Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7312

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
22-10-2018
Zaaknummer
13/741095-14, 13/671006-12, 13/680176-15, 13/746008-17, 13/689033-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

witwassen, oplichtingen, gebruik maken van vervalst bankafschrift, mishandeling, bedreiging, bezit hennep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/741095-14 (A), 13/671006-12 (B), 13/680176-15 (C), 13/746008-17 (D), 13/689033-18 (E), 23/001803-10 (TUL) en 13/850315-10 (TUL)

Datum uitspraak: 4 juli 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

zonder vaste woon- en/of verblijfplaats in Nederland,

ter terechtzitting als postadres opgegeven [adres 1] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 juni 2018.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B, zaak C, zaak D en zaak E aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. Sondermeijer, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.S. Gerson, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan

Zaak A

gewoontewitwassen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 2 april 2014 van meerdere geldbedragen en (luxe)goederen te Amsterdam;

Zaak B

1. het aanwezig hebben van 5828 gram hennep op 24 december 2012 te Amsterdam;

2. het gebruiken van een vervalst bankafschrift in de periode van 1 november 2012 tot en met 30 november 2012 te Amsterdam;

3. oplichting van [persoon] en/of [naam bedrijf] en/of [persoon 2] in de periode van 1 november 2012 tot en met 30 november 2012 te Amsterdam door zich voor te doen als bonafide huurder;

Zaak C

1. witwassen van een Volkswagen Golf en meerdere geldbedragen in de periode van 1 december 2014 tot en met 17 maart 2016 te Amsterdam;

2. oplichting van [persoon 3] en/of reisbureau [naam bedrijf 1] op 25 juni 2015 te Amsterdam door zich voor te doen als een bonafide koper van vliegtickets;

3. bedreiging van [persoon 3] op 11 juli 2015 te Amsterdam;

Zaak D

1. bedreiging van [persoon 4] op 9 december 2016 te Diemen;

2. mishandeling van [persoon 5] op 22 juni 2016 te Amsterdam;

Zaak E

oplichting van [persoon 6] voor een bedrag van 26.000 euro en/of 35.000 euro in de periode van 4 september 2014 tot en met 26 april 2016 te Amsterdam door zich voor te doen als eigenaar van een BMW X6 en/of Mercedes ML en deze auto’s te koop aan te bieden.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1.

Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van het in zaak C onder 1 ten laste gelegde

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie (hierna: OM) ten aanzien van het in zaak C onder 1 ten laste gelegde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu bij verdachte gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat hij voor dit feit niet zou worden vervolgd. Dit heeft de officier van justitie per brief van 20 februari 2018 kenbaar gemaakt aan de verdediging en de rechtbank. De raadsvrouw heeft eveneens bepleit het OM wegens het gerechtvaardigd vertrouwen niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat het OM ten aanzien van het in zaak C onder 1 ten laste gelegde het recht op vervolging heeft verloren.

3.2.1.

Gevoerd verweer ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zaak

De raadsvrouw heeft overeenkomstig haar op schrift gestelde pleitnota de niet-ontvankelijkheid van het OM bepleit, omdat de redelijke termijn zoals genoemd in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) is geschonden. De feiten van zaak B dateren van november en december 2012. De hennep is op 24 december 2012 aangetroffen en verdachte is op 25 december 2012 gehoord. Inmiddels is het ruim vijf en een half jaar verder. De rechten en belangen van verdachte zijn door de exorbitante overschrijding geschonden. Het OM heeft zijn recht op vervolging verspeeld door de zaak nu pas inhoudelijk op zitting te brengen.

3.2.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het OM ontvankelijk is in de vervolging. Het betreft inderdaad een oudere zaak. De zaak is echter op 4 mei 2016 pro forma ter terechtzitting behandeld en is toen op verzoek van de verdediging aangehouden voor onbepaalde tijd, omdat het wenselijk werd geacht die zaak te behandelen samen met de openstaande zaken. Er is geen sprake van een uitzonderingsgeval dat de niet-ontvankelijkheid van het OM rechtvaardigt.

3.2.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat in zaak B niet aan de stringente vereisten voor niet-ontvankelijkheid van het OM, zoals neergelegd in vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, wordt voldaan, zodat het verweer wordt verworpen.

3.3.1.

Gevoerd verweer ten aanzien van de partiële nietigheid van de dagvaarding in zaak A

De raadsvrouw heeft overeenkomstig haar op schrift gestelde pleitnota bepleit dat de dagvaarding partieel nietig is. De tenlastelegging is onvoldoende feitelijk, omdat het OM heeft nagelaten te specificeren waar de geldbedragen, die in de tenlastelegging in zaak A onder het kopje “A” worden genoemd, betrekking op hebben. Ook is onvoldoende duidelijk welke televisie- en audioapparatuur en welke horloges, die in de tenlastelegging in zaak A onder de kopjes “B” en “C” worden genoemd, zijn bedoeld. Nu het voor de verdediging niet is te achterhalen en onduidelijk is waar de genoemde geldbedragen en goederen betrekking op hebben, is het niet mogelijk hiertegen verweer te voeren. De dagvaarding voldoet dan ook niet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

3.3.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van dit verweer geen reactie gegeven.

3.3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank honoreert het verweer met betrekking tot de partiële nietigheid van de dagvaarding in zaak A voor wat betreft de geldbedragen die worden genoemd onder het kopje “A” en de horloge(s) genoemd onder het kopje “C” in de tenlastelegging. De genoemde geldbedragen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feitelijk en daarmee onbegrijpelijk, omdat op geen enkele wijze in de tenlastelegging is aangeduid op welke data de geldbedragen bij verdachte zijn aangetroffen en onder welke omstandigheden. Dit klemt temeer nu sprake is van een omvangrijk dossier, waarin meerdere geldbedragen worden genoemd zodat niet inzichtelijk is welke geldbedragen in de tenlastelegging precies bedoeld worden. Onder die omstandigheden had het van het OM mogen worden verlangd om in de tenlastelegging concreet de vindplaats van de geldbedragen in het dossier te benoemen. Ook wordt in het dossier over meerdere horloges gesproken, waardoor het niet duidelijk is op welke horloges de tenlastelegging ziet. Dit leidt ertoe dat de dagvaarding van zaak A ten aanzien van de onder het kopje “A” genoemde geldbedragen en de onder het kopje “C” genoemde horloges nietig zal worden verklaard. Ten aanzien van de televisie- en audioapparatuur verwerpt de rechtbank het verweer omdat uit het dossier afdoende blijkt dat verdachte maar één televisie met bijbehorende geluidsapparatuur feitelijk heeft aangeschaft.

