Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6889

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
13/665353-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 21-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar. Hij pleegde samen met een andere man een zeer gewelddadige gewapende woningoverval in Amsterdam in september 2017. Ook probeerde de man diezelfde dag bij een andere woning in te breken. Hij moet ook ruim 165.000 euro schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0792
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/665353-17 (Promis)

Datum uitspraak: 27 september 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1997,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het Huis van Bewaring [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
13 september 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Ang, de vordering van de benadeelde partijen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R. Lonterman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt – kort gezegd – beschuldigd van het plegen van de volgende feiten:

Feit 1
tezamen en in vereniging plegen van een woningoverval aan de [adres 1] te Amsterdam op 14 september 2017;

Feit 2
poging tot tezamen en in vereniging plegen van een woninginbraak aan de [adres 2] te Amsterdam op 14 september 2017;

Feit 3
primair: tezamen en in vereniging plegen van een diefstal van een bromfiets toebehorende aan [slachtoffer 1] te Amsterdam op 12 juni 2017;

subsidiair: heling van voormelde bromfiets;

Feit 4
medeplegen van witwassen van een aantal geldbedragen op of in de periode 31 juli 2017 en/of 11 augustus 2017.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie


De officier van justitie vindt dat de ten laste gelegde feiten onder 1, 2 en 3 subsidiair wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard op grond van de stukken in het dossier. Nu het dossier geen bewijs bevat voor het witwassen, dient verdachte van feit 4 vrijgesproken te worden.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat verdachte van feit 1, 2 en 3 moet worden vrijgesproken omdat het ontbreekt aan bewijs waaruit blijkt dat verdachte de persoon is op de camerabeelden die beschikbaar zijn bij elk feit.
De processen-verbaal van herkenning kunnen niet als bewijs dienen omdat de herkenningen onderling onvoldoende overlappen, de camerabeelden van slechte kwaliteit zijn en alle verbalisanten hun herkenning baseren op te algemene kenmerken zoals het dragen van een bepaalde pet.

De tie-wrap waarop het DNA van verdachte is aangetroffen is een verplaatsbaar voorwerp. Daardoor kan niet worden uitgesloten dat het DNA van verdachte op een andere wijze dan tijdens de woningoveral op de tie-wrap is terechtgekomen. Daarnaast is de aangetroffen hoeveelheid DNA minimaal en is het DNA niet aangetroffen op het deel van de tie-wrap dat is aangetrokken. Mocht de rechtbank het DNA-onderzoek toch als bewijs gebruiken, dan verzoekt de verdediging een nader onderzoek op activiteitenniveau te laten verrichten.
De scooter die bij de doorzoeking is aangetroffen zou dezelfde scooter zijn die ook op de camerabeelden is te zien. Dit lijkt onjuist nu de twee scooters alleen met elkaar overeenkomen op algemene onderdelen zoals een rekje en een windscherm en niet op specifieke onderdelen.

Ten slotte zou verdachte zijn herkend aan de typische gedraging dat hij regelmatig in zijn kruis grijpt. Nu het dossier slechts twee foto’s bevat waarop is te zien dat iemand in zijn kruis grijpt, is deze gedraging onvoldoende om tot een herkenning te kunnen komen.
De verdediging heeft voorts bepleit dat verdachte van feit 4 moet worden vrijgesproken omdat het in het dossier ontbreek aan bewijsstukken voor dit feit.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Oordeel over feit 1 en 2
Inleiding

Op 14 september 2017 heeft er omstreeks 10:50 uur een poging tot woninginbraak plaatsgevonden aan de [adres 2] te Amsterdam . Op de camerabeelden die van de poging tot woningbraak beschikbaar zijn, zijn twee mannen te zien waarvan één man is gekleed in donkerkleurige kleding en de andere man in grijskleurige kleding. De mannen hebben een zwarte gereedschapskoffer bij zich en dragen gele hesjes, die zij even daarvoor uit de gereedschapskoffer hebben gehaald en aangedaan.
Dezelfde dag wordt er omstreeks 11:15 uur een gewelddadige gewapende woningoverval gepleegd aan de [adres 1] te Amsterdam waarbij het slachtoffer is mishandeld, bedreigd en in de badkamer en slaapkamer is vastgebonden. De daders hebben veel goederen buitgemaakt en zijn in de Maserati van het slachtoffer er vandoor gegaan. Op de beschikbare camerabeelden worden omstreeks 11:12 uur twee mannen gezien die in de richting van de [adres 1] lopen. Beide mannen dragen een geel hesje en één van hen draagt een zwarte gereedschapskoffer.


