Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:705

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
13/680153-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ISD maatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/680153-17

Datum uitspraak: 8 februari 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , gedetineerd in het [detentieadres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 januari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. E. Broekhof, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.A. Ubbergen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan zeven strafbare feiten, namelijk (kort gezegd):

feit 1

diefstal van een geldbedrag van 4.967,00 euro, toebehorende aan [persoon 1] , door middel van een valse sleutel, gepleegd op 24 augustus 2016 te Amsterdam;

feit 2

belediging van een ambtenaar, [ambtenaar 1] , door in haar richting te spugen en onder meer te zeggen: “Kankerhoer”, gepleegd op 27 juni 2017 te Amsterdam;

feit 3

diefstal van een geldbedrag van 8.707,27 euro, toebehorende aan [persoon 2] en/of International Card Services, door middel van een valse sleutel, gepleegd in de periode van 1 tot 8 juli 2017, onder meer te Amsterdam;

feit 4

heling van een iPhone, gepleegd op 23 juni 2017 te Amsterdam;

feit 5

het voorhanden hebben van een patroon (munitie), gepleegd op 23 juni 2017 te Amsterdam;

feit 6

heling van een scooter, gepleegd op 29 april 2017 te Amsterdam;

feit 7

belediging van ambtenaren [ambtenaar 2] en [ambtenaar 3] , door onder meer te zeggen: “Kankerjood”, “Kankerhomo” en “Je hele kankerstamboom; iedereen mag afsterven”, gepleegd op 29 april 2017 te Amsterdam.

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Alle zeven ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Ten aanzien van feit 1 is er geen reden om aan de betrouwbaarheid van de herkenningen door verbalisanten te twijfelen. De officier van justitie herkent verdachte ook op de camerabeelden die op de terechtzitting zijn getoond. Verdachte bekent de feiten 2 en 3. Deze feiten kunnen worden bewezen. Voor de beoordeling van feit 4 is van belang dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij over de aankoopbewijzen van de iPhone beschikte. Deze blijkt hij echter niet te hebben en eerst nu op zitting verklaart hij de iPhone via Marktplaats te hebben gekocht. Hij kan niet aantonen dat de iPhone op legale wijze is verkregen. Er is sprake van opzetheling. Ten aanzien van feit 5 geldt dat het niet relevant is dat verdachte dacht dat het patroon nep was. Dit feit kan worden bewezen. Verdachte heeft het patroon voorhanden gehad. Feit 6 kan ook worden bewezen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling van de scooter. Hij reed op een scooter met open geboord slot, en dat open geboorde slot had hij gezien. Hij moest dan ook weten dat deze scooter van misdrijf afkomstig was. Gelet op de verklaringen van de verbalisanten kan feit 7 worden bewezen.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Verdachte moet van feit 1 worden vrijgesproken. De camerabeelden zijn op de terechtzitting getoond, maar verdachte kan hierop niet worden herkend. De herkenningen door de verbalisanten zijn te algemeen, de beschrijvingen die worden gegeven kunnen voor meerdere personen gelden. Ten aanzien van feit 2 dient voor het onderdeel ‘spugen’ vrijspraak te volgen. Verdachte ontkent stellig in de richting van de verbalisant te hebben gespuugd. Omdat verdachte feit 3 heeft bekend kan dat feit worden bewezen. Verdachte moet van feit 4 worden vrijgesproken. Hij heeft de iPhone via Marktplaats gekocht, en alle persoonlijke informatie was gewist. Hij kon niet weten dat de iPhone eerder was gestolen. Ten aanzien van feit 5 moet worden opgemerkt dat verdachte dacht dat het patroon nep was en dat hij niet wist dat het strafbaar was om een patroon voorhanden te hebben. Hij moet dus worden vrijgesproken. Van feit 6 moet verdachte ook worden vrijgesproken. Hij heeft de scooter van iemand geleend. Zijn eigen scooter is vaker gestolen en deze heeft ook een open geboord slot. Daarom is het niet vreemd dat hij op een andere scooter, met eveneens een open geboord slot, rijdt. Hij had niet hoeven weten of vermoeden dat de scooter van diefstal afkomstig was. Bij de beoordeling van feit 7 moet er rekening mee worden gehouden dat verdachte reageerde op het buitensporige geweld dat bij de aanhouding werd gebruikt.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het bewijs overweegt de rechtbank het volgende.

