet hieraan niet af. De enige twee getuigen die wel iets hebben gezien zijn [getuige 1] en [getuige 2] . Getuige [getuige 1] is een vriendin van aangeefster en [getuige 2] heeft een arbeidsconflict gehad met onder meer verdachte. Dit laat de mogelijkheid open dat zij een belang hebben niet naar waarheid te verklaren. Gelet op voornoemde omstandigheden kan de rechtbank niet met zekerheid vaststellen welke verklaringen betrouwbaar moeten worden geacht. Bovendien bevat het dossier een telefoongesprek tussen de [persoon 2] en de partner van aangeefster, [persoon 3] . In dit telefoongesprek, dat heimelijk is opgenomen, heeft de partner van aangeefster de [persoon 2] geconfronteerd met seksuele opmerkingen zijdens verdachte, maar rept [persoon 3] geenszins over handtastelijkheden van verdachte jegens aangeefster. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat weliswaar wettig bewijs in het dossier aanwezig is, maar dat de rechtbank niet de overtuiging heeft dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

5 Ten aanzien van de benadeelde partij

Hieruit vloeit noodzakelijkerwijs voort dat nu aan verdachte – zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – geen straf of maatregel zal worden opgelegd, de rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij, [persoon 1] , in haar vordering niet-ontvankelijk is.

6 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij, [persoon 1] , niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter,

mrs. A.R.P.J. Davids en N. Saanen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.L. Lugthart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 mei 2018.