Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7099

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-10-2018
Datum publicatie
15-10-2018
Zaaknummer
13/702069-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Tussentijdse toetsing ISD, ISD-maatregel voortzetten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/702069-16

Datum uitspraak: 9 oktober 2018

BESCHIKKING

Op het verzoekschrift strekkende tot beoordeling van de noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 22 november 2017 van de rechtbank Amsterdam opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren aan:

[veroordeelde] , (hierna: veroordeelde),

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1992,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting (hierna: PI) [locatie 1] .

De procesgang

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:

  • -

    het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 september 2016;

  • -

    het verzoek tussentijdse beoordeling voortzetting tenuitvoerlegging ISD-maatregel ex artikel 38s Wetboek van Strafrecht van 27 juli, ingediend door mr. C.H. Pentinga;

  • -

    een evaluatierapportage ISD van 24 september 2018, opgesteld door [persoon 1] , plv. vestigingsdirecteur in de PI [locatie 2] .

De rechtbank heeft op 11 september 2018 de officier van justitie mr. H.H. Boersma, veroordeelde, de raadsvrouw van veroordeelde mr. C.H. Pentinga, advocaat te Amsterdam alsmede de deskundige [persoon 2] , ISD-manager in de PI [locatie 2] , in openbare raadkamer gehoord.

De beoordeling

Het verloop van het eerste deel van het ISD-traject:

De tenuitvoerlegging van de ISD maatregel is ingegaan op 8 november 2016. Na een wat stroeve start is de veroordeelde langzamerhand goed gaan meewerken aan de tenuitvoerlegging. Bij beschikkingen van 18 april 2017 en 24 oktober 2017 heeft de rechtbank telkens bepaald dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel wordt voortgezet in verband met optimale bescherming van de maatschappij, beëindiging van het recidiverisico en het beheersbaar maken van de problematiek van de veroordeelde.

Tot medio april 2018 was de veroordeelde op de goede weg. Hij had dagbesteding in de vorm van betaald werk en het volgen van een opleiding. hij woonde in het kader van een begeleidwoontraject van GGZ Noord-Holland Noord in de [naam kliniek] te [plaats] .

Uit het hiervoor aangehaalde rapport blijkt, voor zover van belang, onder meer het volgende:

Officiële waarschuwing: 23-04-2018

Betrokkene krijgt deze waarschuwing omdat hij zich niet houdt aan de voorwaarde: meewerken aan urinecontroles.

Voortgangsverslag toezichthouder 25-04-2018

Afgelopen maand hebben binnen het toezicht zich enkele afwijkingen voortgedaan. De [veroordeelde] heeft een tweetal keren positief gescoord op THC gebruik en eenmaal op alcoholgebruik, daarnaast heeft hij tweemaal een urinecontrole geweigerd.

De [veroordeelde] is afgewezen voor een verdienwoning van GGZ Noord-Holland Noord. Hij heeft een afwijzing gekregen omdat hij aangegeven had te willen blijven blowen en niet gemotiveerd zou zijn voor behandeling.

Wij stellen ten doel te komen tot abstinentie middels een behandeling gericht op verslavingsgedrag. De [veroordeelde] is hier vooralsnog niet voor gemotiveerd.

Aanvulling verslag per 24-05-2018

24-05-2018 Niet teruggekeerd van verlof;

13-07-2018 [veroordeelde] is opgepakt en geplaatst in PI [locatie 3] ;

10-08-2018 [veroordeelde] is geplaats in de ISD PI [locatie 2] ;

13-09-2018 [veroordeelde] is overgeplaatst naar PPC te [locatie 1] .

