Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7168

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
16-10-2018
Zaaknummer
3582385 DX EXPL 14-378
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenleaseovereenkomst; Het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) is niet van toepassing op relatie afnemer – Dexia ( Legio Lease/Vero). Afnemer zal moeten bewijzen dat als gevolg van een op zijn persoon gericht advies van Legio Lease/Dexia de onderhavige effectenlease-overeenkomst tot stand is gekomen;

Vordering tot betaling van een schadevergoeding. Afnemer stelt dat Legio Lease/Dexia hem heeft geadviseerd om de onderhavige effectenlease-overeenkomst aan te gaan. Dexia is volgens afnemer om die reden schadeplichtig. Het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) is op de onderhavige situatie niet van toepassing, aangezien Legio Lease geen extern tussenpersoon is zoals bedoeld in dat arrest. Bij afnemer berust de bewijslast dat er een adviesrelatie is geweest tussen partijen als gevolg waarvan hij de onderhavige overeenkomst heeft gesloten. Afnemer is in dat bewijs niet geslaagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Privaatrecht

zaak- en rolnummer: 3582385 DX EXPL 14-378

vonnis van: 13 september 2018

f.no.: 466

Vonnis van de kantonrechter:

i n z a k e

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V. ,

gevestigd te Amsterdam ,

eiseres,

nader te noemen: Dexia ,

gemachtigde: mr. T.R. Van Ginkel.

t e g e n

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

nader te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. G. van Dijk.

De procedure

1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

Bij tussenvonnis van 1 juni 2017 is onder meer bepaald dat [gedaagde] in de gelegenheid wordt gesteld te bewijzen – door alle middelen rechtens maar speciaal door getuigen – dat er sprake is geweest van een adviesrelatie tussen haar en medewerker van Legio Lease. Vervolgens zijn nog ingediend:

- de akte van [gedaagde] , waarbij hij het aanbod tot het leveren van getuigenbewijs intrekt,

- de akte van Dexia .

Vonnis is bepaald op heden.

Gronden van de beslissing

2.1.

De kantonrechter blijft bij hetgeen hij in zijn tussenvonnis van 1 juni 2017 heeft overwogen. [gedaagde] dient bewijs te leveren van zijn stelling dat er sprake is geweest van een adviesrelatie tussen partijen, waardoor hij aanspraak zou kunnen maken op een ruimere schadevergoeding.

Anders dan [gedaagde] heeft betoogd bestaat er geen aanleiding terug te komen op de bewijslastverdeling zoals in het tussenvonnis van 1 juni 2017 is overwogen.

De rol van de adviseur van Legio-Lease

2.2.

[gedaagde] stelt dat de bewuste overeenkomst I tot stand is gekomen op advies van een medewerker van Legio-Lease. Dat leidt er volgens [gedaagde] toe dat er sprake was van een advies-relatie tussen Legio-Lease ( Dexia ) en haarzelf. Volgens [gedaagde] dienen de maatstaven (de bijzondere zorgplicht) zoals opgenomen in het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) r.o. 5.1.6 eveneens te gelden voor het onderhavige geval. Volgens [gedaagde] deed Dexia zich in al haar correspondentie en brochures voor als deskundig adviseur.

2.3.

Dexia betwist de door [gedaagde] omschreven gang van zaken bij het aangaan van de overeenkomst en stelt - kort weergegeven - dat er voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst verschillende malen telefonisch contact is geweest tussen een medewerker van Vero en [gedaagde] . Volgens Dexia werd de interesse van [gedaagde] gepeild voor een specifiek effectenlease product, informatie toegestuurd, de gegevens van [gedaagde] genoteerd. Daarna werd er door een medewerker van Dexia geverifieerd of de betrokkene inderdaad een overeenkomst wilde aangaan, waarna deze werd opgemaakt en toegezonden. De bewuste overeenkomst kwam pas tot stand nadat de afnemer de overeenkomst ondertekende en terugzond. [gedaagde] had volgens Dexia gelegenheid gehad om de documentatie en de overeenkomst te bestuderen en bij Dexia navraag te doen bij onduidelijkheden. Dexia betwist dat aan [gedaagde] een op zijn situatie toegesneden financieel advies zou zijn verstrekt. Volgens Dexia was er geen sprake van een advies relatie.