De dagvaarding van zaak A is voor het overige geldig.

3.4.

Conclusie van de voorvragen

De dagvaardingen in zaken A, B, C, D en E zijn ook overigens geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en de officier van justitie is ook overigens ontvankelijk in de zaken A, B, C ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde, D en E. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het in zaak C onder 2 en 3 ten laste gelegde, omdat deze feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

De officier van justitie heeft onder verwijzing naar het op schrift gestelde requisitoir, samengevat, verder het volgende naar voren gebracht.

Ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder de kopjes “A”, “B” en “C” genoemde geldbedragen en goederen, met uitzondering van de twee openhaarden. Bij verdachte is een groot aantal geldbedragen en luxegoederen aangetroffen, terwijl niet is gebleken dat hij een legaal inkomen heeft gehad sinds 2009. De verklaring van verdachte dat hij op andere manieren inkomsten heeft vergaard kon niet worden geverifieerd door de politie. Uit het onderzoek dat is ingesteld naar de inkomsten en uitgaven van verdachte en zijn handelwijze is gebleken dat hij huurcontracten afsluit op naam van een ander, dat nagenoeg al zijn uitgaven contant plaatsvinden, dat hij in de afgeluisterde gesprekken gebruik maakt van versluierd taalgebruik, en dat hij veel antecedenten heeft en omgaat met mensen uit het criminele milieu, wat een witwasvermoeden met zich meebrengt. Het is verdachte niet gelukt om daartegenover een voldoende concrete en verifieerbare verklaring te zetten. Er is sprake van gewoontewitwassen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 2 april 2014, nu het om een langere periode en dezelfde modus operandi gaat.

Het in zaak B onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde kan worden bewezen. In de woning aan [adres 2] , waar verdachte op dat moment verbleef, is 5828 gram hennep aangetroffen. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de hennep had gekregen als borg van iemand. Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie verwezen naar het bankafschrift van de rekening van verdachte, waarop een positief saldo van 98.240,86 euro te zien is en een overboeking van 23.990,27 euro naar de rekening van [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf] ). Dit bankafschrift heeft verdachte gebruikt om zijn kredietwaardigheid aan te tonen bij het aangaan van een huurovereenkomst voor het pand aan het [adres bedrijfspand] . Zowel [persoon] (hierna: [persoon] ) als [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) hebben verklaard dat verdachte dit bankafschrift aan hen heeft getoond om de huurovereenkomst aan te gaan en over te gaan tot de oplevering van het bedrijfspand. Hij heeft de huurpenningen nooit betaald. Uit de gegevens van de Rabobank is gebleken dat het op het bankafschrift vermelde saldo niet overeenkomt met het werkelijke saldo. Dit heeft verdachte ook ter terechtzitting erkend. Daarmee heeft hij zich zowel schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte als aan oplichting.

Ten aanzien van het in zaak D ten laste gelegde heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie verwezen naar de aangifte van [persoon 4] (hierna: [persoon 4] ), de getuigenverklaring van [naam getuige] (hierna: [naam getuige] ) en de filmopname, waarop een discussie te horen is. Met betrekking tot feit 2 heeft de officier van justitie haar standpunt gegrond op de aangifte van [persoon 5] (hierna: [persoon 5] ) en de letselverklaring.

Tot slot heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het in zaak E ten laste gelegde op grond van de verklaringen van aangever [persoon 6] en getuige [naam getuige 2] , de overboeking naar de zakelijke rekening van verdachte en de WhatsApp gesprekken.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft onder verwijzing naar haar op schrift gestelde pleitnota, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

Ten aanzien van het in zaak D ten laste gelegde heeft de raadsvrouw verzocht om verdachte vrij te spreken. Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde bevat het dossier onvoldoende bewijs dat verdachte de woorden heeft geuit. De bedreigingen worden niet door getuigen bevestigd en op de filmopname zijn de ten laste gelegde bewoordingen niet te horen. Ook ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde bevat het dossier onvoldoende bewijs. De aangifte is opgemaakt door de ex-vriendin van verdachte, omdat zij boos was op hem. De letselverklaring van de GGD is pas vijf dagen later opgemaakt. Het is mogelijk dat zij tussen de aangifte en de letselverklaring op een ander moment blauwe plekken heeft opgelopen. Ook is op de geluidsopname geen mishandeling gehoord.

Met betrekking tot het in zaak B onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsvrouw verzocht om verdachte vrij te spreken. Verdachte heeft ontkend het bankafschrift te hebben gemaakt dan wel te hebben getoond. Hij heeft verklaard dat hij [persoon] nooit heeft gezien en dat het bankafschrift door een kennis is opgemaakt.

Ten aanzien van het in zaak E ten laste gelegde heeft de raadsvrouw verzocht om verdachte vrij te spreken wegens gebrek aan bewijs. De overgelegde machtiging is geen bewijs dat verdachte de auto’s daadwerkelijk heeft aangeboden, heeft verkocht of heeft willen verkopen of dat hij aangever heeft willen oplichten, omdat hierin niets staat over een verkoop dan wel overschrijving op naam van een auto. Het dossier bevat enkel een overboeking van 26.000 euro naar de zakelijke bankrekening van verdachte, maar er is geen bewijs dat er ook 30.000 euro contant is afgegeven. Verdachte heeft verklaard dat hij de 26.000 euro heeft ontvangen als investering in zijn bedrijf [naam bedrijf 2] (hierna: [naam bedrijf 2] ). Ook de WhatsApp gesprekken dragen niet bij aan het bewijs, omdat hieruit niet is af te leiden dat verdachte de auto’s aan aangever wilde verkopen. Bovendien zijn dergelijke gesprekken makkelijk te vervalsen. Tot slot dienen de verklaringen van de broers [naam getuige 2] te worden uitgesloten van het bewijs, omdat ze niet als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt.

