Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7211

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-10-2018
Datum publicatie
11-10-2018
Zaaknummer
751533-18
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Pools vervolgings-EAB. De rechtbank stelt vast dat recente ingrijpende wijzigingen in de Poolse rechterlijke organisatie de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties in dat land in gevaar brengen. Hierdoor zou het grondrecht van de verdachte op een eerlijk proces kunnen worden aangetast. De rechtbank houdt de behandeling van het overleveringsverzoek aan tot de Poolse justitiële autoriteiten op een aantal vragen van de rechtbank hebben geantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-751533-18

RK nummer: 18/4867

Datum uitspraak: 4 oktober 2018

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 juli 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 17 augustus 2009 door Sąd Okręgowy w Gliwicach (the Regional Court in Gliwice, Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1983,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in de [detentieplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 augustus 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. H. van der Ende, advocaat te Venlo en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 11 september 2018 gesloten.

Bij tussenuitspraak van 25 september 2018 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor bepaalde tijd geschorst (tot 4 oktober 2018 om 12.30 uur), omdat zij meer tijd nodig had voor haar uitspraak.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een executive judicial decision of detention awaiting trial van the District Court in Ruda Slaska van 16 juni 2009 met referentie II Kp 124/09 (3 Ds. 328/06).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Polen strafbare feiten.

De feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4 Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

bedreiging met mishandeling, meermalen gepleegd;

mishandeling, meermalen gepleegd.

5 Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

5.1

Inleiding

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 16 augustus 2018 (vindplaats: ECLI:NL:RBAMS:2018:5925), betreffende een andere overleveringszaak waarin sprake was van een Pools vervolgings-EAB, een uitleg gegeven van het toetsingskader dat is gegeven in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 25 juli 2018 in de zaak C-216/18 PPU (hierna: het arrest). De rechtbank verwijst in zoverre naar deze tussenuitspraak van 16 augustus 2018.

De rechtbank heeft uit het arrest afgeleid dat allereerst de vraag moet worden beantwoord of er een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van Polen betreft, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen.

De rechtbank heeft overwogen dat het daartoe te verrichten onderzoek zal moeten zijn gericht op de beantwoording van de volgende vragen:

  1. of de inlichtingen in het met redenen omkleed voorstel, dan wel eventuele andere objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over het functioneren van het gerechtelijk apparaat in Polen tot de conclusie leiden dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van Polen betreft, en zo ja,

  2. of die structurele of fundamentele gebreken de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen, en zo ja,

  3. of er een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast door de door die structurele of fundamentele gebreken in gevaar gebrachte onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties in Polen.

Vervolgens heeft de rechtbank in voornoemde tussenuitspraak het onderzoek heropend om de raadsman en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen:

  • -

    een (nader) onderbouwd standpunt in te nemen ten aanzien van vraag 1 in het hiervoor weergegeven toetsingskader, te weten of er een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van Polen betreft, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen.

  • -

    daarbij achtereenvolgens de in voornoemde tussenuitspraak onder a, b, en c vermelde vragen te beantwoorden en – zo nodig – de maatstaven die zien op de onafhankelijkheid van de rechter, zoals in het arrest weergegeven in de punten 63 tot en met 67, te hanteren.

De officier van justitie heeft de tussenuitspraak van 16 augustus 2018 onder de aandacht van de raadsvrouw gebracht. Mede gelet op hetgeen in deze uitspraak is overwogen, hebben de officier van justitie en de raadsvrouw hun standpunten naar voren gebracht.

5.2

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering dient te worden geweigerd. De opgeëiste persoon loopt, indien hij aan Polen wordt overgeleverd, een reëel gevaar dat zijn recht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast. Dit kan worden vastgesteld op basis van het met redenen omkleed voorstel op grond van artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, inzake de rechtsstaat in Polen (hierna: het met redenen omkleed voorstel). Indien de overlevering wordt toegestaan, wordt de opgeëiste persoon waarschijnlijk berecht door een District Court. Gelet op de inhoud van het met redenen omkleed voorstel bestaat er bezorgdheid over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen. De opgeëiste persoon moet in Polen wellicht verschijnen voor rechters van wie niet duidelijk is op welke wijze en door wie zij zijn benoemd, en wat hun politieke voorkeuren en ambities zijn. Een rechter in een District Court – en vervolgens eventueel een rechter in hoger beroep – zou geneigd kunnen zijn om zijn oordeel te laten beïnvloeden.