2.4.

De in de standaard arresten gegeven maatstaven voor de verdeling van de schade, kort samengevat aangeduid als het Hof-model, zijn in beginsel niet zonder meer van toepassing op de vaststelling en verdeling van schade van [gedaagde] wanneer deze is ontstaan als gevolg van een onjuiste uitvoering van een adviesopdracht door Legio-Lease voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst. Het is dus mogelijk dat [gedaagde] in verband met het optreden van een financieel adviseur aanspraak zou kunnen maken op een ruimere schadevergoeding dan voortvloeit uit de Hof-formule.

Vast staat dat [gedaagde] de onderhavige overeenkomst rechtstreeks met Legio Lease heeft gesloten. Dat betekent in het onderhavige geval dat het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) niet van toepassing is voor zover dat betrekking heeft op het optreden van een externe tussenpersoon als financieel adviseur, aangezien Legio Lease geen extern tussenpersoon was zoals bedoeld in dat arrest.

2.5.

Dexia betwist met klem en gemotiveerd dat [gedaagde] door een medewerker van Legio Lease is geadviseerd in de door [gedaagde] bedoelde zin.

2.6.

In voornoemd tussenvonnis is geconstateerd dat aan hetgeen door [gedaagde] is gesteld niet zonder meer het bewijs valt te ontlenen dat een medewerker van Legio Lease is opgetreden als beleggingsadviseur en dat Dexia niet slechts is opgetreden als een aanbieder van een financieel product maar daarnaast, dan wel daaraan voorafgaand, tevens als beleggingsadviseur.

Om die reden is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van zijn stelling dat er sprake is geweest van een adviesrelatie tussen partijen, waardoor hij aanspraak zou kunnen maken op een ruimere schadevergoeding. Bij akte van 6 juni 2018 heeft [gedaagde] zijn aanbod tot het leveren van getuigenbewijs ingetrokken. Geconstateerd wordt dat [gedaagde] geen verdere schriftelijke bewijsstukken heeft overgelegd, waaruit zou blijken dat een medewerker van Legio Lease is opgetreden als beleggingsadviseur en als gevolg daarvan dat Dexia is opgetreden als beleggingsadviseur. Dat betekent dat [gedaagde] niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht en dat daarmee niet is komen vast te staan dat Legio-Lease een onjuiste uitvoering van een adviesopdracht heeft gegeven voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst. Om die reden kan [gedaagde] geen aanspraak maken op een ruimere schade-vergoeding dan voortvloeit uit de Hof-formule. De weren van [gedaagde] slagen niet.

Toepassing Hof-model en Hof-formule

3.1.

Voor de overige maatstaven en beoordelingskaders verwijst de kantonrechter naar de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (LJN BC2837) en 5 juni 2009 (LJN BH 2815) en van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983), welke als leidraad worden genomen. Door partijen zijn geen althans onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld die in het onderhavige geval een afwijking daarvan rechtvaardigen. Toepassing van die maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

  1. er is sprake van huurkoop;

  2. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

  3. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

  4. [gedaagde] heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld;

  5. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia .

De kantonrechter verwijst naar het vonnis van de kantonrechter Amsterdam d.d. 27 januari 2010 (LJN BL0912), in het bijzonder de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3 daarvan, welke hier worden overgenomen.

3.2.

In het onderhavige geval dient op de door [gedaagde] gestelde door hem geleden schade eerst in mindering te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW en vervolgens (op het restant) het deel van de schade dat [gedaagde] wegens eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW zelf dient te dragen. De wijze waarop dit gebeurt wordt hierna uiteengezet.

3.3.

Ingevolge artikel 6:100 BW dient in mindering te worden gebracht al het voordeel dat [gedaagde] ingevolge de lease-overeenkomst I heeft genoten, zoals aan hem betaalde of toekomende dividenden. [gedaagde] heeft ten aanzien van de in geding zijnde lease-overeenkomst een bedrag van € 334,56 aan dividend en een einduitkering ten bedrage van
€ 165,41 van Dexia ontvangen.

3.4.