Met de officier van justitie heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het in zaak C onder 2 en 3 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde heeft de raadsvrouw verzocht om verdachte vrij te spreken. Ten aanzien van een deel van de onder het kopje “A” genoemde geldbedragen bevat het dossier onvoldoende bewijs dat deze afkomstig zijn uit enig misdrijf. De onder het kopje “B” genoemde bedragen komen niet overeen met het dossier en vallen lager uit. Ten aanzien van de onder het kopje “C” genoemde luxegoederen bevat het dossier onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring te komen van de openhaarden, de televisie, de trapbekleding en het horloge. Een deel van de kleding die bij verdachte in beslag is genomen, is niet in de ten laste gelegde periode aangeschaft. Ook heeft verdachte een groot deel van de schoenen in de uitverkoop gekocht. Alles bij elkaar opgeteld komen de geldbedragen en de luxegoederen uit op een bedrag van 55.000 euro. Verdachte heeft meerdere keren een verklaring gegeven over de herkomst van de geldbedragen. Hij heeft namelijk auto’s verkocht en investeringen ontvangen voor zijn bedrijf [naam bedrijf 2] , wat bij elkaar uitkomt op een verantwoord inkomen van ongeveer 105.000 euro.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Vrijspraak van het in zaak C onder 2 en 3 ten laste gelegde

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om tot een bewezenverklaring van het in zaak C onder 2 en 3 ten laste gelegde te komen. Verdachte zal van deze feiten worden vrijgesproken.

4.3.2.

Bewezenverklaring van het in zaak D onder 1 en 2 ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat de in zaak D onder 1 ten laste gelegde bedreiging kan worden bewezen. Aangeefster [persoon 4] heeft in haar aangifte verklaard dat verdachte op 9 december 2016 de woorden “Jij bent dood” en “De dag dat ik mijn kinderen niet meer mag zien, is de dag dat jij niet meer leeft. Binnen 24 uur ben jij dood. Ik ga naar mijn auto en dan schiet ik je dood” heeft geuit. Deze aangifte wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [naam getuige] . [naam getuige] heeft gehoord dat verdachte dergelijke bewoordingen heeft geuit. Van de ruzie is een geluidsopname gemaakt die door de politie is beluisterd. Hoewel de ten laste gelegde bewoordingen niet expliciet op de opname te horen zijn, geeft het wel duidelijk aan dat er een ruzie was tussen verdachte en [persoon 4] . Het valt niet uit te sluiten dat de geluidsopname is gestopt voordat de ten laste gelegde bedreigende woorden zijn geuit. Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij boos was en dat hij alleen had gezegd dat aangeefster dood voor hem was en dat hij klaar was met hun relatie. Gelet op de agressieve sfeer en de verklaringen van [persoon 4] en [naam getuige] acht de rechtbank de verklaring van verdachte niet aannemelijk geworden.

Nu enkel getuige [naam getuige] heeft verklaard dat verdachte de bewoordingen “ik zit in een voogdij zaak voor mijn kinderen en als ik mijn kinderen niet mag zien door [persoon 4] dan is zij dood” heeft geuit en aangeefster hier niet over heeft verklaard, zal de rechtbank verdachte ten aanzien van deze bewoordingen vrijspreken.

Ook de in zaak D onder 2 ten laste gelegde mishandeling van zijn ex-vriendin [persoon 5] kan naar oordeel van de rechtbank worden bewezen. In haar aangifte heeft [persoon 5] verklaard dat verdachte haar een klap heeft gegeven tegen haar hoofd. Ze is meerdere keren door verdachte geslagen en is als gevolg van de klap op haar hoofd het bewustzijn verloren. Uit de letselverklaring van de GGD is gebleken dat de zwelling onder haar rechteroog van ongeveer twee bij twee centimeter goed kan passen bij de door [persoon 5] aangegeven toedracht. Zij heeft immers verklaard te zijn geslagen op haar hoofd waardoor het zwart werd voor haar ogen. De verklaring van verdachte dat ze het letsel ook kan zijn opgelopen door een andere gebeurtenis acht de rechtbank te algemeen van aard en daarom niet geloofwaardig. Nu de letselverklaring de verklaring van aangeefster [persoon 5] enkel ondersteund ten aanzien van het slaan op het hoofd, zal verdachte van de overige ten laste gelegde handelingen worden vrijgesproken.

4.3.3.

Bewezenverklaring van het in zaak B onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde

De rechtbank acht het in zaak B onder 1 ten laste gelegde bewezen. In de woning waar verdachte op dat moment verbleef, [adres 2] te Amsterdam, zijn vijf sealbags en één plastic tas aangetroffen met daarin, naar later uit onderzoek is gebleken, 5828 gram hennep. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij deze sealbags en plastic tas had gekregen van iemand als borg.

