Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6960

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-10-2018
Datum publicatie
03-01-2022
Zaaknummer
AMS 18/2064
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond met in stand laten rechtsgevolgen. WIA. Geen aanleiding benoemen deskundige. (Nieuw) geduide functies zijn niet ongeschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/2064

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. E. Schermerhorn),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

( [gemachtigde verweerder] ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [werkgever], (hierna: [werkgever] ) te [vestigingsplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) afgewezen.

Bij besluit van 6 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

[werkgever] heeft te kennen gegeven alleen de uitspraak te willen ontvangen. Eiseres heeft geen toestemming gegeven haar medische gegevens aan [werkgever] door te sturen. Daarom zal de rechtbank in deze uitspraak uitsluitend in algemene termen naar de klachten van eiseres verwijzen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2018.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres was vanaf 3 september 2001 laatstelijk werkzaam als filiaalmedewerker voor gemiddeld 31,76 uur per week bij [werkgever] . Op 3 november 2015 is eiseres uitgevallen vanwege klachten. Eiseres heeft een re-integratietraject gevolgd en een tijdje stage gelopen in de zorg. Op 21 juli 2017 heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag voor een WIA-uitkering per

31 oktober 2017 afgewezen, omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Verweerder heeft aan het primaire besluit het rapport van verzekeringsarts [naam 1] van 24 augustus 2017 en het rapport van de arbeidsdeskundige [naam 2] van

7 september 2017 ten grondslag gelegd. Volgens de arbeidsdeskundige is eiseres per

31 oktober 2017 voor 28,12% arbeidsongeschikt.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep [naam 3] zoals vastgelegd in haar rapport van 19 januari 2018 en de bevindingen van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [naam 4] zoals vastgesteld in zijn rapport van 5 februari 2018. Verweerder heeft in beroep een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 juni 2018 en een aanvullend rapport van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [naam 5] van 10 juli 2018 overgelegd.

4. Eiseres voert aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte geen psychische beperkingen en ten onrechte minder fysieke beperkingen heeft aangenomen. Eiseres beschrijft haar situatie en dat zij hierdoor klachten heeft ontwikkeld. Eiseres is als gevolg hiervan onder andere beperkt voor zitten, staan en lopen. Op 11 juli 2017 heeft de bedrijfsarts nog aangenomen dat eiseres sterk beperkt is voor zitten. Het is daarom onbegrijpelijk dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog slechts lichte beperkingen aanneemt voor zitten en staan en de andere beperkingen laat vallen. Het lijkt erop dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de informatie van de behandelend sector niet heeft betrokken in haar beoordeling. De beoordeling is daarom niet deugdelijk en onzorgvuldig. Eiseres verwijst naar de medische informatie van haar behandelaren en zij bestrijdt dat haar klachten niet medisch geobjectiveerd zijn. Eiseres verzoekt de rechtbank om het benoemen van een deskundige voor advies ten aanzien van de relevante beperkingen, in ieder geval, zitten en staan. Eiseres is hiertoe financieel niet in staat. Verder voert eiseres aan dat zij de geduide functies niet kan uitoefenen.

Het oordeel van de rechtbank

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit onvolledig is gemotiveerd. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder heeft in beroep wel een nadere motivering voor het bestreden besluit gegeven. De rechtbank zal onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

5.2.

De rechtbank zal naar aanleiding van de beroepsgronden eerst beoordelen of de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is. Daarna zal de rechtbank de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep beoordelen.

Medische beoordeling

6. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) komt een bijzondere waarde toe aan rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, als deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn (dat betekent dat ze tot een onbetwistbare conclusie moeten leiden). Het gevolg van die bijzondere waarde van die rapporten is dat verweerder zijn besluiten over de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene in beginsel op deze rapporten mag baseren. Een betrokkene kan echter proberen aan te tonen dat het rapport niet zorgvuldig tot stand is gekomen, inconsistenties bevat, niet concludent is of dat de in het rapport gegeven beoordeling onjuist is. Om aannemelijk te maken dat de gegeven beoordeling onjuist is, is in beginsel echter wel een rapportage van een arts noodzakelijk.

7. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 24 augustus 2017 blijkt dat hij het dossier en de ontvangen informatie heeft bestudeerd en eiseres heeft gezien op het spreekuur. De verzekeringsarts heeft een lichamelijk en een psychisch onderzoek uitgevoerd. De verzekeringsarts geeft aan dat eiseres klachten heeft als gevolg van een gebeurtenis in 2011. In 2013 is een specialist ingeschakeld. Eiseres gebruikt medicatie. De verzekeringsarts noemt de klachten van eiseres. Eiseres is als gevolg hiervan beperkt ten aanzien van lang zitten, staan en lopen. Eiseres is belastbaar (conform beoordeling bedrijfsarts) voor passende arbeid zonder lang zittende en staande taken. De verzekeringsarts heeft een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld.

8. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 januari 2018 blijkt dat zij het dossier en het bezwaarschrift van eiseres heeft bestudeerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep was aanwezig bij de hoorzitting en het spreekuur. De verzekeringsarts bezwaar en beroep noemt de medische informatie die zij heeft verkregen tijdens de bezwaarprocedure. Een lichamelijk en oriënterend psychiatrisch onderzoek werden uitgevoerd. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de verzekeringsarts terecht een FML opgesteld. Er is geen sprake van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet echter aanleiding om de beperkingen zoals neergelegd in de FML aan te passen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet op basis van de informatie van de huisarts en de lichamelijk onderzoeken geen aanwijzing voor het aannemen van een specifieke fysieke beperking. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn de klachten van eiseres op dit punt niet medisch geobjectiveerd. De items zitten, zitten tijdens het werk, staan en staan tijdens het werk moeten worden aangepast. Op items zitten, zitten tijdens het werk en trillingsbelasting wordt wel een toelichting toegevoegd. Daarnaast is er geen sprake van ernstige objectiveerbare andere fysieke problematiek. Het item frequent lichte voorwerpen hanteren wordt verwijderd. Er wordt wel een toelichting toegevoegd ter voorkoming van overbelasting.

9. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 22 juni 2018 gereageerd op de beroepsgronden van eiseres. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep werden tijdens het onderzoek geen ernstige specifieke afwijkingen gevonden. Ernstige bewegingsbeperkingen werden niet geobjectiveerd. Evenmin werd evidente psychopathologie aangetroffen of een psychische stoornis. In de informatie van de behandelend sector worden geen ernstige somatische of psychische diagnoses vermeld. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt een specifieke klacht en de beperkingen die hieruit volgen niet ondersteund door de brieven van de huisarts en de specialisten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep noemt vervolgens de medische informatie die is betrokken in haar onderzoek. Zij benadrukt verder dat de klachten die eiseres ervaart geen toereikende grondslag vormen om arbeidsbeperkingen vast te stellen. Voor wat betreft de specifieke fysieke klacht overweegt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er bij het aannemen van beperkingen wel rekening is gehouden met de geobjectiveerde onderliggende problematiek.

10.1.

Eiseres heeft ter zitting benadrukt dat een bepaalde klacht niet is erkend. De rechtbank stelt vast, zoals verweerder ook heeft toegelicht, dat deze problematiek door verweerder is erkend en dat de betreffende diagnose is overgenomen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom zij geen forse beperkingen heeft aangenomen als gevolg van een fysieke klacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uitgelegd dat deze problematiek op basis van de informatie van de huisarts, het onderzoek door de verzekeringsarts en het eigen onderzoek niet kan worden geobjectiveerd.

10.2.

Eiseres heeft aangevoerd dat er geen rekening is gehouden met haar psychische klachten. De rechtbank overweegt dat ter zitting is besproken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dit vlak geen stoornis heeft gevonden. Uit de door eiseres overgelegde informatie van de behandelend sector blijkt niet dat zij wordt ondersteund door een psycholoog. Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat zij niet onder behandeling is, maar dat zij wel overweegt om een behandelaar te zoeken. Omdat de psychische klachten van eiseres niet zijn geobjectiveerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder hiervoor terecht geen beperkingen heeft aangenomen.

10.3.

Eiseres heeft verder ter onderbouwing van haar stellingen aangevoerd dat de bedrijfsarts en de verzekeringsarts eerder meer beperkingen hebben aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom zij is afgeweken van de eerdere beoordelingen. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om te twijfelen aan de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

10.4.

Tot slot heeft eiseres de rechtbank verzocht om het benoemen van een deskundige. De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres heeft aangevoerd dat zij niet de financiële middelen heeft om zelf een deskundige in te schakelen. De bestuursrechter is volgens de CRvB niet zonder meer gehouden om – als een betrokkene geen financiële middelen heeft – een medische deskundige te benomen.1 In deze zaak is er geen reden om aan te nemen dat eiseres belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar standpunt dat verweerder haar medische beperkingen heeft onderschat. Eiseres heeft in de bezwaarprocedure gebruik gemaakt van de mogelijkheid om nadere stukken in te dienen en zij heeft ook in beroep nadere medische informatie overgelegd. Die medische informatie is door verzekeringsarts(en) kenbaar bij de medische beoordeling betrokken. Deze beoordeling kan daarom door de bestuursrechter worden getoetst. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat geen sprake is van een schending van ‘equality of arms’, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet een medische deskundige te benoemen.