Op basis van de camerabeelden die zijn gemaakt van beide feiten, de gelijkenis van de twee mannen, de tijdstippen waarop deze feiten zijn gepleegd en de korte afstand, te weten 1,5 kilometer, tussen de [adres 2] en de [adres 1] kan het niet anders dan dat de twee mannen op de beelden zowel de poging tot woninginbraak als de woningoverval hebben gepleegd.

Algemene overweging
In de onderhavige zaak zijn camerabeelden gemaakt van de ten laste gelegde poging tot woninginbraak en van mannen in de buurt van de woning waar de woningoverval heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de - al dan niet - betrokkenheid van verdachte bij deze feiten zijn de herkenningen door verbalisanten gedaan op basis van dit beeldmateriaal van cruciaal belang. Bij de beoordeling van herkenningen staat steeds voorop dat daarbij behoedzaamheid betracht dient te worden. Voorts heeft de rechtbank bij de beoordeling de volgende uitgangspunten gehanteerd.

De herkenning van een persoon op bewegend beeld kan plaatsvinden, grof gezegd, op basis van diens gezicht, kleding en accessoires en/of postuur, houding en manier van bewegen. Hiervan heeft de gezichtsherkenning onmiskenbaar de hoogste diagnostische waarde. Het gezicht is immers uit zijn aard uniek en de meeste mensen zijn uitstekend in staat gezichten te herkennen.
Gezichten worden als één geheel, dat wil zeggen holistisch in het geheugen opgeslagen en wel in visuele vorm. Dit is ook de wijze waarop de herkenning van gezichten plaatsvindt, wat onder meer tot gevolg heeft dat het heel lastig kan zijn een beschrijving te geven van een gezicht dat men goed kent en goed kan herkennen.

De rechtbank heeft de volgende elementen in haar beoordeling betrokken. In de eerste plaats heeft zij beoordeeld aan de hand van de stills in het dossier, of de beelden voldoende duidelijk en helder zijn om een gezichtsherkenning op te kunnen baseren, of er met andere woorden voldoende gezichtskenmerken te zien zijn om een herkenning mogelijk te maken. Daarmee staat in nauw verband een tweede beoordelingselement, namelijk hoe goed de herkenner de verdachte kent. Hoe beter men de verdachte (visueel) kent, hoe minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Daarbij geldt dat de visuele kennis waardevoller is als deze is ontstaan uit ontmoetingen in levenden lijve dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is. Tevens zijn de aard, frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoeting(en) van belang. Een derde beoordelingselement is het aantal herkenningen, die onafhankelijk van elkaar zijn gedaan. Hoe meer dat er zijn, hoe hoger de bewijskracht. Ten slotte heeft de rechtbank nog gekeken of er feiten en omstandigheden zijn die een herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar zouden (kunnen) maken. In het geval dat er andere bewijsmiddelen dan herkenningen in het dossier aanwezig zijn die de betrokkenheid van verdachte bij het ten last gelegde kunnen ondersteunen, zijn deze in de beoordeling betrokken.

Is verdachte één van de twee personen op de camera beelden?

De rechtbank is van oordeel dat de beelden op basis waarvan de herkenning heeft plaatsgevonden, van voldoende kwaliteit zijn om daarop herkenningen te baseren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat aan de verbalisanten die verdachte herkennen bewegende beelden zijn getoond en geen stills, wat maakt dat men zich een beter beeld kan vormen van de te identificeren persoon.
De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de afzonderlijke herkenningen van verdachte als één van de daders door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] bij het zien van de betreffende camerabeelden. De rechtbank betrekt hierbij dat de verbalisanten voorafgaand aan hun afzonderlijke herkenningen als volgt met verdachte bekend waren. Verbalisant [verbalisant 1] is al meerdere jaren werkzaam bij het district Amsterdam West en heeft verdachte meermalen op straat gecontroleerd en staande gehouden. Verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] zijn werkzaam bij het IPGA-team 8 dat regiehouder is van de top 600 waartoe verdachte behoort. In het bijzonder is verdachte regiesubject van verbalisant [verbalisant 2] en valt hij onder haar verantwoordelijkheid. Daarnaast waren deze verbalisanten aanwezig toen verdachte eind september 2017 voor de rechtbank te Rotterdam moest verschijnen. Zowel verbalisant [verbalisant 3] als [verbalisant 2] hebben verdachte meermalen op straat gezien dan wel geobserveerd. Verbalisant [verbalisant 5] heeft verdachte op 20 september 2017 staande gehouden.