Ten aanzien van feit 1

[persoon 1] heeft aangifte gedaan van oplichting, gepleegd in de periode van 17 augustus 2016 tot en met 26 augustus 2016. Nadat hij brieven had gekregen die afkomstig leken te zijn van de Rabobank, heeft hij zijn pinpas en daarna zijn pincode in de bijgevoegde retourenvelop opgestuurd. Vervolgens is gebleken dat met zijn pas en pincode grote bedragen zijn betaald. Onder meer zijn bedragen gepind bij de Apple Store Haarlem en de Bijenkorf. Ook is op 24 augustus 2016 een bedrag van 4.967,00 euro gepind bij de Media Markt in Amsterdam. Van het moment waarop deze transactie plaatsvond zijn camerabeelden opgevraagd bij Media Markt. Die beelden zijn door de politie beschreven in het dossier en de rechtbank heeft deze ter terechtzitting bekeken. Vier verbalisanten hebben de beelden gezien en drie van hen geven aan de persoon die met de pas van [persoon 1] betaalt, te herkennen. Zij zeggen alle drie dat de man op de beelden verdachte is. De vierde verbalisant ziet dat de man op de beelden persoonskenmerken heeft overeenkomstig aan die van verdachte. De verbalisanten hebben hun herkenningen van verdachte gebaseerd op de bewegende camerabeelden. De rechtbank constateert dat de camerabeelden voldoende duidelijk zijn om een herkenning van een persoon op te kunnen baseren. Daar komt bij dat de verbalisanten specifiek aangeven op grond van welke kenmerken zij verdachte herkennen. De rechtbank neemt de conclusies dat verdachte de persoon is die op de camerabeelden te zien is dan ook over. Daarmee is feit 1 wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij heeft gescholden tegen de verbalisanten. Aangeefster [ambtenaar 1] en haar collega, [persoon 3] , verklaren beiden niet alleen dat verdachte heeft gescholden, maar ook dat hij in de richting van [ambtenaar 1] heeft gespuugd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze verklaringen, die op ambtseed zijn afgelegd, te twijfelen. Daarmee is bewezen dat verdachte [ambtenaar 1] heeft beledigd, in haar hoedanigheid als ambtenaar, door in haar richting te spugen en haar uit te maken voor (onder meer) kankerhoer en vuile slet.

Ten aanzien van feit 4

Verdachte heeft aanvankelijk verklaard dat hij thuis over de aankoopbewijzen van de telefoon beschikte. Op de terechtzitting heeft hij verklaard dat hij de iPhone via Marktplaats heeft gekocht en dat de overdracht ergens op straat heeft plaatsgevonden. Het aankoopbedrag betrof 250 euro, over een aankoopbewijs beschikte hij niet en hij kende de identiteit van de verkoper niet.

De rechtbank overweegt dat, als al wordt uitgegaan van de verklaring van verdachte ter zitting, de door hem geschetste omstandigheden (aankoop via Markplaats, van een onbekend gebleven verkoper, waarbij de overdracht ergens op straat plaats heeft), in combinatie met het lage aankoopbedrag, maken dat verdachte, moet hebben geweten dat hij een telefoon kocht die van misdrijf afkomstig was. Het betrof immers een kostbare iPhone 7 die op het moment van verkrijgen door verdachte nog maar een aantal maanden op de markt was. Daar komt bij dat verdachte geen enkel onderzoek heeft gedaan naar de herkomst van de telefoon. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling van de iPhone.