Arbeidskundige beoordeling

11. Uit de in beroep overgelegde reactie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 10 juli 2018 volgt dat eiseres inderdaad niet beschikt over het opleidingsniveau VMBO. De functie medewerker receptie (sbc-code 315120) vervalt. Om verdere discussie te vermijden vervalt de functie assistent consultatiebureau eveneens. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vijf nieuwe passende functies geduid (machinaal metaalbewerker, assistent consultatiebureau, textielproductenmaker, productiemedewerker industrie en medewerker tuinbouw). De mate van arbeidsongeschiktheid is gewijzigd in 14,98%.

12.1.

Eiseres heeft aangevoerd dat zij geen auto meer durft te rijden. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat dit geen vereiste is voor de functies die voor eiseres zijn geduid. Eiseres heeft hierna aangegeven dat zij deze beroepsgrond niet langer handhaaft.

12.2.

Daarnaast vindt eiseres dat zij niet in staat is de geduide functies te verrichten omdat zij niet beschikt over computervaardigheid. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het in deze functies gaat om zeer basale vaardigheden, zoals het invoeren van gegevens. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiseres deze vaardigheden, indien noodzakelijk, niet zou kunnen aanleren.

12.3.

Eiseres heeft aangevoerd dat de functie assistent consultatiebureau (sbc-code 372091) niet geschikt is gelet op haar opleidingsniveau. Volgens eiseres is deze functie ten onrechte opnieuw geduid. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het gaat om andere functies met andere functienummers. Verweerder verwijst daarbij naar de arbeidsmogelijkhedenlijsten bij zijn rapporten van 7 september 2017 met afdrukdatum

6 november 2017 en 10 juli 2018 met afdrukdatum 6 juli 2018. Voor wat betreft de functie 9381.0178.011 heeft verweerder toegelicht dat deze niet is komen te vervallen omdat in deze functie alleen enkele jaren vervolgonderwijs wordt gevraagd. De andere twee functies (met functienummers: 9381.0142.028 en 9381.9999.032) waarin opleidingsniveau MBO niveau 2 respectievelijk VMBO ongeacht leerweg werd gevraagd zijn vervangen door de functies met functienummers: 9381.0178.016 en 9381.0178.012. In deze twee laatste functies worden deze voorwaarden niet gesteld en wordt alleen enkele jaren vervolgonderwijs gevraagd. De rechtbank stelt vast dat in de nieuw geduide functies door verweerder rekening is gehouden met het opleidingsniveau van eiseres. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om deze functies ongeschikt te achten.

12.4.

Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat de functie machinaal metaalbewerker (sbc-code 264122) niet geschikt is vanwege zitten en zitten tijdens het werk. Dit geldt ook voor de functie textielproductenmaker (sbc-code 111160). De rechtbank merkt op dat in de FML bij zitten (item 5.1) een lichte beperking is opgenomen waarbij wordt vermeld dat: “kan ongeveer een uur achtereen zitten (film)”. Bij zitten tijdens het werk (item 5.2) is een lichte beperking opgenomen waarbij wordt vermeld: “kan zondig gedurende het grootste deel van de werkdag zitten (niet meer dan acht uur)”. Bij beide items wordt de toelichting “kortdurend vertreden moet mogelijk zijn of naar keuze zitten of staan” vermeld. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat uit de Resultaat functiebeoordeling bij deze functies blijkt dat de genoemde items beneden de bepaalde belastbaarheid blijven. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat deze functies voor eiseres niet geschikt zouden zijn.

Kostenvergoeding huisarts

13. Voor wat betreft het verzoek om vergoeding van de kosten van de huisarts overweegt de rechtbank het volgende. Naar vaste rechtspraak komen de kosten van een deskundige op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de desbetreffende kosten zelf redelijk zijn. Daarbij geldt als maatstaf of degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van inroeping, ervan uit mocht gaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor haar gunstige uitkomst van de procedure. De rechtbank is op basis van de overgelegde factuur van oordeel dat de gevraagde kostenvergoeding redelijk is. De vergoeding van de kosten van de huisarts wordt daarom vastgesteld conform de overgelegde factuur, te weten € 39,51.

Conclusie

13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.041,51 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1 en de kosten van de huisarts).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van

€ 1.041,51.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J. Koene, rechter, in aanwezigheid van

griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2018.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1395.