De rechtbank is van oordeel dat het in zaak B onder 2 en 3 ten laste gelegde kan worden bewezen. Verdachte wilde het bedrijfspand aan het [adres bedrijfspand] huren voor zijn kinderkledingzaak. Zowel [persoon] als [persoon 2] hebben verklaard dat zij verdachte hebben gesproken over het huren van een bedrijfspand aan het [adres bedrijfspand] . Bij het zien van een foto van verdachte hebben zij hem herkend als degene die het bedrijfspand zou huren en met wie zij zaken hebben gedaan. [persoon 2] is een externe makelaar van [naam bedrijf] . [persoon] is werkzaam als senior projectmanager bij [naam bedrijf 3] dat namens [naam bedrijf] diverse panden, waaronder het [adres bedrijfspand] , beheert. Conform de huurovereenkomst moest verdachte de huur aan [naam bedrijf] voldoen. Eén van de voorwaarden voor oplevering van het bedrijfspand is dat aan de betalingsverplichting wordt voldaan. Dit houdt in dat door de huurder voor de oplevering een bankgarantie moet worden gesteld en dat de eerste betaling van het overeengekomen huurbedrag moet worden voldaan. Op 8 november 2012 heeft [persoon] met verdachte afgesproken, omdat verdachte nog niet aan zijn betalingsverplichting van 1 november 2012 had voldaan. Bij de oplevering heeft verdachte mede door het tonen van het bankafschrift aan [persoon] [naam bedrijf] toch zover gekregen om over te gaan tot de oplevering van het bedrijfspand. Volgens [persoon] had verdachte namelijk op 8 november 2012 een transactieoverzicht laten zien, gedateerd 2 november 2012 met daarop een overboeking van 23.990,27 euro naar de rekening van [naam bedrijf] . Verdachte heeft ook opgemerkt dat hij, gelet op het saldo op zijn bankrekening, garant kon staan voor de huur. Zowel [persoon] als [persoon 2] hebben verklaard dat verdachte hen dit bankafschrift heeft getoond. Op 21 november 2012 heeft verdachte het transactieoverzicht van 18 november 2012 aan [persoon] getoond. Verdachte heeft zelfs ingelogd op de internetbankierensite op een computer in het kantoor van [persoon] om aan te tonen dat hij het geld op zijn rekening had staan. Als gevolg hiervan heeft [naam bedrijf] akkoord gegeven voor de oplevering van het bedrijfspand. [naam bedrijf] heeft echter nooit de betaling van verdachte ontvangen, ook niet na verdachte daar meerdere keren toe te hebben gesommeerd.

Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij toen geen positief saldo van 98.240,86 euro op zijn rekening had. Deze verklaring wordt ondersteund door de gegevens van de bankrekening van verdachte bij de Rabobank, waaruit is gebleken dat het saldo d.d. 18 november 2012 op het transactieoverzicht niet overeenkomt met wat er toen daadwerkelijk op zijn rekening stond. Ook staat er geen afboeking van 23.990,27 euro vermeld op de gevorderde gegevens van de Rabobank. De rechtbank acht hiermee bewezen dat het getoonde bankafschrift van verdachte is vervalst.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat niet hij, maar een kennis van hem, die mee was naar de gesprekken, het bankafschrift heeft getoond en dat hij [persoon] nooit heeft gezien. Deze verklaring acht de rechtbank ongeloofwaardig. Zowel [persoon] als [persoon 2] hebben verdachte aan de hand van een foto herkend als degene met wie zij zaken hebben gedaan voor de huur van het bedrijfspand aan het [adres bedrijfspand] . Ook hebben zij verklaard dat verdachte hen het bankafschrift heeft getoond. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat het verdachte is geweest die gebruik heeft gemaakt van het vervalste bankafschrift.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte. Ook heeft verdachte zich hiermee schuldig gemaakt aan oplichting van [naam bedrijf] , omdat dit bedrijf door het tonen van het vervalste bankafschrift is overgegaan tot de oplevering van het bedrijfspand.

4.3.4.

Bewezenverklaring van het in zaak E ten laste gelegde

De rechtbank acht bewezen dat verdachte [persoon 6] op 4 september 2014 heeft opgelicht voor een bedrag van 26.000. Aangever [persoon 6] (hierna: [persoon 6] ) heeft in zijn aangifte verklaard dat verdachte aankwam met een witte BMW X6. Omdat [persoon 6] het een mooie auto vond, vroeg verdachte of hij de auto wilde kopen. Na onderhandelingen over de prijs heeft de broer van [persoon 6] , [naam getuige 2] (hierna: [naam getuige 2] ), 26.000 euro overgemaakt naar de bankrekening van [naam bedrijf 2] . Het geld is later door [persoon 6] aan [naam getuige 2] terugbetaald. Volgens [persoon 6] en [naam getuige 2] heeft verdachte tegen hen gezegd dat het zijn auto’s waren. [naam getuige 2] heeft verklaard dat [persoon 6] de 26.000 euro later naar hem heeft overgemaakt. [persoon 6] heeft de auto’s, ook na verdachte daar meerdere keren om te hebben verzocht, nooit gekregen. Uit het dossier is gebleken dat verdachte in 2014 onder meer een witte BMW X6 heeft gehuurd en dat hij daarin reed. Uit onderzoek naar het bankrekeningnummer van [naam bedrijf 2] is gebleken dat er op 4 september 2014 door [naam getuige 2] een bedrag van 26.000 euro overgeboekt naar de rekening van [naam bedrijf 2] . Verdachte heeft verklaard dat hij de 26.000 euro heeft ontvangen als investering in zijn bedrijf [naam bedrijf 2] .

[persoon 6] heeft de screenshots van WhatsApp-gesprekken aan de politie gegeven. De politie heeft geverbaliseerd dat het gesprekken betreft tussen [persoon 6] en verdachte, [naam getuige 2] en verdachte en nog een onbekende man die wordt benoemd als [naam verdachte] . [naam verdachte] is de voornaam van verdachte. [naam getuige 2] heeft gesprekken gevoerd met “rasta”. In de WhatsApp gesprekken wordt onder meer gesproken over auto’s, waaronder een BMW X6 , over een kenteken dat verdachte doorgeeft ( [kenteken 5] ), over geld dat “rasta” van [naam getuige 2] wil krijgen, over dat [persoon 6] aan [naam verdachte] om de auto heeft gevraagd omdat hij al betaald had en dat [naam verdachte] en “rasta” de afspraken niet nakomen. Op zitting heeft verdachte verklaard dat de WhatsApp gesprekken vermoedelijk zijn vervalst en dat hij deze gesprekken niet heeft gevoerd. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig gelet op de inhoud van deze gesprekken. Naast de zojuist genoemde gespreksonderwerpen, is er namelijk via WhatsApp ook gesproken over een situatie die zich in het privéleven van verdachte heeft voorgedaan (ten aanzien van het zoontje van verdachte dat zich heeft gebrand). Daarnaast is op pagina 108T van het dossier te zien dat een screenshot van een brief is gemaakt die is geadresseerd aan de heer [persoon 7] . De rechtbank is hiermee van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte de WhatsApp gesprekken heeft gevoerd met [persoon 6] en [naam getuige 2] en acht de verklaring van verdachte dat de gesprekken zijn vervalst ongeloofwaardig.