Ten aanzien van feit 5

Verdachte heeft verklaard dat hij het patroon voorhanden heeft gehad. Het patroon is bij zijn aanhouding in zijn tas aangetroffen. Hij heeft verklaard dat hij het heeft gevonden en hij heeft het daarmee bewust voorhanden gehad. In het dossier bevindt zich een proces-verbaal waaruit blijkt dat het patroon valt onder de Wet Wapens en Munitie. Daarmee is feit 5 wettig en overtuigend bewezen. Dat verdachte dacht dat het patroon nep was en dat hij niet wist dat het strafbaar is om een patroon voorhanden te hebben, maakt dat niet anders.

Ten aanzien van feit 6

Volgens de aangifte van [persoon 4] is zijn scooter op 24 april 2017 gestolen. Op 29 april 2017 krijgt de politie een melding van aangever, inhoudende dat hij een man op zijn scooter heeft gezien. De politie gaat ter plaatse en treft verdachte aan die op de scooter stapt. De motor draaide en het slot van de scooter was uitgeboord. De politie geeft hem een stopteken waarna verdachte voor de politie weg vlucht. Pas na een achtervolging kan hij worden aangehouden.

De rechtbank merkt op dat een scooter geen uitgeboord slot hoort te hebben. Dat dit kennelijk bij de scooter van verdachte zelf het geval is, maakt dat niet anders. Verdachte had bij het zien van het uitgeboorde slot minst genomen onderzoek moeten verrichten naar de herkomst van de scooter. Dat heeft hij niet gedaan. Zijn verklaring dat hij de scooter van ene ‘ [naam] ’ heeft geleend is niet te verifiëren nu hij geen details over de persoon van wie hij de scooter heeft geleend heeft verstrekt. Verdachte heeft dan ook onvoldoende uitgelegd waarom hij er van uit mocht gaan dat de scooter waarop hij reed niet van misdrijf afkomstig was. Ook heeft hij niet uitgelegd waarom hij wegreed voor de politie. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat verdachte in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de scooter van misdrijf afkomstig was. Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan opzetheling.

Ten aanzien van feit 7

Gelet op de verklaringen van verbalisanten [ambtenaar 2] en [ambtenaar 3] en de verklaring van verdachte dat hij heel boos was en heeft gescholden, kan ook feit 7 worden bewezen. Dat aan het schelden van verdachte mogelijk een agressieve aanhouding vooraf ging, is niet van belang voor de vraag of verdachte de verbalisanten heeft beledigd of niet.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de als bijlage II aan dit vonnis gehechte en daarvan deel uitmakende bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

feit 1

op 24 augustus 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (in totaal 4.967 euro), toebehorende aan [persoon 1] , waarbij hij, verdachte, dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

feit 2

op 27 juni 2017 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten [ambtenaar 1] (Dienst Vervoer en Ondersteuning), gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door in de richting van het gezicht van voornoemde [ambtenaar 1] te spugen en voornoemde [ambtenaar 1] de woorden toe te voegen: “Kankerhoer, vuile slet, ik ben klaar voor jullie, ik eet jullie op” en “Kankerhoer, ik wacht je op! Ik weet je te vinden”;

feit 3

in de periode van 1 juli 2017 tot en met 8 juli 2017 te Amsterdam en Haarlem en Vijfhuizen en Haarlemmermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geldbedragen (in totaal 8.707,27 euro), toebehorende aan International Card Services B.V., waarbij hij, verdachte, die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

feit 4

op 23 juni 2017 te Amsterdam een mobiele telefoon (merk: Apple iPhone) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

feit 5

op 23 juni 2017 te Amsterdam voorhanden heeft gehad een patroon (merk: Federal, kaliber: .22 Long Rifle);

feit 6

op 29 april 2017 te Amsterdam een scooter (merk: Piaggio, kenteken: [kenteken] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