De herkenningen in het dossier worden ondersteund door het sporenonderzoek waaruit blijkt dat het DNA van verdachte op een tie-wrap, waarmee het slachtoffer vastgebonden is geweest aan het handdoekenrek in de badkamer, is aangetroffen in de badkamer. De rechtbank acht hierbij van belang dat de verbalisanten verdachte op de beelden hebben herkend voordat bekend werd dat het aangetroffen DNA van verdachte was. Er kan daarom geen sprake zijn van beïnvloeding als gevolg van het aantreffen van dat DNA. De verdediging heeft aangevoerd dat de tie-wrap een verplaatsbaar voorwerp is, maar heeft nagelaten nader te onderbouwen hoe de tie-wrap op andere wijze dan door medebrenging door verdachte in de woning aan de [adres 1] is terechtgekomen.


Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft gesteld dat de aangetroffen hoeveelheid DNA minimaal is en dat het DNA niet is aangetroffen op het deel van de tie-wrap dat is aangetrokken en heeft verzocht om, mocht de rechtbank het DNA-onderzoek toch als bewijs gebruiken, een nader onderzoek op activiteitenniveau te laten verrichten.

De rechtbank sluit de resultaten van het DNA-onderzoek niet uit van het bewijs en wijst het voorwaardelijke verzoek van de raadsman af omdat de noodzakelijkheid daarvan niet is gebleken. De raadsman heeft ook niet nader onderbouwd wat er dan precies onderzocht zou moeten worden.

Gelet op het voorgaande merkt de rechtbank verdachte aan als één van de twee daders bij de poging tot woninginbraak en de woningoverval en acht hiermee het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen.

3.3.2

Oordeel over feit 3

De rechtbank acht niet bewezen wat onder 3 primair ten laste is gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank vindt de subsidiair ten laste gelegde opzetheling tezamen en in vereniging met anderen wel bewezen. Daarvoor is het volgende van belang. Verdachte, die door zes verbalisanten op de beschikbare camerabeelden is herkend, heeft midden in de nacht geholpen met het tillen van een scooter, terwijl die op het stuurslot stond en er een kettingslot door het achterwiel heen zat. Ondertussen gaven de alarmlichten van de scooter licht. Die omstandigheden maken dat verdachte moet hebben geweten dat de scooter van misdrijf afkomstig was.

3.3.3.

Oordeel over feit 4

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat voor dit feit geen bewijs is geleverd en dat verdachte dus moet worden vrijgesproken van dit feit.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1.

hij op 14 september 2017 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander in een woning, pand [adres 1] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:

- ongeveer 1000 dollar en 80 euro en GBP 240 en HKD 1200 en

- cheques ter waarde van ongeveer 400 dollar en

- een collectie oude Italiaanse Lirabiljetten en

- gouden munten en

- een hoeveelheid kleding, te weten trainingsbroeken en een sweater en een shirt en colberts en jassen en truien en stropdassen en nachtkleding, en

- een hoeveelheid sieraden/juwelen, te weten armbanden en kettingen en horloges en oorbellen en ringen en een hanger, en

- een rammelaar en een zilveren eetlepel en

- een mini-urn en

- portemonnees en

- etuis en

- riemen en

- tassen en

- een rekenmachine en

- een koffer en

- sleutelhangers en

- pinpassen en creditcards en identiteitskaarten en

- een rijbewijs en

- autosleutels van een Maserati en een auto, merk Maserati,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , waarbij hij, verdachte, en zijn mededader zich de toegang tot die woning hebben verschaft door zich voor te doen als medewerkers van de bezorgdienst DHL door gele hesjes te dragen en een papier met daarop DHL in de hand te hebben, in elk geval door middel van een vals kostuum, welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en bedreiging met geweld hierin bestonden, dat hij, verdachte, en zijn mededader:

- bij die woning hebben aangebeld en zich hebben voorgedaan als medewerkers van de bezorgdienst DHL door gele hesjes te dragen en een papier met daarop DHL in de hand te hebben en te zeggen dat ze een pakketje hadden en

- die [slachtoffer 2] , toen hij de deur had geopend, naar binnen en tegen een muur hebben geduwd en

- een pistool ter hand hebben genomen en op die [slachtoffer 2] hebben gericht en de loop van dat pistool in de mond van die [slachtoffer 2] hebben geduwd en

- die [slachtoffer 2] onder bedreiging van dat pistool door die woning hebben geduwd en

- tegen die [slachtoffer 2] hebben gezegd: "Voel je dit. Doe je iets raars dan gaan we met z'n drieën dood" en
- tegen die [slachtoffer 2] hebben gezegd dat ze geld wilden en dat er niets zou gebeuren als hij zou meewerken en dat die [slachtoffer 2] zou worden onthoofd en zou sterven als een hond en dat zij hem in bad zouden verdrinken en dat ze een haardroger in het bad zouden gooien en dat zij zijn vrouw zouden opwachten en zouden verkrachten en

