Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7305

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
23-10-2018
Zaaknummer
13/730061-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrijspraak voorbereiding moord/doodslag/diefstal met geweld/brandstichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730061-16 (Promis)

Datum uitspraak: 23 augustus 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres]
.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. H. Vriezen-Buist, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C.C. Polat, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd en na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1.

primair:

medeplegen van voorbereiding van moord, doodslag, diefstal met geweld of brandstichting in de periode 10 september 2016 tot met 27 september 2016 te Amersfoort;

subsidiair:

medeplichtigheid aan medeplegen van voorbereiding van moord, doodslag, diefstal met geweld of brandstichting in de periode 10 september 2016 tot met 27 september 2016 te Amersfoort;

2.

voorhanden hebben van een vuurwapen en een patroon op 27 september 2016 te Amersfoort;

3.

witwassen van een geldbedrag en plakjes goud op 27 september 2016 te Amersfoort.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.1.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft ter terechtzitting – kort gezegd – primair betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, omdat het dossier sterke aanwijzingen bevat dat de FBI zelf actief heeft geprobeerd om (nep)semtex te verkopen en hiertoe afspraken heeft gemaakt, waardoor sprake is van uitlokking.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat er sprake is van uitlokking door de FBI. De informatie is volgens mededelingen aan het LIRC op rechtmatige wijze verkregen en kan om die reden worden meegenomen bij het strafrechtelijk onderzoek. Zij acht zichzelf ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Van uitlokking is pas sprake als verdachte door het handelen van de FBI tot andere handelingen is gebracht dan die waarop zijn opzet al was gericht. Hiervoor zijn geen aanwijzingen in het dossier. De rechtbank heeft op 22 december 2016 al overwogen dat de enkele stelling, dat de FBI op het dark web aanwezig is, onvoldoende is om aan te nemen dat mogelijk sprake is van uitlokking. Weliswaar is destijds ook overwogen dat het onderzoek nog gaande was, maar er zijn tot op heden geen nadere onderzoeksresultaten die aanknopingspunten bieden voor het door de verdediging geschetste uitlokkingsscenario. Hoewel de rechtbank net als de verdediging best wil aannemen dat de FBI als pseudo-verkoper van de semtex heeft gefungeerd, is daarmee niet zonder meer aannemelijk dat de FBI de koper ‘[naam]’ heeft gebracht tot handelen waar zijn opzet niet reeds op was gericht. In de beperkte informatie die de FBI heeft doorgegeven staat immers vermeld dat het onderzoek ermee is gestart dat deze [naam] op AlphaBay een verzoek had geplaatst om onder meer semtex te kopen. Ook de overige informatie van de zijde van de FBI wijst niet op het wekken van de interesse van [naam] voor het kopen van semtex. Integendeel. Daarbij merkt de rechtbank ten overvloede nog op dat de verdediging tegelijkertijd het standpunt verdedigt dat verdachte niet de koper is geweest, zodat op voorhand niet zonder meer valt in te zien welk belang verdachte heeft bij dit uitlokkingsverweer. Ook merkt de rechtbank ten overvloede nog op, dat is gesteld noch gebleken dat het openbaar ministerie enige rol bij of invloed op het handelen van de FBI heeft gehad.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen

Subsidiair heeft de raadsman een voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen ingediend. De verdediging zou de in Nederland gestationeerde liaison van de Verenigde Staten van Amerika en [persoon] willen horen om te onderzoeken wat de rol van de FBI is geweest en of verdachte is uitgelokt.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorwaardelijke getuigenverzoeken moeten worden afgewezen, omdat dit op 22 december 2016 al door de rechtbank is gedaan. Om die reden is geen sprake meer van het verdedigingsbelang. Bovendien heeft de raadsman bepleit dat verdachte geen (nep)semtex op het dark web heeft gekocht, zodat verdachte niet degene zou zijn die is uitgelokt.

De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van de getuigen als onvoldoende onderbouwd af. De rechtbank heeft hierboven al vastgesteld dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat sprake is van uitlokking. Daarbij is het de vraag welk belang de verdediging heeft bij het horen van de verzochte getuigen, aangezien het standpunt van de verdediging is dat verdachte niet de koper van de semtex is.

3.2.

Conclusie voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft overeenkomstig haar op schrift gestelde aantekeningen gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde op grond van de berichten van de FBI, de observatie op 27 september 2016 en de markeringsstof die op de handen van verdachte is aangetroffen. Bewezen kan worden dat verdachte door het verwerven of voorhanden hebben van (nep)semtex en ontstekers samen met een ander voorbereidingshandelingen heeft verricht voor moord, doodslag, diefstal met geweld of brandstichting. Bovendien had verdachte spullen in zijn slaapkamer, zoals vuurwerk en een taser, die doorgaans gebruikt worden voor het plegen van plofkraken. Hoewel uit deze omstandigheden geen concreet strafbaar feit kan worden afgeleid, maakt de aard van de voorwerpen dat bewezen kan worden dat de voorwerpen waren bestemd tot het begaan van één van die misdrijven.