feit 7

op 29 april 2017 te Amsterdam opzettelijk ambtenaren [ambtenaar 2] (Politie Eenheid Amsterdam) en [ambtenaar 3] (Politie Eenheid Amsterdam), gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: “Kankerjood” en “Kankerhomo” en “Kankerhomo ben jij man, kankerhomo. Kanker jood dat je bent, je bent een kankerjood dat ben je! Je moeder, je kanker moeder!” en “Je bent een homo. Ja man, een kankerhomo man.” en “Kankerjood dat je bent. Je bent een kankerjood.” en “Doe dan, kankerhoerenmoeder. Je hele kankerstamboom; iedereen mag afsterven. Ik zeg jou kankerjood dat je bent man, kankerjood. Kanker, je hele kankerstamboom. Dat doet pijn toch? Dat doet je pijn flikker. Je kleine kankerkinderen.”

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

7.1.

Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van voorarrest.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat aan verdachte geen ISD-maatregel moet worden opgelegd. Zij heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat de reclassering een vertekend beeld van verdachte schetst op grond van oude gegevens. Daarnaast is het zo dat opleggen van de ISD-maatregel disproportioneel zou zijn voor de onderhavige strafbare feiten.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks van strafbare feiten, namelijk twee maal diefstal met een valse sleutel, twee maal het beledigen van een ambtenaar, en twee maal heling. Verdachte heeft tot twee maal toe met een betaalpas van een ander dure goederen aangeschaft. Hij heeft zich daarbij totaal niet bekommerd om de gevolgen voor de slachtoffers, van wie er één op het moment dat hij bestolen werd 77 jaar oud was. Door een scooter en een telefoon te helen heeft hij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de rechtmatige eigenaren. Door opsporingsambtenaren te beledigen heeft hij laten zien geen respect te hebben voor het gezag dat die ambtenaren hoort toe te komen. Verdachte heeft kortom laten zien dat hij kiest voor een criminele levensstijl, terwijl hij daartegenover geen enkele bijdrage levert aan de maatschappij. Hij maakt deel uit van de top600, heeft geen huisvesting, inkomen of dagbesteding en werkt op geen enkele manier met de van alle kanten aangeboden hulpverlening mee om zijn situatie te verbeteren.

Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 29 december 2017 blijkt dat verdachte meermalen veroordeeld is voor (ook gekwalificeerde) diefstal, heling en oplichting. Er is ten aanzien van vermogensdelicten sprake van een delictpatroon.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering van 18 januari 2018, opgemaakt door de heer [persoon 5] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Betrokkene heeft een postadres bij het Leger des Heils, maar het is gebleken dat hij zijn post nooit heeft opgehaald. Zijn voormalig Top600-regisseur laat weten dat betrokkene zijn afspraken niet na kwam. Hij is zijn afspraak bij de GGD ook niet nagekomen. In 2015 is geconstateerd dat er bij de heer [verdachte] sprake is van cannabis gebruik. Binnen het [detentieadres] zijn er meerdere urinecontroles afgenomen bij de heer [verdachte] . Tot op heden hebben alle urinecontroles positief gescoord op het gebruik van cannabis. Betrokkene geeft aan dat hij gemiddeld drie joints per week rookt. Afgaande op de urinecontroles binnen de detentie, ligt zijn gebruik vele malen hoger. De ontvankelijkheid voor begeleiding/behandeling is laag. In mei 2015 is het toezicht vroegtijdig beëindigd, omdat betrokkene zich niet hield aan de meldplicht. Uit het in november 2016 uitgebrachte advies blijkt al dat de heer [verdachte] negatief stond tegenover bemoeienis vanuit de reclassering.

Eerdere inspanningen vanuit de reclassering en de Top1000-aanpak hebben niet geleid tot resultaat. Betrokkene stelt zich zorgmijdend op en geeft aan niet mee te willen werken aan een toezichtkader vanwege negatieve ervaringen met de reclassering in het verleden. De heer [verdachte] ziet hierin niet zijn eigen aandeel. Er is sprake van een hoog recidiverisico en maatschappelijke teloorgang. Gezien het feit dat meerdere toezichtkaders voortijdig negatief zijn beëindigd, begeleiding vanuit IFA ook niet heeft geleid tot resultaten, alsmede zijn terughoudendheid om mee te werken aan een nieuw toezichtkader, is de reclassering van mening dat betrokkene voldoet aan de ‘zachte’ ISD-criteria. Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering acht eventuele behandeling voor verslavingsproblematiek en hulpverlening voor de heer [verdachte] daarom alleen mogelijk in het dwangkader van de ISD-maatregel. Ten tijde van de intramurale fase van de ISD-maatregel zal betrokkene minder kunnen recidiveren.

