Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6915

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-09-2018
Datum publicatie
23-10-2018
Zaaknummer
7159487 KK 18-767
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

huurovk per 1-6. huurder bezorgt buren overlast. eind nov opname met RM. huurder keert 1-4 terug in woning. ondanks 5 mnd geen overlast meer toch ontruiming, omdat huurder geen therapie of medicatie wil, buren bang voor hem zijn en korte huurduur

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 7159487 KK EXPL 18-767

vonnis van: 28 september 2018

func.: 34109

vonnis van de kantonrechterkort geding

I n z a k e

de stichting Woningstichting Eigen Haard

gevestigd te Amsterdam

eiseres

nader te noemen: Eigen Haard

gemachtigde: mr. S. Ouamar

t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

nader te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. H.K. Jap-A-Joe

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 27 augustus 2018 met producties heeft Eigen Haard een voorziening gevorderd.

Ter zitting van 12 september 2018 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Eigen Haard is verschenen bij [naam 1] (medewerkster zorg en overlast), [naam 2] (GGD), [naam 3] (wijkagent), [naam 4] (bovenbuurman), [naam 5] (bovenbuurvrouw) en haar partner, vergezeld door de gemachtigde. [gedaagde] is verschenen in persoon, vergezeld door de gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht. Na verder debat is de zaak aangehouden teneinde de mogelijkheid te onderzoeken de zaak in der minne regelen. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt. Op 21 september 2018 hebben beide partijen de kantonrechter laten weten dat een regeling niet tot stand is gekomen. De zaak staat thans voor vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Als uitgangspunt geldt het volgende.

1.1.

Eigen Haard verhuurt aan [gedaagde] met ingang van 1 juni 2017 de woning aan de [adres 1] te [plaats] . De woning betreft een 3-kamer woning van ca 40 m2. De huur voor de woning bedraagt € 659,40 netto per maand.

1.2.

De woning maakt deel uit van een appartementencomplex, waarvan de benedendeur toegang geeft tot een trappenhuis met behalve de woning van [gedaagde] op de eerste verdieping, de woning van de heer [naam 4] op de tweede en mevrouw [naam 5] op de derde verdieping.

1.3.

Sinds medio oktober 2017 heeft Eigen Haard structureel overlast meldingen van [naam 5] en [naam 4] ontvangen. In de meldingen doen zij hun beklag over de overlast die zij van [gedaagde] ondervinden, maar ook over de angst die zij voor hem hebben. De overlast bestaat uit ernstige bedreigingen en intimidatie ( [naam 5] meldt dat [gedaagde] tegen haar heeft geschreeuwd: “kankermeisje”, “heb je lekker geneukt”), het draaien van zeer harde muziek en het, zowel overdag als ’s nachts, bonken tegen deuren en muren. [naam 5] en [naam 4] zijn bezorgd over de veiligheid in het complex.

1.4.

Eigen Haard heeft in oktober 2017 ook overlast meldingen van [gedaagde] ontvangen betreffende zijn buren, waarbij hij meldt last te hebben van meubilair dat verschoven wordt en geschreeuw. In de overlast melding heeft [gedaagde] aangegeven dat hij denkt dat [naam 5] een prostituee of transgender is, en dat hij bang is dat hij thuis wordt afgeluisterd.

1.5.

In de loop van november 2017 vindt een escalatie van door [gedaagde] veroorzaakte overlast plaats, waarbij de GGD en de politie zijn betrokken.

1.6.

Vanaf 29 november 2017 is [gedaagde] met een rechterlijke machtiging voor de duur van 3 maanden opgenomen in een GGZ instelling.

1.7.

Op 5 januari 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 1] namens Eigen Haard, de maatschappelijk werker van Mentrum en [gedaagde] over de mogelijkheden tot het verkrijgen van andere woonruimte. In overleg met [gedaagde] wordt een voorkeursgebied bepaald en besproken aan welke eisen de woning moet voldoen teneinde de kans op overlast te minimaliseren (geen portiekwoning, liefst begane grond etc).

1.8.

Op 1 februari 2018 laat Mentrum Eigen Haard weten dat [gedaagde] heeft erkend dat hij dingen zag en hoorde die er niet waren, dat hij de buren niet meer zal benaderen en dat hij de situatie achter zich wil laten. [gedaagde] zou hulp willen accepteren en het liefst willen verhuizen.

1.9.

Op 20 februari 2018 heeft [gedaagde] de door Eigen Haard aangeboden 2-kamer woning in de [adres 2] te [plaats] afgewezen vanwege de grootte.

1.10.

Op 15 maart 2018 ontvangt Eigen Haard een bericht van de maatschappelijk werker van Mentrum, waarin zij haar zorgen over [gedaagde] uit. In het bericht wordt aangegeven dat [gedaagde] hulp weigert en dat hij bij Mentrum is uitbehandeld.

1.11.

Op 11 april 2018 is [gedaagde] met ontslag gegaan en teruggekeerd in de woning.

1.12.

Op 8 mei 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden waaraan deelnamen [gedaagde] , Eigen Haard, de wijkagent en de GGD. In dit gesprek heeft [gedaagde] erkend dat hij ziek was voordat hij werd opgenomen. [gedaagde] heeft in dit gesprek aangegeven zich verder niet onder begeleiding van hulpverleners te willen stellen en geen medicatie te willen innemen, volgens hem is dat niet nodig.