Verdachte heeft het lieveheersbeestje, waarin de (nep)semtex zat verstopt, meteen opengemaakt. De verklaring van verdachte, dat hij het pakket moest ophalen van een opdrachtgever, voor wie hij verklaart erg bang te zijn, en dat hij het heeft opengemaakt uit nieuwsgierigheid, moet als kennelijk leugenachtig worden aangemerkt. Als hij zich daadwerkelijk bedreigd voelde door de opdrachtgever, had hij het pakket nooit meteen geopend en had hij zijn opdrachtgever meteen gebeld na het in ontvangst nemen van het pakket. Daarbij had verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] gereedschap in de auto aanwezig om het lieveheersbeestje open te maken en hadden zij de auto op een strategische plek, namelijk in een wasstraat, gezet om het lieveheersbeestje te openen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie gerekwireerd dat het feit kan worden bewezen op grond van het proces-verbaal van de doorzoeking, het NFI-rapport en de bekennende verklaring van verdachte.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 3 vrijspraak gevorderd, omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft overeenkomstig zijn pleitaantekeningen verzocht om verdachte vrij te spreken van het onder 1 en 3 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman primair verzocht om vrijspraak, omdat alleen het ophalen van het pakket en het uit nieuwsgierigheid openen hiervan onvoldoende is voor het aannemen van een aanmerkelijke kans op voorbereidingshandelingen zoals onder 1 ten laste gelegd. Subsidiair moet verdachte worden vrijgesproken, omdat sprake is van voorbereiding van een vierjaars-feit en niet van een achtjaars-feit. Meer subsidiair moet verdachte worden vrijgesproken, omdat niet duidelijk is op welk concreet strafbare feit de voorbereiding ziet.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van het onder 1 en 3 ten laste gelegde

De rechtbank acht niet bewezen wat onder 1 en 3 is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij tezamen en in vereniging met anderen (nep)semtex en ontstekers heeft verworven of voorhanden gehad en dat die goederen bestemd waren tot het begaan van moord, doodslag, diefstal met geweld of brandstichting dan wel dat hij hieraan medeplichtig is geweest. Voor zover verdachte al middelen heeft besteld en/of voorhanden heeft gehad die naar hun uiterlijke verschijningsvorm en gebruik bestemd kunnen zijn voor het begaan van de hiervoor genoemde misdrijven, moet, zoals de Hoge Raad in zijn uitspraak van 28 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:179) heeft bepaald, niet alleen gekeken worden naar de aard van de voorwerpen, maar ook naar het misdadig doel dat verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had. Er moet sprake zijn van een min of meer concreet strafbaar feit.

De rechtbank stelt voorop dat vastgesteld kan worden dat verdachte op de dag van zijn aanhouding wist dat hij iets crimineels aan het doen was toen hij het pakketje in ontvangst nam en meenam. De rechtbank is echter van oordeel dat niet met voldoende bepaaldheid is gebleken welk crimineel doel verdachte met dat pakketje voor ogen had. Voor het bewijs dat de ten laste gelegde voorwerpen “bestemd waren tot het begaan van dat misdrijf” moeten ook de contouren van het (feitelijk) te plegen misdrijf blijken, hetgeen in de onderhavige zaak ontbreekt. De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie in haar requisitoir niet heeft kunnen benoemen om welk soort misdrijf het zou gaan. Ook in de informatie die het LIRC ontving worden meerdere soorten misdrijven genoemd. De spullen, die in de slaapkamer van verdachte zijn aangetroffen, wijzen evenmin in een zodanige richting dat een concreet crimineel doel kan worden vastgesteld. De verklaring van verdachte biedt in dit verband ook onvoldoende aanknopingspunten. Omdat onvoldoende duidelijk is wat de bedoeling van verdachte en eventuele mededaders was, kan de waardering van de betrouwbaarheid van de verklaring van verdachte over zijn rol in het midden blijven. Verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Ook zal verdachte worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde, omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Er is blijkbaar wel nader onderzoek gedaan naar de herkomst van het in beslag genomen goud en geld, maar daarvan bevinden zich geen processen-verbaal in het dossier en het beslag is geretourneerd aan een familielid van verdachte. Daaruit leidt de rechtbank genoegzaam af dat het vermoeden van een criminele herkomst kennelijk is ontzenuwd.

Bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 27 september 2016 een wapen, merk: Erma Werke, model: EP 552S, kaliber: .22 Long Rifle, en een patroon, type: .22 Long Rifle, voorhanden heeft gehad op grond van de bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, het proces-verbaal van de doorzoeking en het NFI-rapport. De rechtbank begrijpt, anders dan de tenlastelegging lijkt te suggereren, dat het een wapen van categorie III betreft. Immers is uit het proces-verbaal wapenonderzoek gebleken dat het pistool met itemnummer 5260295 een vuurwapen in de zin van categorie III is, waarvan het voorhanden hebben strafbaar is gesteld in artikel 55 lid 3 onder a van de Wet wapens en munitie.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 27 september 2016 te [adres],

- een wapen (merk: Erma Werke, model: EP 552S, kaliber: .22 Long Rifle, itemnummer 5260295, van categorie III en

- een patroon, type: .22 Long Rifle, geschikt om afgeschoten te worden met het vuurwapen met itemnummer 5260295, van categorie III,

voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank leest het in het eerste gedachtestreepje van het ten laste gelegde vermelde “van categorie II” als “categorie III”, aangezien hier sprake is van een kennelijke verschrijving. Door de verbetering van deze verschrijving wordt verdachte niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd de bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering geadviseerd, op te leggen.