Subsidiair verzoekt de raadsvrouw de rechtbank om de zaak aan te houden en bij de Poolse autoriteiten na te gaan door welke rechtbank en welke rechters de opgeëiste persoon na zijn overlevering zou worden berecht.

5.3

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verwezen naar een schriftelijk standpunt, dat zij aan de rechtbank heeft doen toekomen in de eerdergenoemde zaak waarin op 16 augustus 2018 een tussenuitspraak is gewezen, en waarvan zij heeft verzocht dit ook in deze zaak als herhaald en ingelast te beschouwen. De officier van justitie heeft, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht.

De rechtbank moet beoordelen of met het voorstel van de Europese Commissie in het kader van de artikel 7-VEU-procedure, eventueel in samenhang bezien met andere gegevens, genoegzaam is komen vast te staan dat sprake is van structurele dan wel fundamentele gebreken betreffende de rechterlijke macht in Polen die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen.

Dat is naar het oordeel van de officier van justitie niet het geval. De wetswijzigingen die in Polen zijn doorgevoerd met betrekking tot de rechterlijke macht zijn weliswaar verontrustend, maar dat laat onverlet dat er sprake moet zijn van een structureel gebrek dat uiteindelijk zal leiden tot een risico voor een ieder dat zijn of haar grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast. Een dergelijke situatie is thans niet aan de orde.

Allereerst wordt uit het arrest niet duidelijk wat moet worden verstaan onder een structureel of fundamenteel gebrek. Weliswaar wordt het met redenen omklede voorstel van de Europese Commissie door het HvJ erkend als waardevol document om tot een vaststelling te kunnen komen van het al dan niet aanwezig zijn van structurele gebreken, maar van belang is dat de Europese Commissie een politiek orgaan binnen de Europese Unie is.

Het is lastig andere objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens te vinden. Er is geen rechtspraak voorhanden van het Europees Hof van de Rechten van de Mens met betrekking tot deze specifieke situatie en er zijn geen rapportages van een vergelijkbare organisatie als het CPT van de Raad van Europa die in deze zaak gebruikt kunnen worden om te toetsen wat de staat van de Poolse rechtsstaat is. Dat betekent dat in feite overblijft het voorstel van de Europese Commissie in de artikel 7-procedure. De rechtbank beschikt niet over nieuwe informatie in relatie tot haar beslissing in een soortgelijke zaak van januari 2018.

Daar komt bij dat in Polen de situatie verre van uitgekristalliseerd is. De Europese Raad dient nog een beslissing te nemen op het voorstel van de Europese Commissie om tot de vaststelling te komen van een duidelijk gevaar voor een ernstige schending (artikel 7 eerste lid, VEU). Het is niet te voorspellen (en zelfs de vraag) of dat zal gebeuren.

Daarnaast hebben gremia zoals het ENCJ weliswaar hun zorgen geuit over de gevolgen van de wetswijzigingen voor de onafhankelijkheid van de rechtspraak, maar ook daar zijn vooralsnog geen harde conclusies aan verbonden.

Voorts is sprake van een tegenbeweging in Polen - en dus van een functionerende rechtsstaat - gelet op het feit dat door het Poolse Hooggerechtshof prejudiciële vragen zijn gesteld aan het HvJ met betrekking tot de wetswijzigingen ten aanzien van het ontslag en nieuwe aanstelling van leden van het Hooggerechtshof.

Ten slotte zijn er in de onderhavige zaak geen onderbouwde redenen gesteld of gebleken om aan te nemen dat de opgeëiste persoon bijzondere vrees zou moeten hebben dat zijn zaak anders zou worden behandeld dan de zaak van anderen.