De rechtbank acht niet wettig bewezen dat verdachte [persoon 6] heeft opgelicht voor een bedrag van 35.000 eur. Uit het dossier kan namelijk niet worden afgeleid dat dit bedrag , dan wel 30.000 euro, dat door [persoon 6] contant zou zijn betaald, ook daadwerkelijk aan verdachte is betaald. Verdachte zal voor dit deel, en daarmee ook voor hetgeen hem wordt verweten ten aanzien van de Mercedes ML, worden vrijgesproken.

4.3.5.

Bewezenverklaring van het in zaak A ten laste gelegde

4.3.5.1. Beoordelingskader

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van witwassen niet is vereist dat wordt bewezen uit welk specifiek misdrijf het voorwerp afkomstig is. Wel dient te worden bewezen dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte hier wetenschap van had, al dan niet in de zin van voorwaardelijk opzet.

Als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan toch bewezen worden geacht dat een voorwerp ‘uit enig misdrijf’ afkomstig is, wanneer het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Het is aan het OM bewijs bij te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

Als de aangedragen feiten en omstandigheden zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Zo'n verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn.

Als de verklaring van de verdachte daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het OM om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve (legale) herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Van gewoontewitwassen is sprake wanneer het witwassen herhaaldelijk plaatsvindt.

4.3.5.2. Witwasvermoeden

Uit het dossier leidt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden af.

Woning, auto’s en VIP tafels

Voor de woning aan de [adres woning] waar verdachte in 2013 een aantal maanden heeft gewoond, is volgens de beheerder van de woning, [naam getuige] , 8.000 euro betaald. Hoewel het huurcontract op naam van zijn ex-vriendin [persoon 8] (hierna: [persoon 8] ) stond, zijn alle betalingen door verdachte, in coupures van 50 euro, contant voldaan.

Getuige [naam getuige 1] (hierna: [naam getuige 1] ), eigenaar van het bedrijf [naam bedrijf 4] , heeft verklaard dat verdachte bij hem vier auto’s heeft gehuurd, te weten een Mercedes Benz ( [kenteken 1] ), een BMW X6 ( [kenteken 2] ), een BMW X6 ( [kenteken 3] ) en een Porsche Panamera ( [kenteken 4] ). De voertuigen zijn gehuurd in de periode van 9 oktober 2013 tot en met 24 maart 2014. Hoewel de facturen op naam stonden van [persoon 9] (hierna: [persoon 9] ), de ex-vriendin van verdachte, zijn de huurpenningen contant betaald door “Rastaman”. [naam getuige 1] heeft verklaard dat hij verdachte kent als Rastaman. [persoon 9] heeft ook verklaard dat verdachte de auto’s op haar naam heeft gehuurd. In totaal heeft verdachte 24.910,41 euro contant betaald aan [naam bedrijf 4] .

Uit de gesprekken met [naam getuige 3] (hierna: [naam getuige 3] ) is gebleken dat verdachte VIP tafels wilde huren voor het feest genaamd Afro Dance op 28 februari 2014. [naam getuige 3] heeft verklaard dat verdachte in februari of mei 2013 een VIP tafel voor 750 euro en op 28 februari 2014 tafels heeft gekocht ter waarde van 3.500 euro en dat hij toen ook flessen drank heeft gekocht en kurkengeld heeft betaald.

Televisie- en audioapparatuur, trapbekleding en computer

Het dossier bevat een bon van [naam bedrijf 6] van 11 februari 2014 van de contante aankoop van een Samsung televisie en diverse audioapparatuur ter waarde van 3.292,94 euro.

De oom van [persoon 8] , [persoon 10] (hierna: [persoon 10] ), heeft verklaard dat hij in de woning aan de [adres woning] de trap heeft gestoffeerd met een prijzig tapijt. Het tapijt heeft 500 euro gekost. [persoon 10] heeft verklaard dat hij 250 euro contant, in coupures van 50 euro, [persoon 8] , van de toenmalige vriendin van verdachte, heeft gekregen.

Uit de tapgesprekken van 20 februari 2014 is gebleken dat verdachte een computer wilde kopen van een persoon en dat hij hiervoor 900 euro wilde betalen, waarmee deze persoon akkoord ging. Deze persoon zou het even later samen met iemand komen brengen. Door de politie is een uur later geobserveerd dat twee personen bij de woning aan de [adres woning] kwamen en met een grote doos bij verdachte naar binnen gingen. Gezien de afmeting van de doos werd vermoed dat dit een computer was.

Merkschoenen en merkkleding

Bij de doorzoeking in de woning aan de [adres woning] , waar verdachte op dat moment verbleef, is een grote hoeveelheid merkschoenen en merkkleding aangetroffen. Een aantal schoenendozen met nieuwe schoenen zijn afkomstig van [naam bedrijf 5] . Uit de bij [naam bedrijf 5] opgevraagde informatie is gebleken dat de aankopen van de schoenen zijn gedaan tussen 5 oktober 2013 en 21 februari 2014 en dat de totaalprijs van deze schoenen 8.490 euro is geweest. Ook is bij verdachte een aantal schoenen van het merk Christian Louboutin aangetroffen. De politie heeft prijzen van deze schoenen opgezocht op de officiële websites van het merk Christian Louboutin, wat uitkwam op een totaalbedrag van 7.388,45 euro. Bij elkaar opgeteld komt dit uit op een totaalbedrag van ongeveer 15.000 euro.