1.13.

Op 26 juni 2018 hebben de deelnemende convenantpartners aan het Groot Overleg van het Meldpunt Zorg en Overlast Oost besloten tot einde interventie met laatste kans beleid.

Vordering

2. Eigen Haard vordert - kort gezegd - dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld zal worden tot ontruiming van de woning aan de [adres 1] te [plaats] , met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3. Eigen Haard stelt hiertoe dat [gedaagde] ernstig tekort schiet in zijn verplichting zich als een goed huurder te gedragen door structureel overlast te veroorzaken. Nu [gedaagde] ondanks diverse waarschuwingen zijn overlast veroorzakende gedragingen structureel heeft voortgezet, heeft Eigen Haard er dan ook totaal geen vertrouwen meer in dat [gedaagde] zijn gedrag nu wel zal aanpassen. Dit blijkt te meer aangezien [gedaagde] alle vorm van hulp van de GGD weigert en ook niet voornemens is maatregelen te treffen teneinde zijn situatie te stabiliseren. Zo heeft [gedaagde] reeds duidelijk aangegeven niet voornemens te zijn om hulpverlening te accepteren en zijn medicatie in te nemen.

Verweer

4. [gedaagde] erkent dat hij voor zijn opname overlast heeft veroorzaakt, omdat hij ziek was. Hij stelt zijn rust gevonden te hebben tijdens zijn verblijf bij Mentrum. Omdat het nu heel goed met hem gaat, hoeven zijn buren niet meer bang voor hem te zijn. [gedaagde] wil te zijner tijd wel verhuizen, maar uit eigen wil en niet onder de voorwaarde van hulpverlening.

Beoordeling

5. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de vordering van Eigen Haard in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

6. Op grond van de feiten en omstandigheden zoals deze uit de stukken blijken en het verhandelde ter zitting, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dat het geval is. [gedaagde] woonde slechts enkele maanden in het gehuurde toen de overlast een aanvang nam in oktober 2017, en kan dus niet bogen op een langdurige, probleemloze huurrelatie voorafgaand aan de aanvang van de overlast. Daarbij komt dat de aard en ernst van de door hem veroorzaakte overlast dusdanig was dat hij al in november 2017 met een rechterlijke machtiging is opgenomen. De direct omwonenden hebben zijn gedrag als (ernstig) bedreigend ervaren, zijn hierdoor getraumatiseerd en hebben zich lange tijd niet veilig gevoeld in hun eigen huis.

7. Na terugkomst in de woning in april 2018 hebben zich weliswaar geen nieuwe overlast incidenten voorgedaan, echter [gedaagde] heeft iedere verdere vorm van hulpverlening vanuit Mentrum of een andere GGZ instelling geweigerd, terwijl hierop wel is aangedrongen door Mentrum en de GGD. Vanwege privacy redenen kon de ter zitting aanwezige medewerkster van de GGD geen inhoudelijke mededelingen doen aangaande het ziektebeeld van [gedaagde] , maar duidelijk was wel dat zowel Mentrum als de GGD het nodig achten dat [gedaagde] zich onder verdere begeleiding stelt en medicatie inneemt. In het licht van alle feiten en omstandigheden had het op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn stelling dat hij volledig is genezen, dat hij (dus) geen begeleiding en/of medicatie nodig heeft en dat er geen enkel risico op herhaling is, nader te onderbouwen door (bijvoorbeeld) een verklaring van een psychiater in het geding te brengen. Dit heeft [gedaagde] niet gedaan, en hij heeft eveneens afwijzend gereageerd op het voorstel van de voorzieningenrechter om een eenmalig psychiatrisch onderzoek te laten plaatsvinden waarvan – een samenvatting op hoofdlijnen – ter kennis van de omwonenden gebracht zou mogen worden. Gelet hierop kan niet worden uitgesloten dat zich in de toekomst een herhaling van de overlast zal voordoen.

8. De voorzieningenrechter heeft voorts ter zitting de indruk gekregen dat [gedaagde] niet of onvoldoende beseft welke impact zijn gedrag heeft gehad op de omwonenden.

9. Alle omstandigheden van het geval afwegend, waaronder de aard en ernst van de overlast, het risico op herhaling gelet op het feit dat [gedaagde] hulpverlening en medicatie weigert terwijl voorshands moet worden aangenomen dat hij dit wel nodig heeft, het relatief geringe en zeer kortdurende huurbelang van [gedaagde] , en het feit dat vanuit Eigen Haard alleszins redelijke voorstellen zijn gedaan voor andere passende woonruimte die door [gedaagde] categorisch zijn afgewezen (ter zitting zei hij op een nieuw aangeboden woning direct “nee”, terwijl aanstonds bleek dat hij niet wist waar deze woning zich bevond), is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat de vordering dient te worden toegewezen. Hieraan doet niet af dat zich feitelijk sinds april 2018 geen overlast incidenten meer hebben voor gedaan.

10. [gedaagde] dient als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten te worden belast.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om de woning aan de [adres 1] te [plaats] met al wie en al wat zich daarin vanwege [gedaagde] bevindt, binnen 3 dagen na de betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van Eigen Haard te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Eigen Haard begroot op:
exploot € 98,01
salaris € 400,00
griffierecht € 119,00
----------------
totaal € 617,01
voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt [gedaagde] de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 50,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. T.S. Pieters, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.