5.4

Oordeel van de rechtbank

5.4.1

Bespreking van de eerste vraag

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende rapportages en voorstellen betreffende de ontwikkelingen op het gebied van de rechtsstaat in Polen, naar aanleiding van wetswijzigingen die het functioneren van de rechtspraak in Polen betreffen:

  • -

    Opinion No. 904/2017, van 11 december 2017, van the European Commission for Democracy through Law (Venice Commission);

  • -

    Het met redenen omkleed voorstel op grond van artikel 7, lid 1 van het VEU, inzake de rechtsstaat in Polen, van 20 december 2017 opgesteld door de Europese Commissie (COM(2017) 835 final), met de aanvulling van 18 april 2018;

  • -

    Gegevens van the European Network of Councils for the Judiciary, in het bijzonder:
    - ENCJ Lisbon declaration (1 juni 2018)
    - Issues that the ENCJ delegation would like to discuss at the meeting with the Polish
    National Judicial Council (KRS) on 21 June 2018
    - Position Paper of the Board of the ENCJ on the membership of the KRS of Poland
    (16 augustus 2018)

  • -

    Report of Special Rapporteur on the Independence of judges and lawyers on his mission to Poland, 5 April 2018, A/HRC/38/38/Add.1, United Nations, General Assembly, Human Rights Council;

  • -

    Final Opinion on Draft Amendments to the Act on the National Council of the Judiciary and Certain Other Acts of Poland, 5 mei 2017, JUD-POL/305/2017-Final [AlC/YM], OSCE/ODIHR;

  • -

    Opinion on Certain Provisions of the Draft Act on the Supreme Court of Poland, 30 augustus 2017, JUD-POL/313/2017 [AlC], OSCE/ODIHR;

  • -

    Opinion on Certain Provisions of the Draft Act on the Supreme Court of Poland (as of 26 September 2017), 13 november 2017, JUD-POL/315/2017 [AlC], OSCE/ODIHR;

  • -

    Addendum to the Fourth Round Evaluation Report on Poland (Rule 34) van de Council of Europe’s Group of States against Corruption (GRECO), van 22 juni 2018, Greco-AdHocRep(2018)3.

  • -

    The white paper on the Reform of the Polish Judiciary, van 7 maart 2018, opgesteld door de Poolse regering naar aanleiding van het ‘met redenen omkleed voorstel’ van de Europese Commissie, en

  • -

    Answers to the questions asked by the ENCJ regarding the issues the ENCJ wanted
    to discuss at the meeting with the National Council of the Judiciary on 21 June 2018
    van the Chairman of the national council of the judiciary of Poland, 12 juli 2018.

Deze rapportages en voorstellen bevatten objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over het functioneren van het gerechtelijk apparaat in Polen. De rechtbank weegt deze gegevens mee in haar beantwoording van de vraag of er sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van Polen betreft.

Uit de eerdergenoemde documenten blijkt dat er zich recent ingrijpende wijzigingen hebben voorgedaan ten aanzien van de rechterlijke organisatie in Polen. Na de inwerkingtreding van een nieuwe wet inzake het Constitutioneel Hof in 2016, werden in het bijzonder de volgende wetten gewijzigd:

  • -

    de wet inzake de Nationale Raad voor Justitie, in werking getreden op 1 januari 2018;

  • -

    de wet inzake de Nationale School voor de rechterlijke macht, in werking getreden op 20 juni 2017;

  • -

    de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken, in werking getreden op 12 augustus 2017;

  • -

    de wet inzake het Hooggerechtshof, in werking getreden op 3 juli 2018.

De rechtbank deelt de in het rapport van de Venice Commission van 11 december 2017 neergelegde conclusie dat de wijzigingen die in de genoemde wetgeving besloten liggen, in onderlinge samenhang bezien en in de context van verdere wetgeving (de Venice Commission noemt in dit verband expliciet de wet van 2016 inzake het Openbaar Ministerie in Polen), de wetgevende en de uitvoerende macht de bevoegdheid geven om diepgaand en omvattend in te grijpen in de rechtsbedeling en dat deze aldus een ernstige bedreiging vormen voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.