Inkomen verdachte

Uit gegevens van de belastingdienst is gebleken dat verdachte sinds maart 2009 geen legale inkomsten meer heeft. Ook is gebleken dat verdachte geen uitkering of andere legale inkomsten ontvangt.

Conclusie witwasvermoeden

De rechtbank is van oordeel dat het (ontbreken van een) regulier(e) inkomen van verdachte de bovengenoemde uitgaven van verdachte niet verklaren. Bovendien vinden de betalingen van verdachte telkens contant plaats, waardoor hij nauwelijks gebruik maakt van het gangbare financiële verkeer. Deze omstandigheden leveren een witwastypologie op. De huurcontracten van de auto’s en de huurwoning heeft verdachte afgesloten op namen van zijn ex-vriendinnen. Hierdoor lijkt hij gebruik te willen maken van constructies om de meldgrens te ontduiken. Dit levert eveneens een witwastypologie op. Verdachte woont en leeft in Nederland, maar staat in de Gemeentelijke Basisadministratie als geëmigreerd geregistreerd. Ook dit levert een witwastypologie op. In telefoonverkeer maakt hij gebruik van versluierd taalgebruik en van een valse naam ( [persoon 11] ), ook bij de aankoop van goederen. Daarnaast kan hij in relatie worden gebracht met strafbare feiten en heeft hij criminele antecedenten. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat de voornoemde geldbedragen en luxegoederen uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat daarom van verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen en de luxegoederen.

4.3.5.3. Verklaring van verdachte

Woning, auto’s en VIP tafels

Verdachte heeft verklaard dat [persoon 8] heeft meebetaald aan de woning aan de [adres woning] en dat kennissen en artiesten hebben meebetaald aan de vier auto’s, omdat ook zij daarin hebben gereden. Deze verklaring is echter niet onderbouwd met bewijsstukken, waaruit bijvoorbeeld zou blijken dat iemand heeft meebetaald aan de auto’s. Bovendien hebben de door de verdediging verzochte getuigen verklaard dat zij nooit hebben meebetaald aan de auto’s. Of de huurpenningen een legale herkomst hadden of niet is op geen enkele wijze verifieerbaar.

Verdachte heeft verklaard dat het kan kloppen dat hij VIP tafels heeft gehuurd, maar dat hij niet meer weet hoeveel hij ervoor heeft betaald. Ook hebben kennissen meebetaald aan de tafels. Ook deze verklaring acht de rechtbank bij gebreke aan een onderbouwing onvoldoende concreet en verifieerbaar.

Televisie- en audioapparatuur, trapbekleding en computer

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij de televisie- en audioapparatuur bij Media Markt heeft gekocht, zoals op de bon staat vermeld. Deze bon staat op naam van [persoon 11] . Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij wel eens de naam [persoon 11] gebruikt.

Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij 900 euro voor de trapbekleding heeft betaald. Op zitting heeft verdachte verklaard dat [persoon 8] de trapbekleding heeft betaald en dat het minder was dan 900 euro.

Op zitting heeft verdachte verklaard dat hij de computer heeft gekocht.

Merkschoenen en merkkleding

Verdachte heeft verklaard dat hij weliswaar veel schoenen en merkkleding heeft gekocht, maar dat hij een groot gedeelte hiervan in de uitverkoop heeft gekocht dan wel korting heeft gekregen. Hij heeft voor de schoenen dan ook minder betaald dan de ten laste gelegde 15.000 euro. Ook heeft hij een deel van de schoenen en de kleding voorafgaand aan de ten laste gelegde periode gekocht. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring niet is onderbouwd met bewijsstukken, waaruit bijvoorbeeld zou kunnen blijken dat hij bepaalde goederen in de uitverkoop dan wel voor de ten laste gelegde periode heeft aangeschaft. Nu het om goederen, gekocht in 2013 en 2014, zou gaan, kan niet van het OM worden verwacht in dit stadium nog onderzoek te doen naar deze verklaring. Zijn verklaring is dan ook niet verifieerbaar en onaannemelijk.

Algemeen

Verdachte heeft verklaard in 2013 af en toe inkomsten te hebben vergaard door het organiseren van evenementen met zijn bedrijf [naam bedrijf 2] . Verder leefde hij in 2013 en 2014 voornamelijk van spaargeld. Hij heeft verklaard destijds niet meer dan 40.000 euro op zijn rekening te hebben staan. Verdachte heeft deze verklaring niet onderbouwd door bijvoorbeeld aan te tonen dat hij destijds over voldoende financiële middelen beschikte om bovenstaande uitgaven mee te kunnen voldoen. Niet is gebleken dat verdachte in 2013 of 2014 geld op zijn spaarrekening had. Ook heeft verdachte niet met stukken onderbouwd dat hij in 2013 en 2014 voldoende geld heeft verdiend met zijn bedrijf [naam bedrijf 2] om al deze uitgaven te kunnen doen. Het dossier lijkt juist het tegendeel aan te tonen. In dit stadium kan niet meer van het OM worden verwacht nader onderzoek te doen naar deze verklaring. De rechtbank acht zijn verklaring hoogst onwaarschijnlijk en niet verifieerbaar.

Conclusie verklaring verdachte

Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor de herkomst van de geldbedragen en de luxegoederen.

