Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:694

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-02-2018
Datum publicatie
12-02-2018
Zaaknummer
zaaknummer: 6536153 EA VERZ 17-1095
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Luchtvaartmaatschappij Transavia mag een piloot die met zijn vader een zogenoemde straatrace hield waarbij een dodelijk slachtoffer viel, niet ontslaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0240
JAR 2018/158
NJF 2018/227
Prg. 2018/81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 6536153 EA VERZ 17-1095

beschikking van: 12 februari 2018

beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

Transavia Airlines C.V.

gevestigd te Haarlemmermeer

verzoekster

nader te noemen: Transavia

gemachtigde: mr. R.C.M. Andriessen

t e g e n

[verweerder]

wonende te [woonplaats]

verweerder

nader te noemen: [verweerder]

gemachtigde: mr. S.R. Nahar

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Transavia heeft op 14 december 2017 een verzoek ingediend dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

[verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is mondeling behandeld ter zitting van 22 januari 2018. Transavia is verschenen bij [naam Chef Vlieger] (Chef Vlieger; hierna [naam Chef Vlieger] ) en [naam hoofd P&O] (hoofd P&O), vergezeld door de gemachtigde. [verweerder] is in persoon verschenen, vergezeld door de gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten aan de hand van een pleitnota toegelicht. Na verder debat is een datum voor beschikking bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Uitgegaan wordt van het volgende.

1.1.

[verweerder] , geboren op 7 juli 1984, heeft van 22 september 2014 tot 29 april 2016 eerst de opleiding gevolgd tot en daarna gewerkt als piloot bij Ryan Air.

1.2.

Sedert 7 mei 2016 is hij in dienst van Transavia. De arbeidsovereenkomst is eerder, op 7 maart 2016, tot stand gekomen. Aanvankelijk betrof het in verband met een (aanvullende) opleiding een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 7 mei 2016 tot en met 6 oktober 2016, waarbij was bepaald dat deze van rechtswege zou eindigen en dat het de intentie van Transavia was om in geval de opleiding met goed gevolg werd behaald deze om te zetten in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

1.3.

Op 16 maart 2016 vond in Loosdrecht een ernstig ongeval plaats, waarbij de vader van [verweerder] betrokken was. Bij dat ongeval raakte een 19-jarig slachtoffer zwaargewond, nadat haar auto vol in de flank werd geraakt door de Porsche waarin de vader van [verweerder] reed. [verweerder] zelf reed op dat moment in een andere auto, een Mini, achter zijn vader. Het slachtoffer is op 1 april 2016 overleden.

1.4.

In de media is destijds veel aandacht besteed aan het ongeval, waarnaar veelvuldig is verwezen als ‘de Loosdrechtse Straatrace’.

1.5.

In het politieonderzoek naar de toedracht van het ongeval is op basis van de verklaringen van getuigen ook [verweerder] als medeverdachte in beeld gekomen. Hij is terzake op 24 maart 2016 door de politie als verdachte gehoord.

1.6.

Naar aanleiding van de berichten in de pers heeft [naam Chief Pilot] , Chief Pilot bij Transavia (hierna [naam Chief Pilot] ) [verweerder] uitgenodigd voor een gesprek, dat op 13 april 2016 in aanwezigheid van een arbeidsjurist van Transavia, heeft plaatsgevonden. In dat gesprek heeft [verweerder] verklaard dat hij voorgaand aan het ongeval niet met extreem hoge snelheid heeft gereden en dat hij niet dicht tot zeer dicht achter zijn vader heeft gereden voorafgaand aan dat ongeval.

1.7.

[verweerder] is op 7 mei 2016 bij Transavia zijn aanvullende opleiding gaan volgen.

1.8.

Omstreeks 12 mei 2016 heeft [verweerder] op verzoek van Transavia het proces-verbaal van het politieverhoor aan Transavia verstrekt, niet zozeer - zo blijkt uit een e-mail van 12 mei 2016 van [naam Chief Pilot] aan [verweerder] - omdat men twijfelde aan zijn verhaal, maar om in de in- en externe communicatie te kunnen aangeven dat zij zorgvuldig te werk gaan en meer doen dan alleen een gesprek voeren met de betrokkene.

1.9.

Op 18 mei 2016 heeft [naam Chief Pilot] [verweerder] verzocht om meer duidelijkheid of hij vervolgd zal worden voor overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet (WvW), zoals zijn advocaat aan [naam Chief Pilot] had laten weten, of van artikel 6 WvW, zoals een TMG journalist tegen hem heeft gezegd. Op 20 mei 2016 heeft [verweerder] daarop het antwoord van de officier van justitie van die ochtend toegezonden, waaruit blijkt dat hij op grond van verschillende getuigenverklaringen wordt aangemerkt als verdachte van het medeplegen van artikel 6 WvW en dat dit voor [verweerder] tot dat moment kennelijk niet duidelijk was.

1.10.

Rond 24 mei 2016 heeft tussen [naam Chief Pilot] en [verweerder] een e-mailwisseling plaatsgevonden over een mogelijk gesprek tussen [verweerder] en een kennis van het slachtoffer, die ook als piloot bij Transavia werkt. Daarbij geeft [verweerder] aan dat in een eerder stadium is afgesproken dit probleem on hold te zetten gedurende de opleiding en dat hij dat graag zo wil houden mede gezien de te verwachten insteek van die collega voor dat gesprek.

1.11.

[verweerder] heeft zijn opleiding met goed resultaat afgerond. Aansluitend, omstreeks 7 oktober 2016, heeft Transavia met [verweerder] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten.

1.12.

In maart 2017 heeft er een overleg plaatsgevonden tussen [naam Chef Vlieger] voornoemd, een jurist van Transavia en de advocaat van [verweerder] over de voortgang van de strafzaak.

1.13.

Op 17 november 2017 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de zaak tegen [verweerder] . Daarbij is hij vrijgesproken van het (mede)plegen van dood door schuld in het verkeer (artikel 6 WvW), hoewel de rechtbank concludeert dat hij wel heeft bijgedragen aan het verwerpelijke rijgedrag van zijn vader. [verweerder] is wel veroordeeld voor het tezamen en in vereniging met zijn vader zich zodanig gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt (artikel 5 WvW). Hij is voor deze overtreding veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van een jaar.

1.14.

Tegen het vonnis is hoger beroep ingesteld.

1.15.

Op 27 november 2017 heeft Transavia [verweerder] op non-actief gesteld vooruitlopend op de door haar gewenste beeindiging van de arbeidsovereenkomst.

Verzoek

2. Transavia verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op zo kort mogelijke termijn te ontbinden zonder rekening te houden met de wettelijke opzegtermijn.

3. Aan dit verzoek legt Transavia primair ten grondslag dat sprake is van - kort gezegd - (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerder] zodanig dat van Transavia in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (de e-grond). Op grond van de gedragingen die in het strafvonnis bewezen zijn verklaard is sprake geweest van extreem gevaarzettend gedrag van [verweerder] in het verkeer en het overtreden van (verkeers)veiligheidsnormen, waarmee een directe relatie met zijn functie als piloot is gegeven, waarin hij bij uitstek verantwoordelijk is voor de veiligheid van anderen in de lucht. Het strikt naleven van veiligheidsvoorschriften staat daarbij altijd voorop. Een First Officer heeft op dat punt een voorbeeldfunctie. Niet uit te sluiten is dat het strafvonnis en de opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid nog gevolgen hebben voor het mogen vliegen en/of de vereiste verklaring van geen bezwaar (voorheen goed gedrag; hierna VGB). Transavia moet volledig kunnen vertrouwen op de integriteit van haar piloten. In dat verband is het voor Transavia onacceptabel dat [verweerder] in de gesprekken met Transavia zich op het standpunt heeft gesteld dat hij niet met extreem hoge snelheid zou hebben gereden en niet dicht achter zijn vader.

4. Subsidiair heeft Transavia het verzoek gebaseerd op andere omstandigheden die zodanig zijn dat van Transavia in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (de h-grond) Daarvoor voert zij aan, dat door de onjuiste verklaringen van [verweerder] als hiervoor bedoeld een vertrouwensbreuk is ontstaan tussen haar en [verweerder] . Daarnaast beroept zij zich op commerciële belangen, doordat de publieke verontwaardiging zich niet alleen op [verweerder] richt, maar ook op Transavia als werkgever. Zij acht het onaanvaardbaar dat zij [verweerder] moet inzetten op passagiersvluchten, terwijl hem de bevoegdheid tot het besturen van een simpele auto is ontzegd. Zij kan dit gewoonweg niet aan haar passagiers verkopen. Verder is van belang dat zij recentelijk door diverse collega’s is benaderd met de mededeling dat zij niet langer met [verweerder] willen vliegen omdat zij dit onveilig achten.

5. Op hetgeen verder ter onderbouwing is aangevoerd, zal bij de beoordeling worden ingegaan.

Verweer

6. [verweerder] verweert zich gemotiveerd tegen het verzoek, concludeert tot afwijzing daarvan en verzoekt om - kort gezegd - wedertewerkstelling op straffe van een dwangsom.

7. Hij is het oneens met het strafvonnis van de rechtbank en heeft daarom hoger beroep ingesteld. Maar daarnaast - zo stelt hij - dicht Transavia hem een grotere rol toe aan het ongeval dan door de rechtbank is vastgesteld en wordt hij in feite meegezogen in de verwijtbaarheid die de rechtbank zijn vader vooralsnog toedicht. Indien dit rookgordijn wordt weggehaald blijft over een overtreding van artikel 5 WvW (gevaar veroorzaken op de weg) waar Transavia bij indiensttreding al rekening mee heeft gehouden. Ook is er geen sprake van een voldragen h-grond, waarvoor een cocktail van gronden is aangevoerd. [verweerder] betwist dat er enig gevaar zou zijn voor de vliegveiligheid dan wel van andere bezwaren om zijn werk te hervatten.

8. Voor zover de arbeidsovereenkomst desondanks wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om toekenning van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:671 b lid 8 BW van € 100.000,- en bij de bepaling van de einddatum van de arbeidsovereenkomst rekening te houden met de geldende opzegtermijn van drie maanden.

Beoordeling

9. De kantonrechter stelt voorop dat de onderhavige kwestie nauw samenhangt met een dodelijk ongeval dat morele verontwaardiging in de samenleving en publiciteit heeft opgeroepen. Daarbij is het beeld van een straatrace veelvuldig naar voren gekomen, een beeld dat zich moeilijk laat rijmen met het zijn van een verantwoordelijk piloot. Desondanks is het de taak van de rechter om te toetsen of er ten aanzien van [verweerder] sprake is van voldoende objectieve feiten en omstandigheden om op dit moment een ontbinding van de arbeidsovereenkomst te rechtvaardigen op hetzij de e-grond (verwijtbaar handelen van [verweerder] , zodanig dat van Transavia niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren) dan wel de h-grond. De laatste grond mag niet gebruikt worden als een restgrond, maar dient voor bijzondere en specifieke situaties. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.

10. Transavia heeft als verwijtbare gedragingen van [verweerder] naar voren gebracht (a) de door de rechtbank in het vonnis van 17 november 2017 bewezen verklaarde verkeersgedragingen en conclusies, (b) dat daaruit kan worden afgeleid dat [verweerder] geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag en (c) dat hij Transavia onjuist heeft voorgelicht over die gedragingen.

De impact van de inhoud van het strafvonnis

11. Uitgangspunt is dat strafrechtelijke gedragingen in beginsel via het strafrecht worden afgedaan. Dit kan anders zijn indien er een duidelijke relatie bestaat tussen die gedragingen en het werk, onder meer indien het gaat om feiten, die weliswaar volledig in de privésfeer zijn gepleegd, maar die onverenigbaar zijn met (de aard van) de functie, die een werknemer bekleedt. De vraag is of die situatie zich hier voordoet.

11. De strafrechter heeft ten aanzien van [verweerder] geoordeeld dat [verweerder] en zijn vader tijdens een noodlottige rit, over een afstand van meer dan 3 kilometer, (zeer) dicht achter elkaar reden en daarbij onvoldoende gelet hebben op het overige verkeer, terwijl [verweerder] op 130 meter voor het ongeval reed tussen de 138 en 153 kilometer, waarbij zo begrijpt de kantonrechter volgens het technisch rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) de beste schatting 146 kilometer is, op een weg waar 50 kilometer was toegestaan, de duisternis was ingetreden en het een onoverzichtelijke weg met veel in- en afritten van woonhuizen betrof en dit alles terwijl [verweerder] wist dat zijn vader alcohol gedronken had. Er is anders dan Transavia stelt niet bewezen dat hij wist dat zijn vader meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol had genuttigd. Verder heeft de rechtbank ten aanzien van het bewijs overwogen dat sprake is geweest van een situatie die een wedstrijdmatig karakter had en dat [verweerder] en zijn vader elkaar hebben opgejut. Maar dit maakt niet dat hij medeschuldig is aan het dodelijk ongeval. Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank overwogen dat [verweerder] hiermee extreem gevaarzettend gedrag heeft vertoond. Verder heeft zij overwogen dat [verweerder] , door het tegen de klippen op blijven ontkennen van het met extreem hoge snelheid te rijden en het zelfs betitelen van de verklaringen van getuigen als leugens, tegen de achtergrond van een stortvloed aan bewijs van deze snelheid, zijn verantwoordelijkheid niet onder ogen lijkt te willen zien, aldus het vonnis.

11. Dit zijn ernstige verwijten, die de verkeersveiligheid betreffen en er bestaat een zekere relatie met de werkzaamheden van [verweerder] als piloot. Immers het volgen van veiligheidsvoorschriften en verantwoordelijkheid nemen voor de veiligheid van anderen maakt onmiskenbaar onderdeel uit van de werkzaamheden van een piloot en is ook de basis van de verkeerswetgeving die [verweerder] in ernstige mate zou hebben overtreden. Maar eenmalig extreem gevaarzettend gedrag in het verkeer, dat ondanks de ernst in het strafrecht beperkt is gebleven tot overtreding van artikel 5 WvW, hetgeen een overtreding is en geen misdrijf, acht de kantonrechter onvoldoende om te oordelen dat sprake is van onverenigbaarheid met (de aard van) de functie van piloot. Dat sprake is van meer dan een incident, met risico’s voor de vliegveiligheid, is niet gebleken. Bij het voorgaande weegt de kantonrechter mee dat er geen beleid is binnen Transavia waaruit blijkt dat ernstige verkeersovertredingen gevolgen kunnen hebben voor het uitoefenen van het beroep van piloot. Ook heeft Transavia, ondanks de gemotiveerde betwisting van [verweerder] , niet onderbouwd dat de ontzegging van de rijbevoegdheid gevolgen kan hebben voor het vliegbrevet of voor de VGB. Daarom gaat de kantonrechter ervan uit dat daarvan geen sprake is.

11. In het verlengde hiervan is de proceshouding van [verweerder] in de strafzaak evenmin voldoende reden voor een ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter begrijpt dat Transavia moeite heeft met de weinig berouwvolle houding van [verweerder] en het feit dat hij daarin geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn aandeel. Maar in aanmerking genomen dat de strafzaak nog steeds loopt, is dit onvoldoende om te oordelen dat [verweerder] hiermee blijk geeft voor zijn functie als piloot over onvoldoende verantwoordelijkheidsbesef te beschikken. Evenmin is er voldoende reden voor een ontbinding vanwege de onjuiste lezing van de feiten met betrekking tot het ongeval die [verweerder] aan Transavia gegeven zou hebben, omdat Transavia daarmee al vanaf het begin ernstig rekening had moeten houden. De kantonrechter verwijst hiervoor naar de hierna volgende rechtsoverweging 17.

11. Voor een ontbinding op de h-grond zijn onvoldoende andere redenen aangevoerd dan hiervoor al besproken. Bovendien is het zoals gezegd niet de bedoeling van de wetgever, dat de verschillende ontslaggronden (e-grond: verwijtbaar handelen en (impliciet) g-grond: vertrouwensbreuk), die elk op zichzelf niet voldoende zijn om een ontbinding te rechtvaardigen, bij elkaar worden gevoegd in de h-grond. Hoewel de kantonrechter wel wil aannemen dat de huidige publiciteit nadelige gevolgen kan hebben voor Transavia, is op geen enkele wijze onderbouwd, dat deze structureel en van substantiële omvang zijn. Wat betreft problemen in de samenwerking met collega’s, heeft Transavia onvoldoende onderbouwd dat deze zodanig in omvang zijn (toegenomen) dat deze niet in het rooster zijn op te lossen. In dit verband valt overigens op dat indien dit een reëel probleem is, Transavia nog steeds geen gesprek is aangegaan met de betrokken piloten enerzijds en [verweerder] anderzijds om daaraan sturing te geven, hetgeen van haar als goed werkgever wel verwacht had mogen worden.

Overige omstandigheden

16. De omstandigheden van het onderhavige geval rechtvaardigen ook overigens geen ontbinding van de arbeidsovereenkomst op een van de aangevoerde gronden.

16. Allereerst heeft het ongeval plaatsgevonden voordat [verweerder] feitelijk bij Transavia als piloot is gestart. Weliswaar was toen al een arbeidsovereenkomst voor 5 maanden overeengekomen in verband met de opleiding, maar Transavia vraagt thans ontbinding van een arbeidsovereenkomst, die zij pas begin oktober 2016 voor onbepaalde tijd is aangegaan. Toen was [verweerder] al als verdachte van overtreding van artikel 5 WvW in beeld en door de politie gehoord. Ook de inhoud van het verhoor was toen bij Transavia bekend. De kantonrechter gaat daarvan uit op grond van het feit dat dit proces-verbaal door de toenmalige Chief Pilot was opgevraagd om aan te tonen dat Transavia niet alleen op de informatie uit het gesprek met [verweerder] afging. In het proces-verbaal van 24 maart 2016 valt op dat [verweerder] zich weinig herinnert (‘het kan zijn dat ik te hard heb gereden; maar het kan ook zijn niet te hard’; hij kan zich niet als zodanig herinneren dat hij zijn vader in de verte gezien heeft, hij kan zich geen ander verkeer herinneren). In het licht van de publiciteit destijds over het ongeval had Transavia op z’n minst op dat moment al gegronde twijfel kunnen hebben bij de lezing van [verweerder] . Desondanks is zij overgegaan tot het sluiten van een arbeidsovereenkomst zonder enige restrictie voor het geval de andere lezing juist zou zijn. Daardoor is in ieder geval bij [verweerder] het vertrouwen gewekt dat indien het zou blijven bij een veroordeling op grond van artikel 5 WvW daaraan door Transavia geen gevolgen zouden worden verbonden voor zijn werk als piloot. De kantonrechter ziet dit bevestigd door de opstelling van Transavia op het moment dat bekend werd dat [verweerder] ook vervolgd zou worden voor overtreding van artikel 6 WvW, en pas daarin - in maart 2017 - aanleiding werd gezien voor nader overleg met de advocaat van [verweerder] in de strafzaak.

16. Ten tweede - en in het verlengde van het voorgaande - heeft Transavia in de mogelijk andersluidende lezing van het ongeval kennelijk geen aanleiding gezien om een nader onderzoek in te stellen naar mogelijke veiligheidsrisico’s die verbonden zouden kunnen zijn aan de inzet van [verweerder] als piloot, waaronder het nemen van verantwoordelijkheid. Noch tijdens de opleiding noch tijdens de daarop volgende werkperiode gedurende anderhalf jaar is [verweerder] daarop nader getoetst. Ook verder zijn er geen concrete aanknopingspunten om een reëel veiligheidsrisico aanwezig te achten. Bij de toelatingstesten voor de opleiding als piloot wordt iemand getest op risicomijdend of risicolievend gedrag, en indien daar enige twijfel over bestaat, wordt iemand niet aangenomen, zo heeft Transavia ter zitting gesteld. Er zijn ook geen aanwijzingen voor risico’s vanuit Ryan Air, waar [verweerder] eerder twee jaar als piloot heeft gewerkt. Verder zijn er in de opleidingsperiode maar ook daarna onweersproken vele testen geweest, waarbij de vliegprestaties van [verweerder] onder meer in noodsituaties, technische en communicatievaardigheden in en buiten de cockpit e.d. zijn beoordeeld. Zijn scores waren zodanig dat hij geen extra trainingen nodig had. [verweerder] heeft ondanks enige uitval wegens ziekte de opleiding binnen 5 maanden met succes afgerond. Het moge zo zijn dat het daar gaat om gesimuleerde situaties, maar ook tijdens ‘echte’ vluchten hebben regelmatig beoordelingen van [verweerder] plaatsgevonden, waarbij een derde piloot meevloog en ook daar zijn geen risico’s gesignaleerd, althans daarover is niets gesteld.

16. Tenslotte, en niet in de laatste plaats, heeft Transavia zich voor het vaststaan van de verweten gedragingen beroepen op de inhoud van het strafvonnis van 17 november 2017. [verweerder] betwist ook nu nog de in het vonnis bewezen verklaarde gedragingen en heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld, zodat nog geen sprake is van een onherroepelijk vonnis in de zin van artikel 161 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dit betekent dat het vonnis geen dwingend bewijs oplevert van het bewezenverklaarde feit, maar dat de bewijslast voor de gestelde gedragingen in deze procedure nog bij Transavia ligt. Transavia heeft weliswaar aangevoerd dat zij deze gedragingen voor de bewijsvoering in een ontslagzaak met de bewijsmiddelen opgenomen in het strafvonnis aannemelijk heeft gemaakt, maar de onderliggende stukken ontbreken terwijl [verweerder] daarvan dan nog tegenbewijs kan leveren. Niet uitgesloten is dat in hoger beroep anders wordt geoordeeld. Het hoger beroep richt zich immers zowel op hetgeen de getuigen hebben kunnen waarnemen als op de conclusies uit het technisch bewijs. De kantonrechter ziet gelet op al het voorgaande, en met name het ontbreken van aanknopingspunten om een veiligheidsrisico aanwezig te achten, geen reden om nu al, vooruitlopend op het strafvonnis in hoger beroep, de arbeidsovereenkomst te ontbinden.

16. De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van de Transavia zal afwijzen en dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden ontbonden. Het tegenverzoek van [verweerder] om hem weer te werk te stellen zal worden toegewezen als verzocht. Door Transavia zijn geen bijzondere belangen gesteld of andere oplossingen naar voren gebracht om van wedertewerkstelling af te zien.

16. De proceskosten worden gecompenseerd in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING

De kantonrechter:

Op het verzoek van Transavia:

wijst de verzochte ontbinding af;

Op het tegenverzoek van [verweerder]

veroordeelt Transavia om [verweerder] te werk te stellen in zijn functie binnen twee dagen na betekening van de beschikking op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat Transavia in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen met een maximum van € 50.000,--;

Op beide verzoeken:

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven door mr. E.F.A. van Buitenen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.