De rechtbank stelt vast dat de genoemde wetsvoorstellen inmiddels in werking zijn getreden. Ook blijkt uit de genoemde documenten dat in de praktijk van de bevoegdheden die hierin zijn opgenomen gebruik wordt gemaakt. Zo is onder meer in de Poolse White Paper (pag. 38) vermeld dat in de eerste zes maanden na de inwerkingtreding van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken (dat wil zeggen tot 12 februari 2018) 18,6% van de (vice)presidenten van de gewone rechtbanken is vervangen. Voorts is per 3 juli 2018 een nieuwe pensioengerechtigde leeftijd gaan gelden voor raadsheren van het Hooggerechtshof in Polen, waardoor de zittingstermijn van 40% van de raadsheren van dit hof, inclusief de president van het Hooggerechtshof, is verkort.

Naar het oordeel van de rechtbank moet tegen deze achtergrond, aan de hand van de in de punten 62 tot en met 67 van het arrest van het HvJ in herinnering gebrachte vereisten, worden vastgesteld dat er sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen. De rechtbank stelt tevens vast dat er daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces van de opgeëiste persoon in de kern wordt aangetast.

De rechtbank overweegt daarbij nog dat de respons zoals deze in het bijzonder in de White Paper en de Answers to the questions asked by the ENCJ is opgenomen, belangrijke punten van zorg omtrent de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht minst genomen niet

wegneemt en derhalve niet afdoet aan haar vaststelling dat er een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast.

5.4.2

Bespreking van de tweede vraag

Gelet op de hiervoor genoemde vaststelling en het in meergenoemd arrest van het HvJ gegeven toetsingskader, moet de rechtbank vervolgens concreet en nauwkeurig beoordelen of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen.

Hiertoe dient de rechtbank in de eerste plaats te onderzoeken in hoeverre de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties in Polen betreft, gevolgen kunnen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.

Om deze vraag te kunnen beantwoorden, heeft de rechtbank behoefte aan een actueel en concreet beeld van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.

De rechtbank nodigt de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom uit tot een dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78. Om haar in staat te stellen een beslissing te nemen over de overlevering als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, verzoekt de rechtbank op grond van het tweede lid van dit artikel de uitvaardigende autoriteit om gegevens over de actuele en concrete gevolgen van de recente Poolse wetgeving voor de rechterlijke instanties die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de gezochte persoon zal worden onderworpen, als bedoeld in rechtsoverweging 74 van het arrest. De rechtbank nodigt de uitvaardigende Poolse autoriteit bovendien uit tot het verschaffen van andere gegevens die zij voor de door deze rechtbank te nemen beslissing van belang acht in het bijzonder ook gegevens waarmee kan worden aangetoond dat het gevaar voor een aantasting van het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht en daarmee zijn grondrecht op een eerlijk proces kan worden uitgesloten.

Teneinde een vruchtbare dialoog te kunnen starten heeft de rechtbank getracht om in dit stadium van die dialoog een balans te vinden tussen een zo concreet mogelijke bevraging en de praktische uitvoerbaarheid van de beantwoording van die vragen.

De rechtbank verzoekt in het kader van die dialoog in ieder geval om gegevens met betrekking tot de volgende onderwerpen:

  1. de personele wijzigingen die zich sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken hebben voorgedaan, in het bijzonder de wijzigingen met betrekking tot de (vice)voorzitters en rechters;

  2. de regels en procedures met betrekking tot de toewijzing van zaken aan kamers of rechters binnen de bevoegde rechterlijke instanties en de behandeling daarvan;

  3. de tuchtzaken of andere disciplinaire maatregelen die (vice)voorzitters en rechters van de genoemde rechterlijke instanties sindsdien hebben geraakt, bijvoorbeeld in de vorm van wijzigingen met betrekking tot de bezoldiging;

  4. de procedures die de opgeëiste persoon ter beschikking staan om schendingen van het hem toekomende recht op een onafhankelijk gerecht te kunnen aanvechten, en de waarborgen waarmee zij zijn omgeven;

  5. buitengewoon beroep.