4.3.5.4. Conclusie witwassen

De rechtbank is van oordeel dat, nu verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de geldbedragen en de luxegoederen, er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het niet anders kan zijn dan dat de volgende geldbedragen en luxegoederen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een bedrag van 8.000 euro voor de huur van de woning aan de [adres woning] en van een bedrag van 24.910,41 euro voor huur van de Mercedes Benz ( [kenteken 1] ), de BMW X6 ( [kenteken 2] ), de BMW X6 ( [kenteken 3] ) en de Porsche Panamera ( [kenteken 4] ). Hoewel niet vaststaat hoeveel verdachte exact heeft betaald voor de VIP tafels, staat wel vast dat hij meerdere VIP tafels heeft gehuurd en daarbij ook flessen drank en kurkgeld heeft betaald. Daarmee komt het totale bedrag in dit verband op in totaal ongeveer 4.000 euro wat verdachte heeft witgewassen. De rechtbank acht ook bewezen dat ten aanzien van de televisie- en audioapparatuur, de trapbekleding, de computer en de merkschoenen ter waarde van 15.000 euro en merkkleding sprake is van witwassen.

Het witwassen heeft zich over een langere periode herhaaldelijk voorgedaan zodat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van gewoontewitwassen.

4.3.5.5. Vrijspraken ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde

Maandelijkse betaalverplichtingen aan [persoon 5]

Ten laste is gelegd dat verdachte maandelijks 700 euro aan zijn ex-vriendin [persoon 5] heeft betaald. Verdachte heeft verklaard dat hij [persoon 5] dit bedrag nooit heeft betaald en dat hij zijn kinderen verzorgt. Bovendien heeft verdachte een civiele rechtszaak gevoerd met [persoon 5] en heeft de rechter in die zaak geoordeeld dat verdachte geen alimentatie aan [persoon 5] hoeft te betalen. De rechtbank constateert dat [persoon 5] wisselend heeft verklaard over de bedragen die zij van verdachte zou krijgen. Ook heeft zij verklaard dat verdachte “te gierig is” omdat hij maar 200 euro voor de kinderen en 500 euro voor haar zou overhebben. Later zegt zij dat hij haar alleen nog maar 200 euro voor de kinderen zou willen geven. Nu uit het dossier niet is gebleken dat verdachte maandelijks een bedrag van 700 euro heeft voldaan, zal hij voor dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Openhaarden

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het witwassen van de openhaarden niet kan worden bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Uit het dossier is gebleken dat de bestelling van de openhaarden is geannuleerd, omdat verdachte niet aan zijn vertaalverplichting had voldaan en dat de openhaarden niet zijn geleverd.

Medeplegen

Niet kan worden bewezen dat verdachte het feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd. Verdachte zal daarom van het ten laste gelegde medeplegen worden vrijgesproken.

4.3.6.

Grondslag voor de bewezenverklaring

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Zaak A

in de periode van 1 januari 2013 tot en met 2 april 2014 te Amsterdam en elders in Nederland, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van witwassen, immers heeft hij, verdachte:

B geldbedragen, zijnde huurpenningen voor en betaling aan:

- de woning aan [adres woning] te Amsterdam, totaal ongeveer 8000 euro en

- huurauto's, Mercedes Benz [kenteken 1] -5, BMW X6 [kenteken 2] , BMW X6 [kenteken 2] , Porsche Panamera [kenteken 4] , te weten een geldbedrag van totaal ongeveer 24.910,41 euro en

- vip tafels bij The Sand Amsterdam, te weten in totaal ongeveer 4000 euro en

C luxegoederen, te weten:

- televisie- en audioapparatuur en

- een grote hoeveelheid merkschoenen, waarde ongeveer 15000 euro en

- trapbekleding en

- een grote hoeveelheid merkkleding en

- een computer

in elk geval een of meer geldbedrag(en) en(luxe) goederen, verworven en/of voorhanden gehad van voornoemde geldbedragen en/of goederen gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte telkens wist, dat bovenomschreven geldbedragen en/of goederen onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

Zaak B

1.

op 24 december 2012 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 5828 gram gedroogde plantdelen bevattende hennep, verpakt in vijf sealbags en een plastic zak;

2.

in de periode van 1 november 2012 tot en met 30 november 2012 te Amsterdam opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst bankafschrift op naam van [persoon 7] , - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte voornoemd bankafschrift meermalen heeft getoond aan [persoon] en [persoon 2] teneinde zijn kredietwaardigheid aan te tonen en een bedrijfspand opgeleverd te krijgen;

3.

in de periode van 1 november 2012 tot en met 30 november 2012 te Amsterdam met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen [naam bedrijf] heeft bewogen tot de oplevering van een bedrijfspand, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven – opzettelijk in strijd met de waarheid zich voorgedaan als bonafide huurder, waardoor [naam bedrijf] werd bewogen tot bovenomschreven oplevering;

Zaak D

1.

op 9 december 2016 te Diemen, [persoon 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [persoon 4] dreigend de woorden toegevoegd: “jij bent dood” en "de dag dat ik mijn kinderen niet meer mag zien, is de dag dat jij niet meer leeft" en "binnen 24 uur ben jij dood" en "ik ga naar mijn auto en dan schiet ik je dood”;

2.

(gevoegde zaak 13-689282-16)

op 22 juni 2016 te Amsterdam, opzettelijk zijn ex-vriendin [persoon 5] heeft mishandeld, welke mishandeling bestond uit het meermalen slaan tegen het hoofd, waardoor voornoemde [persoon 5] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Zaak E

(onderdeel van dossier 13-680176-15, zaaksdossier 13Rosas ZD03)

op 4 september 2014 te Amsterdam met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, een koper, te weten [persoon 6] , heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 26.000 euro hebbende verdachte toen aldaar met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk in strijd met de waarheid

- een aan hem verdachte, verhuurde huurauto, te weten een BMW X6 te koop aangeboden aan voornoemde koper [persoon 6] en

- ten opzichte van voornoemde koper [persoon 6] voorgedaan als eigenaar

waardoor voornoemde koper van auto werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank leest het in de zesde regel van het in zaak A onder kopje “B” ten laste gelegde vermelde “ [adres woning] ” als “ [adres woning] ”, aangezien hier sprake is van een kennelijke misslag.