Indien de heer [verdachte] schuldig wordt bevonden, wordt geadviseerd een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.

De heer [persoon 5] heeft zijn advies op de terechtzitting toegelicht. Hij heeft – kort gezegd – aangegeven dat hij blijft bij het advies om aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Daarnaast heeft hij verklaard dat verdachte enerzijds aangeeft wel hulp te willen, maar dat verdachte anderzijds de hulpverlening op afstand houdt, zich niet aan afspraken houdt en telkens nieuwe strafbare feiten pleegt.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel justitiële documentatie van 29 december 2017 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan 24 augustus 2016 meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. De rechtbank is niet gebleken van redenen om deze maatregel niet op te leggen. Zij zal daarom de officier van justitie op dit punt van de vordering volgen. De rechtbank overweegt dat uit de rapportage en de toelichting daarop van de heer [persoon 5] blijkt dat verdachte geen verantwoordelijkheid neemt. Hij blijft strafbare feiten plegen en werkt niet mee aan hulpverlening of toezicht, in welk kader dan ook. Om het recidiverisico te verlagen is er daarom geen andere optie dan oplegging van een ISD-maatregel.

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

8 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

8.1.

Vordering van de benadeelde partij International Card Services B.V.

De benadeelde partij, International Card Services B.V., vordert 8.707,27 euro aan materiële schadevergoeding.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is inhoudelijk niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

8.2.

Vordering van de benadeelde partij [persoon 6]

De benadeelde partij, [persoon 6] , vordert 749,24 euro aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding overweegt de rechtbank dat, gelet op het tijdsverloop tussen het verlies van de telefoon door [persoon 6] en het moment dat verdachte over de telefoon bleek te beschikken, onvoldoende is gebleken dat de gestelde schade rechtstreeks door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

8.3.

Vordering van de benadeelde partij [ambtenaar 2]

De benadeelde partij, [ambtenaar 2] vordert 200,00 euro aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is ter terechtzitting betwist. De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 7 bewezen verklaarde feit. De rechtbank overweegt in dit verband dat uit de toelichting van benadeelde partij [ambtenaar 2] blijkt dat de gestelde schade met name het gevolg is van het vermeende spugen door verdachte. Omdat verdachte niet voor het spugen wordt veroordeeld, komt de gevorderde schade niet voor vergoeding in aanmerking nu er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de schade en het bewezen verklaarde. De benadeelde partij wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 38m, 38n, 57, 63, 266, 267, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 en 3 ten laste gelegde:

‘diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd’

ten aanzien van het onder 2 en 7 ten laste gelegde:

‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd’

ten aanzien van het onder 4 en 6 ten laste gelegde:

‘opzetheling, meermalen gepleegd’

ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde:

‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie’

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van TWEE (2) JAREN.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

11 geld euro (18 x 50, 1 x 10) 5468214;

12 halsketting 5468205;

13 halsketting 5468212;

14 halsketting 5468213;

15 jas (Dsquared parka);

16 horloge (Breitling) 547727.

Wijst de vordering van International Card Services B.V., gevestigd te Diemen, toe tot 8.707,27 euro (zegge: achtduizendzevenhonderdzeven euro en zevenentwintig eurocent).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan International Card Services B.V. voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij, [persoon 6] , niet-ontvankelijk is in haar vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij, [ambtenaar 2] , niet-ontvankelijk is in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.P. Pompe, voorzitter,

mrs. L. Voetelink en E. Dinjens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.C. Wagter, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 februari 2018.