5.4.3

Conclusie

Het vorenstaande leidt er toe dat de rechtbank de officier van justitie verzoekt om de

navolgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.

I. Welke rechterlijke instanties bevoegd?

Welke rechterlijke instanties zijn concreet bevoegd voor de procedures waaraan deze opgeëiste persoon zal worden onderworpen?

II. Gegevens ten aanzien van deze rechterlijke instanties

Voor ieder van de hiervoor bedoelde rechterlijke instanties:

A. Wijzigingen personele bezetting

  1. Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken (vice)voorzitters en rechters ontslagen? Zo ja, op welke datum is het ontslag aangezegd en wat is de grond die hiervoor is gegeven?

  2. Zijn er (vice)voorzitters en rechters gepensioneerd als gevolg van de gewijzigde pensioenleeftijd? Zo ja, hoe veel, afgezet tegen het aantal rechters en (vice)voorzitters binnen de rechterlijke instantie?

  3. Is het voorgekomen dat het mandaat van deze (vice)voorzitters en rechters na het bereiken van de pensioenleeftijd is verlengd?

  4. Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wet inzake de Nationale School voor de rechterlijke macht assistent-rechters benoemd en zo ja, behandelen zij strafzaken en zo ja, als unus of binnen een rechterlijk college?

B. Toewijzing en behandeling van zaken

  1. Hebben er wijzigingen plaatsgevonden inzake de regels en procedures voor de toewijzing van strafzaken als die tegen de opgeëiste persoon sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken?

  2. Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken wijzigingen geweest in de eventuele regels inzake de behandeling dan wel bestraffing van zaken met betrekking tot de feiten waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd?

C. Tuchtzaken of andere (disciplinaire) maatregelen

  1. Zijn er sinds voormelde wetswijzigingen tuchtzaken tegen rechters en/of (vice)voorzitters geweest? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding en wat was de uitkomst?

  2. Hebben er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken wijzigingen plaatsgevonden in de bezoldiging van (vice)voorzitters en rechters? Zo ja, wat was hiervoor de reden?

  3. Zijn er andere maatregelen betreffende (vice)voorzitters genomen, zoals het
    verstrekken van ‘written remarks’ door de Minister van Justitie? Zo ja, wat was
    hiervoor de aanleiding?

D. Procedures ter bescherming van het recht op een onafhankelijk gerecht

  1. Welke rechtsmiddelen en verweren staan de opgeëiste persoon ter beschikking indien hij twijfelt aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter die hem berecht? Staan deze middelen en verweren reeds tijdens de procedure tot zijn beschikking? Tot welke rechtsgevolgen kunnen deze middelen en verweren leiden? Welke autoriteit(en) ne(e)m(t)en ter zake de beslissing?

  2. In hoeverre is van dit rechtsmiddel gebruik gemaakt in strafzaken als die tegen de opgeëiste persoon sinds de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving en zo ja, hoe veel van dergelijke verzoeken zijn in die gevallen gegrond verklaard?

E. Buitengewoon beroep

1. Is er in strafzaken al gebruik gemaakt van de mogelijkheid van de procedure van ‘buitengewoon beroep’ bij het Hooggerechtshof?
Zo ja, op welke grond en met welke uitkomst?

Deze vragen dienen door tussenkomst van het Openbaar Ministerie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te worden voorgelegd en binnen 4 (vier) weken na de uitspraak te worden beantwoord.

De vervolgzitting zal binnen vier weken na de ontvangst van de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit plaatsvinden. Het Openbaar Ministerie en de raadsvrouw van de opgeëiste persoon dienen uiterlijk één week voor deze zitting schriftelijk hun reactie op de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit aan de rechtbank over te leggen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

HEROPENT en schorst het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd;

VERZOEKT de officier van justitie de onder 5.4.3 weergegeven vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen;

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw;

BEVEELT de oproeping van een tolk Pools tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. A.P. Sno en M.J.J.P. Luchtman, rechters,

in tegenwoordigheid van N.M. van Trijp, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 4 oktober 2018.

De jongste rechter is buiten staat om deze uitspraak te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.