De rechtbank leest het in de eerste regel van het in zaak D onder 2 ten laste gelegde vermelde “zijn ex-vriendin [persoon 5] ” als “ [persoon 5] ”, aangezien hier sprake is van een kennelijke misslag. Door de verbetering van deze misslag wordt verdachte niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 7 (zeven) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

8.2.

Strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij is verantwoordelijk en draagt de zorg voor zijn kinderen en heeft verklaard zijn leven te hebben opgepakt. Een gevangenisstraf zou dit doorkruisen. Daarnaast is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Ook heeft de raadsvrouw verzocht om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het herhaaldelijk witwassen van meerdere geldbedragen en diverse (luxe) goederen. Dat levert een ernstig misdrijf op, temeer nu verdachte daarmee bijdraagt aan de instandhouding van andere ernstige vormen van criminaliteit. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan oplichting van [persoon 6] en [naam bedrijf] . Bij de oplichting van [naam bedrijf] heeft verdachte gebruik gemaakt van een vervalst bankafschrift. In beide gevallen ging het om aanzienlijke bedragen, waardoor de benadeelden financiële schade hebben geleden. Verdachte heeft de benadeelden slechts gebruikt om er zelf beter van te worden. Het lijkt erop dat verdachte er kennelijk voor heeft gekozen om via criminele weg aan zijn inkomsten te komen en dat hij zich daarbij niets aantrekt van de (persoonlijke) schade die hij hiermee bij anderen aanricht.

Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een aanmerkelijke hoeveelheid hennep, het mishandelen van zijn ex-vriendin [persoon 5] en het bedreigen van zijn ex-vriendin [persoon 4] . Met het mishandelen en bedreigen van zijn ex-vriendinnen heeft verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op hun lichamelijke en geestelijke integriteit.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht als uitgangspunt genomen. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat hij eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank houdt bij de vaststelling van de strafmaat rekening met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt dat zij in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden passend en geboden had gevonden. Ten aanzien van een aantal van de bewezen verklaarde feiten (het aanwezig hebben van de hennep, de valsheid in geschrifte en de oplichting van onder andere [naam bedrijf] ) heeft echter een ernstige overschrijding van de redelijke termijn plaatsgevonden. Verdachte dient hiervoor te worden gecompenseerd door middel van vermindering van de straf. Om die reden zal de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Daarbij ziet de rechtbank aanleiding om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, als stok achter de deur.

9 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

  • -

    Itemnummer 4733267 – 1.00 STK Pandbrief, pandbelening

  • -

    Itemnummer 4732750 – 1.00 STK Horloge Cartier, herenhorloge

9.1.

Onttrekking aan het verkeer

Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: het Cartier horloge, dient onttrokken te worden aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, aangezien dit voorwerp vervalst is.

9.2.

Bewaren ten behoeve van de rechthebbende

Het in beslag genomen voorwerp en niet teruggegeven voorwerp, te weten: een pandbrief, wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

10 Benadeelde partijen

10.1.

Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 5] en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon 5] vordert € 400,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering geheel toe te wijzen vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsvrouw heeft primair verzocht om de vordering af te wijzen, omdat de vordering niet is onderbouwd. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de vordering te matigen.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak D onder 2 bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op € 150,00 (honderdvijftig euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2016 tot de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij [persoon 5] zal voor het overige, te weten € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [persoon 5] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

10.2.

Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 6] en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon 6] vordert € 26.000,00 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering geheel toe te wijzen vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsvrouw heeft verzocht de vordering af te wijzen, omdat zij vrijspraak ten aanzien van dit feit heeft bepleit.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak E bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

In het belang van [persoon 6] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

11 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen

11.1.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 23/001803-10

Bij de stukken bevindt zich de op 15 april 2014 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 23/001803-10, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 31 mei 2011 van het gerechtshof Amsterdam, waarbij verdachte onder meer is veroordeeld tot 4 (vier) maanden gevangenisstraf, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.

De rechtbank zal – in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf te geven – gelasten dat de gevangenisstraf van vier maanden zal worden omgezet in een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 240 (tweehonderdveertig) uren.

11.2.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 13/850315-10

Bij de stukken bevindt zich de op 10 april 2014 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/850315-10, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 23 juli 2010 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 30 (dertig) uren, te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14g, 36b, 36c, 57, 63, 285, 300, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

13 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het in zaak A onder kopje “A” en het vijfde gedachtestreepje onder kopje “C” ten laste gelegde nietig.

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van het onder in zaak C onder 1 ten laste gelegde.

Verklaart het in zaak C onder 2 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A, zaak B onder 1, 2 en 3, zaak D onder 1 en 2 en zaak E ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het in zaak A bewezen verklaarde:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

ten aanzien van het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet genoemde verbod;

ten aanzien van het in zaak B onder 2 bewezen verklaarde:

opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst;

ten aanzien van het in zaak B onder 3 en in zaak E bewezen verklaarde:

oplichting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het in zaak D onder 1 bewezen verklaarde:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van het in zaak D onder 2 bewezen verklaarde:

mishandeling.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 31 mei 2011 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Gelast – in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 4 (vier) maanden – een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 4 (vier) maanden.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorzover deze voorwaardelijk is opgelegd bij voornoemd vonnis van 23 juli 2010, zijnde een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 30 (dertig) uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: Itemnummer 4732750 – 1.00 STK Horloge Cartier, herenhorloge.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van: Itemnummer 4733267 – 1.00 STK Pandbrief, pandbelening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 5] toe tot een bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van 22 juni 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 5] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 5] , € 150,00 (honderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 22 juni 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 3 (drie) dagen.

De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 6] toe tot een bedrag van € 26.000,00 (zesentwintigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van 4 september 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 6] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 6] , € 26.000,00 (zesentwintigduizend euro) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 4 september 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 165 (honderdvijfenzestig) dagen.

De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. M.C.M. Hamer en L. Dolfing, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.L. Lugthart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juli 2018.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

[...]

- [...]

;

[...]