- om geld hebben gevraagd en

- die [slachtoffer 2] hebben gevraagd waar de kluis was en die [slachtoffer 2] opgedragen de kluis in die woning te openen en
- die [slachtoffer 2] met een mes in de rug hebben gesneden en

- die [slachtoffer 2] meermalen hebben geschopt en geslagen en meermalen een voet op het hoofd van die [slachtoffer 2] hebben gestaan en

- die [slachtoffer 2] met een hard voorwerp tegen de nek hebben geslagen en

- die [slachtoffer 2] met tie-wraps en badjassen en elektriciteitskabels hebben vastgebonden en

- die [slachtoffer 2] daarna meermalen met een hard voorwerp tegen zijn gezicht hebben geslagen waardoor die [slachtoffer 2] knock-out ging;

2.

op 14 september 2017 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, pand [adres 2] , weg te nemen geld en/of goederen van zijn gading, toebehorende aan [slachtoffer 3] of anderen dan aan verdachte en zijn mededader, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, met zijn mededader naar die woning is toegegaan en om die woning is heengelopen, waarna hij, verdachte en zijn mededader een deur van die woning hebben geforceerd en een tak van een plant tussen de deuren van een schuifpui van die woning hebben gestoken;

3.

op 12 juni 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een bromfiets, merk: Sym, kenteken [kenteken] , voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het een door diefstal, in elk geval een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Motivering van de straffen en maatregelen

5.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: maatregel van Tbs) wordt opgelegd. Mocht de rechtbank niet de maatregel van Tbs opleggen, dan heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar, met aftrek van voorarrest.

5.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, voor zover haar standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken, bepleit dat oplegging van de maatregel van Tbs niet opportuun is en verwijst naar de rapporten die over verdachte zijn opgesteld. Deze geven er geen blijk van dat bij verdachte sprake zou zijn van een gebrekkige stoornis of ziekelijke ontwikkeling. Daarnaast heeft geen van de deskundigen geadviseerd dat aan verdachte de maatregel van Tbs opgelegd moet worden.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot woninginbraak en een zeer gewelddadige en langdurige gewapende woningoverval, nota bene op dezelfde dag en kort na elkaar.
Een woning is bij uitstek de plaats waar men zich veilig moet kunnen voelen. Dergelijke gebeurtenissen zijn ook in bredere zin - voor de omwonenden en de wijk waarin zulke incidenten plaatsvinden - verontrustend en tasten de gevoelens van vertrouwen en veiligheid in de eigen woonomgeving aan. Verdachte heeft hiermee grote gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer en zijn gezin veroorzaakt en een inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke integriteit. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort misdrijven daar nog lang de psychische gevolgen van kunnen ondervinden, wat ook hier is gebleken. Uit de videoboodschap van het slachtoffer komt naar voren dat het slachtoffer, zijn vrouw en zijn zoon zich nog steeds onveilig voelen in hun eigen woning en angstgevoelens hebben. Zij worden allen behandeld door een psychotherapeut.
Het ongecontroleerde bezit van wapens kan in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich meebrengen en een gevoel van onveiligheid in de maatschappij veroorzaken. Door te handelen als hij heeft gedaan heeft verdachte daaraan bijgedragen. Verdachte en zijn mededader hebben blijkbaar enkel gehandeld met het oog op eigen financieel gewin.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen waarin het oriëntatiepunt voor een woningoverval met ander geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 jaar bedraagt. Vervolgens heeft de rechtbank bekeken of er in deze zaak feiten en omstandigheden zijn die oplegging van een lichtere of juist zwaardere straf dan wel een maatregel rechtvaardigen.


Geen maatregel Tbs

De officier van justitie heeft naast een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren gevorderd aan verdachte de maatregel van Tbs op te leggen. Op grond van artikel 37a (Sr.) is hiervoor vereist dat bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of stoornis van de geestvermogens bestond.

Verdachte heeft de rechtbank weinig tot geen inzicht verschaft in zijn persoon, terwijl dat – zeker in het licht van het bewezen geachte – wel gewenst was. Van verdachte zijn diverse rapportages opgemaakt waaruit blijkt dat mogelijk sprake is van antisociale persoonlijkheidstrekken. Een antisociale persoonlijkheidsstoornis kan niet worden vastgesteld, maar ook niet worden uitgesloten. Tevens kunnen de geraadpleegde deskundigen geen conclusies trekken over de psychiatrische en/of psychische problematiek van verdachte, mede omdat hij weigert mee te werken aan de onderzoeken.

De officier van justitie heeft in het onderhavige onderzoek geen nieuwe observatie in het Pieter Baan Centrum gevorderd. Zij heeft evenmin deskundigen voor de inhoudelijke zitting opgeroepen die haar vordering tot het opleggen van de maatregel van Tbs zouden kunnen ondersteunen.