Nadat het (eventuele) voordeel op de schade in mindering is gebracht, moet vervolgens worden beoordeeld in hoeverre de resterende door [gedaagde] geleden schade op de voet van artikel 6:101 BW (eigen schuld) als door hem veroorzaakt voor rekening van [gedaagde] moet blijven. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de termijnen en de restschuld. Verwezen wordt naar de rechtsoverwegingen 3.6 en 3.7 van eerdergenoemd vonnis van de kantonrechter Amsterdam d.d. 27 januari 2010 welke hier worden overgenomen. De kantonrechter gaat hierbij uit van de tot het moment van beëindiging ‘verschuldigde’ termijnen en niet slechts van de ‘betaalde’ termijnen, omdat het voor de vaststelling van de hoogte van de schade niet uitmaakt of een verschuldigd bedrag reeds is betaald of niet. Verschuldigde maar onbetaald gebleven termijnen blijven immers opeisbaar.

3.5.

In dit geval heeft [gedaagde] onvoldoende weersproken dat er, bij toepassing van de criteria van de Hof-formule, geen sprake is van een ‘onaanvaardbaar zware last’. Gelet op het ontbreken van financiële gegevens aan de zijde van [gedaagde] moet er in elk geval van uit worden gegaan dat nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van de lease-overeenkomst niet had behoren te ontraden omdat daardoor naar redelijke verwachting niet een onaanvaardbaar zware financiële last op [gedaagde] werd gelegd. Gelet hierop wordt geconcludeerd dat in dit geval toepassing van de door het hof ontwikkelde formule zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van de lease-overeenkomsten niet had behoren te ontraden. In navolging van het Amsterdamse hof is de kantonrechter derhalve van oordeel dat de schade aan termijnen geheel voor rekening van [gedaagde] behoort te blijven.

3.6.

Ten aanzien van de restschuld stelt de kantonrechter voorop dat uit de lease-overeenkomst I voldoende duidelijk kenbaar was dat een geldlening werd verstrekt, dat het geleende geld werd belegd in effecten, dat [gedaagde] over het geleende bedrag rente was verschuldigd en dat het geleende bedrag moest worden terugbetaald ongeacht de verkoopopbrengst van de effecten. Op de gronden zoals door de Hoge Raad en het Amsterdamse hof is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat hieruit volgt dat wat betreft de (na verrekening van voordeel resterende) schade bestaande uit restschuld in beginsel 1/3 deel daarvan vanwege eigen schuld voor rekening van [gedaagde] had behoren te blijven.

3.7.

Nu de bewuste lease-overeenkomst met een positief resultaat van € 165,41 is geëindigd, is er dienaangaande geen sprake van een voor vergoeding in aanmerking komend bedrag aan restschuld.

3.8.

Van omstandigheden die meebrengen dat de billijkheid een andere verdeling van de schade eist dan volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, is niet gebleken.

3.9.

Gelet op het vorenstaande heeft [gedaagde] ingevolge de Hof-formule geen recht op een verdere schadevergoeding uit hoofde van door hem betaalde termijnen dan wel een betaalde restschuld. Dat betekent dat er geen verder bedrag aan schade met betrekking tot de lease-overeenkomst I door Dexia aan [gedaagde] behoeft te worden betaald.

3.10.

De kantonrechter is bij het voorgaande uitgegaan van de door Dexia bij inleidende dagvaarding en bij conclusie van repliek overgelegde financiële gegevens, welke niet dan wel onvoldoende door [gedaagde] zijn weersproken.

3.11.

Dat betekent dat de vordering van Dexia toewijsbaar is als hierna vermeld. Partijen zullen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding met betrekking tot de lease-overeenkomst I.

3.12.

In het tussenvonnis van 7 januari 2016 is reeds overwogen dat de vorderingen van Dexia met betrekking tot de lease-overeenkomst II (nummer [nummer] ) in deze procedure niet toewijsbaar zijn, omdat [gedaagde] daarbij geen partij is geweest.

3.13.

Nu zowel Dexia als [gedaagde] gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. verklaart voor recht dat Dexia jegens [gedaagde] aan al haar verplichtingen uit hoofde van de lease-overeenkomst met nummer [nummer] heeft voldaan en op grond daarvan niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is;

II. wijst de vordering van Dexia met betrekking tot de lease-overeenkomst met nummer [nummer] af;

IÍI. compenseert de proceskosten in dier voege dat beide partijen de eigen kosten dragen;

IV. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

V. wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 september 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter