Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6932

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-09-2018
Datum publicatie
11-10-2018
Zaaknummer
13-730084-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek naar mensenhandel op Europees niveau.

Verdachte wordt vrijgesproken van mensenhandel.

Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest voor mishandeling en voor het gebruiken van een vervalst rijbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/730084-16

Onderzoek: 13 Imin

Datum uitspraak: 28 september 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

ook opgeroepen onder de naam [naam verdachte]

geboren te [geboorteplaats] , [geboorteland] , op [geboortedag] 1989,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 30 en 31 augustus en (sluitingszitting) 14 september 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mr. J.F. de Boer en S. de Klerk, en van wat de gemachtigd raadsman van verdachte, mr. D.C. Vlielander, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan drie feiten, te weten:

1. mensenhandel, te weten de uitbuiting van [persoon 1] in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 16 december 2016 in diverse Europese landen, waaronder Nederland, door haar te dwingen tot het plegen van strafbare feiten (zakkenrollerij en winkeldiefstal)

2. de mishandeling van [persoon 1] in of omstreeks de periode van 14 november 2016 tot en met 16 december 2016 in diverse plaatsen in Nederland

3. het gebruik maken van een vervalst Kroatisch rijbewijs in of omstreeks de periode van 14 november 2016 tot en met 16 december 2016 in Nederland.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1.

Ontvankelijkheid van de officieren van justitie

De rechtbank heeft zich ten aanzien van feit 1 ambtshalve voor de vraag gesteld gezien of aan haar rechtsmacht toekomt, mede in het licht van het op dit punt door de advocaat van medeverdachte [medeverdachte] gevoerde verweer en het standpunt van de officieren van justitie daarover.

Hoofdregel op grond van artikel 2 Sr is dat de Nederlandse strafwet van toepassing is op ieder die zich in Nederland schuldig maakt aan enig strafbaar feit. Volgens vaste jurisprudentie kunnen gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden op grond van artikel 2 Sr ook in Nederland worden vervolgd, mits deze gedragingen deel uitmaken van een strafbaar feit dat zowel in Nederland als in het buitenland is gepleegd.1 De rechtsmacht geldt dan voor het hele feitencomplex, los van het feit dat de in Nederland begane gedraging (ook) als een zelfstandig delict kan worden gezien.

De rechtbank is van oordeel dat de aan verdachte in feit 1 verweten gedragingen geen deel uitmaken van een strafbaar feit dat zowel in Nederland als in de genoemde buitenlanden heeft plaatsgevonden. Weliswaar kan aan de officieren van justitie worden toegegeven dat sprake is van meerdere, afzonderlijke elkaar in tijd (onderbroken) opvolgende vergelijkbare feitencomplexen, maar dat als zodanig levert nog niet één feitencomplex op.

De rechtbank komt niet tot het oordeel dat er sprake is van één voortdurend delict. Een dergelijke situatie doet zich in beginsel voor als er sprake is van een verboden toestand. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Dat zou mogelijk denkbaar kunnen zijn in de situatie waarin sprake is van het voortduren van deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De beschuldiging aan verdachte omvat echter niet die, kortgezegd 140 Sr verdenking, zodat (reeds) om die reden geen sprake kan zijn van een voortdurend delict in de onderhavige zaak.

De rechtbank heeft tenslotte ambtshalve beoordeeld of op enige andere grond sprake zou kunnen zijn van het bestaan van rechtsmacht ten aanzien van de verdenking van de in het buitenland gepleegde delicten. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat daarvan geen sprake is. Verdachte is geen Nederlander en het vermeende slachtoffer is geen Nederlandse. Verdachte is, in het licht van artikel 86b Sr, evenmin een vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft. Het voorgaande geldt tevens voor het in de beschuldiging genoemde slachtoffer.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt er toe dat de officieren van justitie niet ontvankelijk worden verklaard voor zover het betreft feit 1 voor zover dit feit niet in Nederland heeft plaatsvonden.

3.2.

Overige voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4
4. Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt officieren van justitie

Feit 1
Volgens de officieren van justitie kan bewezen worden dat verdachte in de periode van april 2009 tot en met 16 december 2016 in Duitsland, Nederland en Spanje [naam 1] ook bekend als [persoon 1] (hierna: [naam 1] ) door geweld, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie heeft gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van haar uitbuiting en dat hij haar met die middelen heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten. Ook heeft hij voordeel getrokken uit haar uitbuiting.


Niet bewezen kan worden dat verdachte [naam 1] in België of Zwitserland heeft uitgebuit, zodat er in de pleegperiode een gat zit tussen 23 maart 2010 en 4 juni 2014. Niet gebleken is dat verdachte zich in België en Zwitserland in de nabijheid van [naam 1] bevond.

Feit 2
Volgens de officieren van justitie kan ook worden bewezen dat verdachte [naam 1] in de periode van 14 november 2016 tot en met 14 december 2016 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk heeft mishandeld. Verwezen wordt naar het telefoongesprek van 9 december 2016 dat [naam 1] met ‘ [naam 2] ’ voerde, het letsel dat bij haar is waargenomen en waarvan zich foto’s in het dossier bevinden, en de uitlating die [naam 1] op 14 december 2016 tegenover twee rechercheurs heeft gedaan.

Feit 3
Tot slot kan volgens de officieren van justitie worden bewezen dat verdachte op 16 december 2016 opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst Kroatisch rijbewijs op naam van [naam verdachte] . Verwezen wordt naar het proces-verbaal van aanhouding en de bevindingen daaromtrent, de verklaringen die verdachte zelf over dat rijbewijs heeft afgelegd en de foto van het rijbewijs die zich in het dossier bevindt en waarop zichtbaar is dat daarop een foto van verdachte is bevestigd.

4.2.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor de feiten 1 en 2.

Verdachte is een kind van de medeverdachten [medeverdachte] en zijn vrouw, [persoon 2] . Verdachte is opgevoed zonder naar school te gaan en werd door zijn ouders meegenomen van land naar land. Vastgesteld is dat hij een achterstand heeft opgelopen in zijn geestelijke ontwikkeling. Ten aanzien van verdachte is sprake van uitbuiting door zijn ouders en hij moet dan ook als slachtoffer worden gezien. Het gerechtshof zag voor feit 1 geen ernstige bezwaren en in april 2017 is de voorlopige hechtenis opgeheven.

[naam 1] is gek op verdachte en zij is zeker niet bang voor hem. Samen hebben zij zes kinderen en er is weer een kind onderweg. Er is geen sprake van een verstandshuwelijk. [naam 1] was al aan het stelen voordat ze verdachte leerde kennen, ze wist precies hoe zij dat moest aanpakken. Er is geen enkel bewijs voor de suggestie dat zij ‘gekocht’ zou zijn. [naam 1] ontkent ook slachtoffer te zijn. Zij heeft trots verklaard dat haar leven bestaat uit het stelen van portemonnees en dat ze daar goed in is. Zij ontkent dat verdachte haar heeft gedwongen iets te doen waar zij geen zin in had en dat hij haar zou hebben gedwongen de buit aan hem te geven. De telefoontaps vormen een contra-indicatie voor de gestelde dwang of uitbuiting. De verklaringen van [naam 1] zijn ontlastend voor verdachte.

De raadsman heeft zich met betrekking tot feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank; verdachte heeft dit feit bekend.

4.3.

Oordeel rechtbank

4.3.1.

Vrijspraak voor feit 1: mensenhandel


De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde feit voor zover dit in Nederland zou hebben plaatsgehad.


Uit het dossier blijkt niet van uitbuiting van [naam 1] / [persoon 1] door verdachte, noch van het gebruik van dwangmiddelen door verdachte jegens haar. Alleen [persoon 2] verklaart in dit opzicht belastend over verdachte, maar die enkele verklaring vormt onvoldoende basis om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. [naam 1] is een zelfstandige vrouw, echtgenote van verdachte en zij bepaalt zelf wat zij doet en wanneer zij naar huis komt. [naam 1] steelt alleen of samen met verdachte en zij draagt op die manier bij aan de kosten van levensonderhoud en de gokverslaving en het cocaïnegebruik van verdachte.

4.3.2.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3: mishandeling en gebruik vervalst rijbewijs

De rechtbank acht de overige twee feiten bewezen.


Zij volgt daarbij de officieren van justitie in hun presentatie van de bewijsmiddelen, maar beperkt ten aanzien van feit 2 de periode tot één dag, te weten 9 december 2016. De bewering van [naam 1] dat verdachte haar elke dag sloeg, wordt niet gedragen door de overige bewijsmiddelen in het dossier.


Het derde feit wordt door verdachte bekend.

5. Bewezenverklaring

5.1.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 2:

op 9 december 2016 in Nederland opzettelijk [persoon 1] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het slaan/stompen tegen het lichaam van voornoemde [persoon 1] , waardoor die [persoon 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Ten aanzien van feit 3:

in de periode van 14 november 2016 tot en met 16 december 2016 in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst Kroatisch rijbewijs, op naam van [naam verdachte] , met nummer [nummer] - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij wist dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, immers

  • -

    bij doorschijning van de pasfoto met een krachtige lichtbron worden beschadigingen zichtbaar in het basismateriaal, welke kennelijk zijn ontstaan bij het verwijderen van de origineel aangebrachte pasfoto en

  • -

    in het folie van het rijbewijs, juist over de thans aangebrachte pasfoto, bevinden zich contourlijnen die afwijken van de contourlijnen van de thans aangebrachte pasfoto en

  • -

    de in het folie zichtbare contourlijnen zijn achtergebleven, nadat eerder de origineel aangebrachte pasfoto was verwijderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5.2.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6
6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Eis van de officieren van justitie


De officieren van justitie hebben bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hen onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren, met aftrek van voorarrest.

Verdachte heeft zich in vereniging schuldig gemaakt aan de uitbuiting van zijn partner, door haar aan te zetten tot het plegen van strafbare feiten. [naam 1] is jarenlang van land naar land gezeuld en moest telkens een andere nationaliteit aannemen. Wat [naam 1] betreft staat vast dat zij gedurende de zwangerschap van haar jongste twee kinderen veel verdovende middelen gebruikte, ongetwijfeld ingegeven door de ellendige situatie waarin zij mede door toedoen van verdachte en medeverdachten verkeerde.


Verdachte heeft altijd volgehouden dat hij samen met [naam 1] ging stelen en dat zij het geld samen verdeelden. Uit het dossier blijkt echter dat hij vooral thuis zat en verdovende middelen gebruikte. Hij mishandelde haar regelmatig, waardoor de uitzichtloze situatie waarin [naam 1] verkeerde in de loop der jaren alleen maar erger is geworden. Verdachte en [naam 1] hebben samen zes kinderen, waarvan [naam 1] er niet één ziet opgroeien. Dat is mede aan het handelen van verdachte te wijten en kan hem dan ook ernstig kwalijk worden genomen.

8.2.

Strafmaatverweer van de raadsman

De raadsman heeft aangevoerd dat, als de rechtbank tot een bewezenverklaring van de drie feiten komt, de eis veel te hoog is. Verdachte is eigenlijk ook slachtoffer omdat hij een kind is van medeverdachten [medeverdachte] en [persoon 2] .


De redelijke termijn is overschreden en dit moet tot gevolg hebben dat er een korting op de straf wordt doorgevoerd van 5%.


Het feit dat verdachte reeds in Duitsland is veroordeeld moet worden verdisconteerd in de straf.


Verdachte is niet gerecidiveerd sinds hij op vrije voeten is gekomen.


De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij bewezenverklaring een straf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest.

8.3.

Oordeel van de rechtbank


De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde feit voor zover dit in Nederland zou hebben plaatsgehad, de uitbuiting van zijn partner, maar is van oordeel dat de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten bewezen zijn.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen geachte feiten, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte wordt veroordeeld voor de mishandeling van zijn partner [naam 1] en voor het feit dat hij heeft getracht zich te legitimeren door middel van een vervalst Kroatisch rijbewijs.
De rechtbank neemt verdachte zeer kwalijk dat hij geweld heeft aangewend tegen zijn partner, de moeder van zijn kinderen. Verdachte heeft door op die manier te handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [naam 1] en bij haar pijn en letsel veroorzaakt. Ook heeft hij inbreuk gemaakt op haar gevoel van veiligheid, omdat zij zich juist in haar eigen relatie veilig had moeten kunnen voelen.


Door gebruik te maken van een vervalst rijbewijs en zich daarmee te legitimeren heeft verdachte het vertrouwen dat gesteld moet kunnen worden in officiële documenten zoals paspoorten, identiteitsbewijzen en rijbewijzen ondermijnd. De rechtbank verwijt verdachte dat hij heeft geprobeerd de overheid te misleiden.


Verdachte is niet ter zitting verschenen en de rechtbank kan niet beoordelen hoe het op dit moment met hem gaat. De stelling dat verdachte ook als slachtoffer moet worden gezien volgt de rechtbank niet. Verdachte is een volwassen man met wellicht traumatische ervaringen uit zijn jeugd, maar dit maakt niet dat hij als volwassene en vader van een aantal kinderen geen verantwoording zou kunnen dragen voor de strafbare feiten die hij zelf begaat. Bovendien heeft hij niet de moeite genomen de rechtbank daarover zelf meer (gedetailleerd) te vertellen. De enkele mededeling daarover van zijn raadsman is onvoldoende om hiermee rekening te houden.


Een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest is een passende straf voor beide feiten en de rechtbank zal verdachte hiertoe veroordelen.

De rechtbank bepaalt het aanvangstijdstip van de start van de redelijke termijn op 16 december 2016, zijnde de datum waarop verdachte is aangehouden. De rechtbank komt tot de conclusie dat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

Gelet op het feit dat de rechtbank verdachte van het zwaarste feit, de mensenhandel, zal vrijspreken, bestaat aanleiding om bij de straftoemeting aanzienlijk af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 225 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

A. Ten aanzien van de vragen ex artikel 348 Wetboek van Strafvordering:

Verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk ten aanzien van feit 1 voor zover dit feit buiten Nederland zou hebben plaatsvonden.

B. Ten aanzien van de vragen ex artikel 350 Wetboek van Strafvordering:

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde feit voor zover dit in Nederland zou hebben plaatsgevonden niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

De bewezenverklaarde feiten leveren op:

Ten aanzien van feit 2:

mishandeling

Ten aanzien van feit 3:

opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift, als bedoeld in artikel 225,
lid 1 Sr, als ware het echt en onvervalst, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.

Verklaart de twee bewezen feiten strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 121 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,
mrs. C. Klomp en M.T.C. de Vries, rechters,
in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 september 2018.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

[...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

1 ECLI:NL:HR:1998:ZD1413 en ECLI:NL:HR:2010:BK6328