Conclusie ISD trajectpsycholoog N. Wijnne , GZ-psycholoog

Bij plaatsing van betrokkene in de ISD inrichting, bleek betrokkene zeer achteruit te zijn gegaan wat betreft psychisch functioneren. Regiebehandelaar kende betrokkene nog vanuit een eerdere instelling, waardoor snel duidelijk werd dat momenteel sprake is van een floride psychotisch beeld. Na een uitgebreid gesprek met betrokkene op 10-08-2018 heeft zij diezelfde dag met psychiater overlegd en betrokkene is op 14-08-2018 door psychiater Marsaoui gesproken. Zijn bevindingen en conclusie luiden als volgt:

‘Psychiatrisch onderzoek: Een redelijk verzorgde donkere man met een zonnebril die in eerste instantie terughoudend in het contact is maar die naarmate het gesprek vordert veel vertelt over zijn psychotische belevingen. Hij glimlacht en lacht veelal in zichzelf, gedurende het gesprek. Bewustzijn is helder, de aandacht is te trekken en goed te behouden. Er zijn visuele en mogelijk akoestische hallucinaties bij een jongeman die zich waant in de tijd te kunnen reizen. Denken is normofreen en verhoogd associatief. Inhoudelijk is er sprake van de waan in de tijd te kunnen reizen waarbij enige grootheidsideeën spelen. Patiënt heeft het over natuurkundige fenomenen en poneert zichzelf als hoogbegaafde die tot allerlei dingen in staat is.

Stemming is licht eufoor met een bijpassend affect.

Conclusie: Het betreft een 25 jarige man bekend met psychotische stoornis nao en een stoornis in het gebruik van verschillende middelen. Bij beoordeling speelt er een floride psychotisch beeld met mogelijk enige maniforme kenmerken. Differentiaal diagnostisch kan gedacht worden aan een schizofreniforme ontwikkeling en aan een psychotische stoornis door het gebruik van middelen. Beleid: patiënt aanmelden voor een penitentiair psychiatrisch centrum (PPC) voor diagnostiek en behandeling.’

23-08-2018: In ons PMO besproken: [veroordeelde] is bij ons teruggeplaatst nadat een klinisch en begeleid wonen traject bij NHN is mislukt. Hij heeft zich bij de Begeleid Wonen onttrokken, waarna hij enkele maanden buiten is geweest. Is in die periode qua psychisch functioneren heel erg afgegleden. Hij is momenteel dermate in de war dat een spoedplaatsing PPC geïndiceerd vinden. 13-09-2018: overgeplaatst naar het PPC.

Advies Pl [locatie 2] 25-09-2018

Aangezien betrokkene recent onttrokken is geweest aan de maatregel en zijn situatie in die periode erg is verslechterd, is het van belang dat de maatregel benut wordt om betrokkene te stabiliseren en alsnog toe te geleiden naar de juiste zorg en woonplek om zo een goede terugkeer in de samenleving mogelijk te maken.

In het verslag wordt geadviseerd de ISD-maatregel voort te zetten.

Deskundige [persoon 2] heeft de juistheid van de inhoud van voornoemd rapport in openbare raadkamer van 25 september 2018 bevestigd.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel dient te worden voortgezet. De voortzetting van de maatregel is op dit moment nog steeds in het belang van de beveiliging van de maatschappij en in het belang van veroordeelde zelf. Het doel waarom destijds aan veroordeelde de ISD-maatregel is opgelegd, namelijk het inperken van het recidiverisico, is nog niet bereikt.

Veroordeelde verzoekt om opheffing van de ISD-maatregel en voert hiertoe aan dat voortzetting niet langer noodzakelijk is nu hij niet meer behandeld zal worden.

De raadsvrouw is primair van mening dat de ISD-maatregel moet worden opgeheven. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat de ISD-maatregel per 1 oktober 2018 moet worden opgeheven omdat veroordeelde zou kunnen wonen bij zijn pleegvader, [naam pleegvader] . Uiterst subsidiair verzoek de raadsvrouw de zaak aan te houden zodat het Openbaar Ministerie en PI [locatie 2] in de gelegenheid worden gesteld een behandelplan voor veroordeelde voor de laatste drie maanden van de ISD-maatregel op te stellen.