De rechtbank acht het bij deze stand van zaken onvoldoende onderbouwd waarom voornoemde maatregel nu passend en geboden is en zal de maatregel dan ook niet opleggen. De van verdachte opgemaakte rapportages bevatten geen diagnostische conclusies of aanknopingspunten op basis waarvan vastgesteld kan worden dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of stoornis van de geestvermogens. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat bij verdachte tijdens het begaan van de feiten daarvan sprake was. De rechtbank acht een aanvullend onderzoek door deskundigen niet opportuun gelet op zijn weigerachtige houding mee te werken aan het laten opstellen van rapportages met als gevolg dat een aanvullend onderzoek weinig nieuwe diagnostiek of aanknopingspunten zal opleveren.
Daarbij overweegt de rechtbank, dat het doel dat de officier van justitie nastreeft met de door haar gevorderde maatregel van Tbs, te weten de bescherming van de samenleving, ook bereikt kan worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Daarnaast kan, door middel van voorwaarden aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling van verdachte aan het eind van zijn straf, gewerkt worden aan gedragsbeïnvloeding. Hierbij speelt ook mee dat verdachte nog zeer jong is en zijn gedrag mogelijk de komende jaren in detentie ten positieve verandert.

Gevangenisstraf
Oplegging van een gevangenisstraf is passend en geboden.

Verdachte en zijn mededader hebben zich de toegang tot de woning verschaft door zich voor te doen als pakketbezorgers, het slachtoffer naar binnen te duwen en daar een vuurwapen op het slachtoffer te richten. Het slachtoffer heeft daarbij het vuurwapen in zijn mond geduwd gekregen. Ook is het slachtoffer geschopt en geslagen, meermalen vastgebonden, bedreigd, in zijn rug gesneden met een kaasmes, gedwongen om op handen en voeten over de grond te kruipen en is uiteindelijk net zo lang met een zwaar voorwerp tegen zijn hoofd geslagen tot hij zijn bewustzijn verloor. Verdachte en medeverdachte hebben het slachtoffer gedurende ongeveer een uur op zeer sadistische wijze mishandeld en bedreigd terwijl het slachtoffer meermalen had aangegeven te zullen meewerken en verdachte en zijn mededader te geven wat zij wilden. De rechtbank rekent deze handelingen verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft kennis genomen van het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 augustus 2018. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor veelal geweldsdelicten of geweld gerelateerde delicten. In het bijzonder is verdachte op 4 oktober 2017 veroordeeld voor een woningoverval met dodelijke afloop. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij zich gedurende de schorsing van zijn voorlopige hechtenis in de zaak van de woningoverval met dodelijke afloop opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een dergelijk feit. Ook tijdens onderhavige woningoverval was sprake van het gebruik van een vuurwapen, waarmee is gedreigd en waarmee dus wederom het risico is genomen om anderen (dodelijk) te raken. Ook neemt de rechtbank het verdachte kwalijk geen enkele verantwoordelijkheid te nemen voor zijn handelen of daar verantwoording voor te willen afleggen en geen oog heeft voor de gevolgen van zijn daden voor anderen.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij een gevaar voor de samenleving vormt. De rechtbank vindt het daarom zeer belangrijk dat verdachte zich gedurende lange tijd niet in de maatschappij zal begeven.

Het bepaalde van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing. Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan opzetheling.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar met aftrek van voorarrest een passende straf is.

6 Beslag

Onder verdachte zijn het volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. STK USB-stick (memorykaart)

-

5480467

2 1.00 STK Kentekenplaat

[kenteken]

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewaring voor de rechthebbende van de kentekenplaat en vernietiging van de USB-stick indien die niet meer nodig is voor verder onderzoek.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen kentekenplaat met nummer [kenteken] en de UBS-stick (goednummer 5480467) dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

7 Ten aanzien van de benadeelde partij

7.1

De benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde een vordering van € 184.156,32 ingediend, die uit de volgende schadeposten is opgebouwd:

  1. Gestolen goederen en schade aan de woning € 142.445,00

  2. Kosten aanvragen vervangende documenten € 400,00

  3. Reeds gemaakte medische kosten € 161,66

  4. Toekomstige medische kosten € 2.000,00

  5. Kosten rechtsbijstand € 14.066,86

  6. Immateriële schade € 25.000,00

7.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële kosten rechtstreeks uit het strafbare feit voortvloeien en voldoende zijn onderbouwd, met uitzondering van de toekomstige medische kosten. Deze zijn tot op heden onvoldoende bepaald en dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voor het overige dient de materiële vordering te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel inclusief wettelijke rente.

Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding heeft de officier van justitie opgemerkt dat de rechtbank op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek een vergoeding naar redelijkheid kan toekennen. Mede gelet op de in de bijlage opgenomen jurisprudentie ter onderbouwing van de vordering, is de verzochte immateriële schadevergoeding redelijk en dient in zijn geheel te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel inclusief wettelijke rente.

De gevorderde proceskosten zijn voldoende onderbouwd en dienen daarom geheel te worden toegewezen.

7.1.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat het materiële deel van de vordering niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, wegens een onevenredige belasting van het strafgeding. Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat de kosten ter vergoeding van de gestolen goederen en de schade aan de woning onvoldoende met stukken zijn onderbouwd, omdat niet kan worden volstaan met enkel een taxatierapport als onderbouwing.

Verder heeft de verdediging bepleit dat de immateriële vordering fors moet worden gematigd.

Ten aanzien van de gevorderde proceskosten heeft de verdediging opgemerkt dat het liquidatietarief moet worden toegepast nu de vordering civiel van aard is.

7.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert de opgevoerde schadeposten als volgt.

7.1.3.1 Gestolen goederen en schade aan de woning
De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat er diverse goederen, waaronder sieraden en juwelen, zijn gestolen en er schade is ontstaan aan de woning als gevolg van de woningoverval. Van deze kosten is een deel vergoed door de verzekeraar, maar een bedrag van € 142.445,00 is onvergoed gebleven.

De rechtbank is van oordeel dat deze kosten voldoende met stukken zijn onderbouwd. De waarden van de gestolen goederen en de kosten van de beschadigde opstal zijn getaxeerd door een professionele taxateur. Deze taxatie is mede gebaseerd op de aankoopbonnen. Het vormt voor de rechtbank geen beletsel dat de benadeelde partij heeft nagelaten de aankoopbonnen als onderbouwing bij de vordering te voegen. De taxateur is namelijk een professionele partij op wiens deskundige oordeel vertrouwd mag worden bij de schatting van de schade. Daarnaast is de verdediging op zitting in de gelegenheid gesteld om inzage te krijgen in de aankoopbonnen.
De rechtbank waardeert deze schadepost aldus op het gestelde bedrag van 142.445,00.

7.1.3.2 Kosten aanvragen vervangende documenten

De benadeelde partij stelt dat hij kosten heeft gemaakt voor de aanschaf van een nieuw rijbewijs en dat hij kosten gaat maken voor de toekomstige aanschaf van nieuwe documenten zoals het trouwboekje, residence papieren voor Hong Kong en andere minder urgente documenten. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten rechtstreeks voortvloeien uit de woningoverval en het gevorderde bedrag aan nog te maken kosten voldoende onderbouwd en niet onredelijk is.

De rechtbank waardeert deze schadepost aldus op het gestelde bedrag van 400,00.

7.1.3.3 Reeds gemaakte medische kosten

De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde woningoverval medische kosten heeft moeten maken.

De rechtbank waardeert deze schadepost aldus op een bedrag van € 161,66.

7.1.3.4 Toekomstige medische kosten

Nu de verschuldigdheid en de omvang van de toekomstige medische kosten zijn omgeven met teveel onzekerheden, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering van deze schadepost.

7.1.3.5 Kosten rechtsbijstand

De gevorderde gemaakte kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 592a Wetboek van Strafvordering (Sv). Een redelijke uitleg van artikel 592a Sv brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De rechtbank zal de kosten aan de hand van het liquidatietarief, uitgaande van het toegewezen bedrag aan schadevergoeding, bepalen op 4 punten à € 1.421,00, te weten € 5.684,00.

7.1.3.6 Immateriële schade

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 25.000,00 gevorderd als immateriële schade die hij heeft geleden als gevolg van de woningoverval. Hij stelt veel pijn te hebben ondervonden aan de snijwond in zijn rug, de gebroken rib en zijn gebroken neus en hiervoor behandeling te hebben moeten ondergaan. Daarnaast heeft hij nog veel last van de psychische gevolgen die zijn ontstaan doordat hij met een pistool is bedreigd, deze in zijn mond geduwd heeft gekregen, meermalen is vastgebonden en ongeveer een uur nadat de overvallers de woning hadden verlaten vastgebonden heeft gezeten voordat hij in staat was zichzelf te bevrijden en alarm te slaan. Hij heeft als gevolg van de woningoverval het posttraumatisch stresssyndroom opgelopen.