8.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om aan te sluiten bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) en geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan het voorarrest.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met een patroon. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt een groot veiligheidsrisico met zich mee en dient om die reden te worden bestreden.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank acht geslagen op wat in de LOVS voor wapenbezit als landelijk oriëntatiepunt is genoemd bij het voorhanden hebben van een pistool, namelijk een gevangenisstraf van drie maanden. De rechtbank ziet geen omstandigheden die aanleiding geven om van dit uitgangspunt af te wijken. Ook ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd in het reclasseringsadvies van 12 mei 2017, omdat ter terechtzitting is gebleken dat verdachte inmiddels werk en dus dagbesteding heeft.

9 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

2. Itemnummer 5260295 - 1.00 STK Pistool

3. Itemnummer 5260454 - 1.00 STK Patroonhouder

4. Itemnummer 5260127 - 1.00 STK Computer Kl:zwart HP

5. Itemnummer 5260131 - 1.00 STK Computer Xl:rood KLIPSCH

6. Itemnummer 5260135 - 1.00 STK Computer K1:zwart HP Probook

7. Itemnummer 5260485 - 1.00 STK Zaktelefoon SAMSUNG

8. Itemnummer 5260174 - 1.00 STK Computer HITACHI

9. Itemnummer 5260188 - 1.00 STK USB-stick (memorykaart) INTEGRAL

10. Itemnummer 5260191 - 1.00 STK USB-stick (memorykaart) MICRO SD

11. Itemnummer 5260177 - 1.00 STK USB-stick (memorykaart) HEMA

12. Itemnummer 5260178 - 1.00 STK USB-stick (memorykaart)

13. Itemnummer 5260184 - 1.00 STK USB-stick (memorykaart) TRANSCEND

14. Itemnummer 5260185 - 1.00 STK USB-stick (memorykaart)

15. Itemnummer 5260186 - 1.00 STK USB-stick (memorykaart)

16. Itemnummer 5260190 - 1.00 STK USB-stick (memorykaart) KINGSTON

17. Itemnummer 5260194 - 1.00 STK USB-stick (memorykaart) IMATION

18. Itemnummer 5260459 - 1.00 STK Doos

19. Itemnummer 5260136 - 1.00 STK Simkaart van zaktelefoon LYCRAMOBILE

20. Itemnummer 5260138 - 1.00 STK Simkaart van zaktelefoon LEBARA

21. Itemnummer 5260141 - 1.00 STK Simkaart van zaktelefoon DELIGHT MOBILE

22. Itemnummer 5260143 - 1.00 STK Simkaart van zaktelefoon DELIGHT MOBILE

23. Itemnummer 5260162 - 1.00 STK Simkaart van zaktelefoon LEBARA

24. Itemnummer 5260164 - 1.00 STK Simkaart van zaktelefoon LEBARA

25. Itemnummer 5281281 - 1.00 STK Harddisk

26. Itemnummer 5281286 - 1.00 STK APPLE IPOD

27. Itemnummer 5260270 - 1.00 STK Paspoort NVH9RH154

28. Itemnummer 5260250 - 1.00 STK Stoorzender

29. Itemnummer 5260120 - 1.00 STK Zaktelefoon IPHONE 4

30. Itemnummer 5260123 - 1.00 STK Zaktelefoon BLACKBERRY BOLD

31. Itemnummer 5260125 - 1.00 STK Zaktelefoon NOKIA

32. Itemnummer 5260129 - 1.00 STK Zaktelefoon SAMSUNG

33. Itemnummer 5260130 - 1.00 STK Zaktelefoon NOKIA

34. Itemnummer 5260132 - 1.00 STK Zaktelefoon ZIZO

De nummers 4 tot en met 26 en 29 tot en met 34 behoren aan verdachte toe en dienen aan hem te worden geretourneerd nu een relatie met het ten laste gelegde ontbreekt.

Nummer 27 wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

Nummers 2, 3 en 28 worden onttrokken aan het verkeer nu met betrekking tot deze voorwerpen het onder 2 bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: nummers 2, 3 en 28 genoemd onder rubriek 9.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van: nummers 4 tot en met 26 en 29 tot en met 34 genoemd onder rubriek 9.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van: nummer 27 genoemd onder rubriek 9.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,

mrs. M.F. Ferdinandusse en J.M. Hoogveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.L. Lugthart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 augustus 2018.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

[...]