De raadsvrouw is van mening dat er op dit moment niet voldoende middelen zijn om veroordeelde te stabiliseren en dat er nu geen recidivegevaar meer is. Indien de rechtbank van oordeel is dat er wel recidivegevaar is, dan stelt zij dat momenteel niet duidelijk is waaruit de laatste drie maanden van de behandeling van veroordeelde zullen bestaan. Hoewel veroordeelde met enig psychotisch beeld is teruggekeerd in de ISD-inrichting, heeft hij buiten de ISD inrichting laten zien geen strafbare feiten meer te plegen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank moet beoordelen of voorzetting van de ISD-maatregel – mede gelet op de problematiek van de veroordeelde, de vordering van de behandeling daarvan en de beveiliging van personen of goederen – noodzakelijk is.

De verdediging heeft primair verzocht om opheffing van de ISD-maatregel en heeft gesteld dat er geen sprake meer is van enig recidivegevaar. De rechtbank constateert dat uit de rapporten volgt dat veroordeelde niet voortdurend overal aan heeft meegewerkt en dat hij zich op 24 mei 2018 heeft onttrokken aan de ISD-maatregel waarna hij op 13 juli 2018 is aangehouden en is teruggeplaatst. Volgens de deskundige [persoon 2] ter terechtzitting is de situatie van veroordeelde in die periode verslechterd en is hij afgegleden. Het beeld van deze deskundige wordt bevestigd door psycholoog Wijnne en psychiater Marsaoui . Op 10 augustus 2018 maakte de psycholoog zich zodanige zorgen om veroordeelde dat zij een psychiatrisch consult aanvroeg. Veroordeelde bezocht op 14 augustus 2018 de psychiater die beoordeelde dat er sprake is van een psychotisch beeld en dat er kan worden gedacht aan een schizofreniforme ontwikkeling en aan een psychotische stoornis door het gebruik van middelen. Hierna is veroordeelde aangemeld voor een penitentiair psychiatrisch centrum (hierna: PPC).

Gezien het voortgangsverslag ISD en gezien het feit dat na gesprekken met een psycholoog en een psychiater de noodzaak werd gezien veroordeelde over te plaatsen naar een PPC, concludeert de rechtbank dat niet kan worden gezegd dat er geen recidivegevaar en dus geen gevaar voor de maatschappij meer is. Verder volgt uit het voortgangsverslag dat nu veroordeelde recent onttrokken is geweest aan de maatregel en zijn situatie in die periode erg is verslechterd, het van belang is dat het restant van de maatregel benut wordt om betrokkene te stabiliseren en alsnog te begeleiden naar de juiste zorg en woonplek om zo een goede terugkeer in de samenleving te realiseren.

De rechtbank deelt deze conclusie en is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat het recidivegevaar onverkort aanwezig is. Het is noodzakelijk dat veroordeelde het traject dat voor hem verder zal worden uitgezet en dat op zijn problematiek is toegespitst, doorloopt, voordat hij, zonder de structuur en steun die hem vanuit de ISD kan worden geboden, in vrijheid wordt gesteld. De rechtbank is dus van oordeel dat de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel nog steeds noodzakelijk is ter beëindiging van de recidive, het leveren van een bijdrage aan de oplossing van problematiek van veroordeelde en voor een optimale bescherming van de maatschappij.

Het voorgaande betekent dat ook het subsidiaire verzoek van de raadsvrouw wordt afgewezen.

Uiterst subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht over twee weken een beslissing te nemen omtrent de voortzetting van de ISD-maatregel zodat er een behandelplan opgesteld kan worden. De deskundige [persoon 2] heeft op zitting verklaard dat het opstellen daarvan in een tijdbestek van twee weken niet mogelijk is. De rechtbank wijst het uiterst subsidiaire verzoek van de raadsvrouw om die reden af. De rechtbank heeft er alle vertrouwen in dat de resterende maanden van de ISD-maatregel zo goed en zinvol mogelijk worden benut door de ISD-instelling. In hoeverre dat lukt hangt echter mede af van de medewerking van veroordeelde.

De beslissing

De rechtbank bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel wordt voortgezet.

Deze beschikking is gegeven in openbare raadkamer van deze rechtbank door

mr. C.C.M. Oude Hengel, voorzitter,

mrs. L. Dolfing en A. Meester, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Klaveren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 oktober 2018.

De jongste rechter is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.