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 2] bijna een uur lang is mishandeld en bedreigd. Nadat de overvallers waren gevlucht heeft het slachtoffer wederom bijna een uur gekneveld op een stoel gezeten voordat de politie arriveerde. Uit de medische informatie blijkt dat [slachtoffer 2] geen blijvend fysiek letsel heeft opgelopen. Wel is op basis van de verklaring van een daartoe gespecialiseerde deskundige vast komen te staan dat het [slachtoffer 2] aan het post traumatisch stresssyndroom lijdt. Voorts betrekt de rechtbank bij de beoordeling van deze schadepost dat [slachtoffer 2] tot op heden nog niet is gestart met zijn behandeling bij de psycholoog, in staat is gebleken zijn leven min of meer op te pakken en een nieuwe baan te vinden en daar ook al in dienst is getreden. De rechtbank waardeert deze schadepost aldus op een bedrag van € 15.000,00.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het overige deel van zijn vordering.

7.1.3.7 Conclusie

Gelet op het hiervoor overwogene is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze in totaal op een bedrag van € 158.006,66, bestaande uit € 143.006,66 aan materiële schade en € 15.000,00 aan immateriële schade. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 14 september 2017.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering desgewenst nog wel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten voor rechtsbijstand worden tot op heden begroot op € 5.684,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van de inhoudelijke behandeling van onderhavig strafzaak op 13 september 2018.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 2] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit onder 1 is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 143.006,66 aan materiële schade en € 15.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 14 september 2017.

7.2

De benadeelde partij [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]

De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde een bedrag van € 2.873,00 aan materiële schadevergoeding en een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [slachtoffer 5] vordert een ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde bedrag van € 2.320,00 aan materiële schadevergoeding en een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële kosten rechtstreeks uit het strafbare feit voortvloeien en voldoende zijn onderbouwd, met uitzondering van de toekomstige medische kosten. Deze zijn tot op heden onvoldoende bepaald en de benadeelde partijen dienen in dat deel van hun vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voor het overige dienen de materiële vorderingen te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel inclusief wettelijke rente.

Ten aanzien van de gevorderde shockschade heeft de officier van justitie opgemerkt dat gelet op alle omstandigheden, de vorderingen billijk zijn en geheel dienen te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel inclusief wettelijke rente.

7.2.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, omdat het onwaarschijnlijk is dat zij een post traumatische stressstoornis hebben opgelopen.

7.2.3

Het oordeel van de rechtbank

7.2.3.1 Reeds gemaakte medische kosten

De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van de bewezenverklaarde woningoverval medische kosten, te weten therapiekosten, hebben moeten maken.

De rechtbank zal de vorderingen van de benadeelde partijen ten aanzien van deze schadepost dan ook toewijzen.

7.2.3.2 Toekomstige kosten
Daarnaast hebben de benadeelde partijen toekomstige medische kosten gevorderd. Nu de verschuldigdheid en de omvang van deze kosten zijn omgeven met teveel onzekerheden, zal de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen van deze schadepost.

7.2.3.3 Immateriële schade
Voor zover het gaat om zogenoemde shockschade overweegt de rechtbank het volgende. Shockschade kan ontstaan bij degene bij wie door het directe waarnemen van een incident of ongeval of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht waaruit geestelijk letsel voortvloeit. Dit zal zich met name kunnen voordoen indien iemand is gedood of gewond tot wie de getroffene in een nauwe affectieve relatie staat (ECLI:NL:HR:2002:AD5356). Een vordering tot vergoeding van shockschade kan alleen worden toegewezen als het gaat om geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast. Dit zal in het algemeen slechts het geval zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Voor de vaststelling daarvan is nader feitelijk onderzoek noodzakelijk, bijvoorbeeld door een psychiater of psycholoog.

Uit de toelichting op de vorderingen blijkt dat bij de benadeelde partijen een post traumatische stressstoornis is vastgesteld en dat zij verschillende therapieën en/of behandelingen hebben ondergaan ten gevolge van de overval. [slachtoffer 4] staat onder behandeling voor haar post traumatische stressstoornis en heeft diverse consulten bij de psycholoog gehad. [slachtoffer 5] heeft meerdere EMDR behandelingen ondergaan en wordt eveneens behandeld voor zijn post traumatische stressstoornis.
Bij de bepaling van de omvang van de door de benadeelde partijen geleden immateriële schade is rekening gehouden met shockschade en heeft de rechtbank aansluiting getracht te zoeken bij vergelijkbare zaken. De rechtbank waardeert de shockschade voor [slachtoffer 4] in deze zaak op een bedrag van € 5.000,-. De rechtbank waardeert de shockschade voor [slachtoffer 5] in deze zaak op een bedrag van € 3.000,-.

7.2.3.4 Conclusie

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 4]

Vast staat dat aan de benadeelde partij door de woningoverval rechtstreeks schade is toegebracht. De rechtbank waardeert deze in totaal op een bedrag van € 5.873,00, bestaande uit € 873,00 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 14 september 2017.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering desgewenst nog wel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 4] voornoemd, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 4] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit onder 1 is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 873,00 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 14 september 2017.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 5]

Vast staat dat aan de benadeelde partij door de woningoverval rechtstreeks schade is toegebracht. De rechtbank waardeert deze in totaal op een bedrag van € 3.320,00, bestaande uit € 320,00 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 14 september 2017.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering desgewenst nog wel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 5] voornoemd, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 5] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit onder 1 is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag € 320,00 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 14 september 2017.

7.3

De benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde een vordering tot vergoeding van geleden materiële schade ingediend, voor een bedrag van € 528,56, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende onderbouwd is en dat deze toewijsbaar is met toekenning van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de bepleite vrijspraak, de benadeelde partij, niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. Mocht de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komen, ook dan dient de vordering afgewezen te worden. De scooter was verzekerd en de verzekering heeft de geleden schade uitgekeerd. Daarnaast vloeien de gevorderde reiskosten niet rechtstreeks voort uit het strafbare feiten.

7.3.3

Het oordeel van de rechtbank

Ingevolge artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces voegen. Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. De strafbaarstelling van heling strekt (mede) ter bescherming van het belang van de rechthebbende op het geheelde goed en de bestolene kan onder omstandigheden als benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van zijn schade door de heler. De concrete omstandigheden van het geval zijn bepalend voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen de helingshandeling en de door de rechthebbende op het geheelde goed geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door die helingshandeling rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank is van oordeel dat de opzetheling en de kort daarvoor gepleegde diefstal van de bromfiets in zodanig nauw verband tot elkaar staan dat de door de verdachte gepleegde opzetheling de door de benadeelde partij geleden schade heeft veroorzaakt.

De rechtbank vindt dat de kosten voor de aankoop van de fiets niet voor toewijzing vatbaar, omdat de benadeelde partij ook OV-kosten heeft gevorderd. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen tot € 468,56, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 12 juni 2017.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit onder 3 is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 468,56 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 12 juni 2017.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 311, 312 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

Diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een vals kostuum;

ten aanzien van feit 2:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

ten aanzien van feit 3, subsidiair:

Medeplegen van opzetheling.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beslag

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

1. STK USB-stick (memorykaart)

-

5480467

2 1.00 STK Kentekenplaat

[kenteken]

Vordering benadeelde partij

Wijst de vordering van [slachtoffer 2] , domicilie kiezende op het adres [adres 3] , toe tot een bedrag van € 143.006,66 ( zegge: honderddrieënveertigduizend en zes euro en zesenzestig cent) aan materiële schadevergoeding en een bedrag van € 15.000 (zegge vijftienduizend euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 14 september 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten voor rechtsbijstand worden tot op heden begroot op € 5.684,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van de inhoudelijke behandeling van onderhavig strafzaak op 13 september 2018.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 158.006,66 (zegge: honderdachtenvijftigduizend en zes euro en zesenzestig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 14 september 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 1 (één) jaar. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 4] , domicilie kiezende op het adres [adres 3] , toe tot een bedrag van € 873,- (zegge: achthonderd drieënzeventig euro) aan materiële schadevergoeding en een bedrag € 5.000,- (zegge vijfduizend euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 14 september 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 4] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat € 5.873,- (zegge: vijfduizend achthonderd drieënzeventig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 14 september 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 64 (vierenzestig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 5] , domicilie kiezende op het adres [adres 3] , toe tot een bedrag van € 320,- ( zegge: driehonderd twintig euro) aan materiële schadevergoeding en een bedrag € 3.000,- (zegge drieduizend euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 14 september 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 5] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 5] aan de Staat € 3.320,- (zegge: drieduizend driehonderd twintig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 14 september 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 43 (drieënveertig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 1] , wonende op het adres [adres 4] , toe tot een bedrag van € 468,56 (vierhonderdachtenzestig euro en zesenvijftig cent) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 12 juni 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 468,56 (vierhonderdachtenzestig euro en zesenvijftig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 12 juni 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 9 (negen) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis in deze zaak (parketnummer
13/665353-17) met ingang van het tijdstip waarop verdachte niet meer in detentie verblijft die hij nu ondergaat in de zaak met parketnummer 10/650141-16. De rechtbank gaat er hierbij vanuit dat detentiefasering in het kader van de executie in de zaak met parketnummer 10/650141-16 niet zal plaatsvinden. Wanneer dit wel het geval is, eindigt de schorsing van de voorlopige hechtenis op het moment van aanvang van de detentiefasering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,

mrs. M.J.E. Geradts en M.M. Helmers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.P.F. Sneeboer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 september 2018.