Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6804

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
6243437 CV EXPL 17-19245
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBAMS:2018:6802
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sloopbedrijf De Grote Berg is aansprakelijk voor de gevolgen van het aan een zzp’er overkomen arbeidsongeval. De Grote Berg dient daarom de schade die de zzp’er als gevolg hiervan heeft geleden te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1101
PS-Updates.nl 2018-0778
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 6243437 CV EXPL 17-19245

vonnis van: 25 september 2018

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

nader te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. I.W.A. Roelandschap

t e g e n

de besloten vennootschap De Grote Berg B.V.

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Diemen

gedaagde

nader te noemen: DGB

gemachtigde: mr. I. Atar

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst de kantonrechter naar het op 23 januari 2018 gewezen tussenvonnis.

Partijen hebben vervolgens ieder nog aktes genomen met producties en vervolgens nog beiden een akte waarbij zij zich over de overgelegde producties hebben uitgelaten. Vervolgens is vonnis bepaald.

BEOORDELING

1. Bij tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat hij van oordeel is dat het debat tussen partijen over een eventuele aansprakelijkheid op basis van artikel 7:658 lid 4 BW en de onderbouwing daarvan nog onvoldoende uit de verf is gekomen. De kantonrechter achtte het daarom aangewezen dat beide partijen zich over de punten die in het tussenvonnis worden genoemd zullen uitlaten en iedere verdere beslissing is aangehouden. De kantonrechter zal hetgeen partijen nader hebben aangevoerd voor zover van belang voor de te beoordelen geschilpunten betrekken in zijn hierna volgende beoordeling.

2. Werkzaamheden uitgevoerd in de uitoefening van het bedrijf en beroep van DGB ?

De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. [eiser] heeft delen van de (toenmalige) website van DGB in het geding gebracht waaruit is op te maken dat in ieder geval destijds asbestsanering tot de bedrijfsactiviteiten behoorde. Blijkens het eveneens door [eiser] in het geding gebrachte uittreksel uit het handelsregister staat bij “activiteiten” van DGB onder meer vermeld: “Sanering en overig afvalbeheer”. DGB heeft zich erop beroepen dat zij slechts bemiddelingsactiviteiten verricht en in dat kader enkele werknemers in dienst heeft. Van werknemers die daadwerkelijk saneringswerkzaamheden verrichten zou geen sprake zijn. Afgezien van het feit dat DGB deze stelling niet nader feitelijk heeft onderbouwd, acht de kantonrechter het feit of DGB zelf werknemers in dienst heeft die saneringswerkzaamheden verrichten niet doorslaggevend. Het volstaat dat DGB de werkzaamheden door eigen werknemer had kunnen laten verrichten. In dit verband verwijst de kantonrechter naar het ook door [eiser] aangehaalde arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:3142) in de zaak van de vrijwilliger die tijdens (vrijwilligers-) werkzaamheden voor de Parochie van het dak van het kerkgebouw valt en schade oploopt en de daarin te vinden verwijzing naar de parlementaire behandeling van artikel 7:658 lid 4 BW: “De vrijheid van degene die een bedrijf uitoefent, om ervoor te kiezen het werk te laten verrichten door werknemers of door anderen, behoort niet van invloed te zijn op de rechtspositie van degene die het werk verricht en betrokken raakt bij een bedrijfsongeval of anderszins schade oploopt (kamerstukken II 1997-1998, 25263, nr. 14, p.6).”

In het arrest [naam arrest] (ECLI:NL:NR:2012:BV0616) had de Hoge Raad al bepaald dat de reikwijdte van artikel 7:658 lid 4 BW niet is beperkt tot de werkzaamheden die tot het wezen van de beroeps- en bedrijfsuitoefening van de desbetreffende opdrachtgever kunnen worden gerekend.

3. Was [eiser] voor zijn veiligheid mede afhankelijk van DGB ?

De volgende vraag is of [eiser] voor zijn veiligheid mede afhankelijk was van DGB. Volgens [eiser] is dat het geval, maar DGB betwist dit. Volgens DGB heeft [eiser] als zzp’er zelfstandig invulling gegeven aan de uitvoering van de opdracht en was zij bij de daadwerkelijke uitvoering niet betrokken. Daarnaast heeft [eiser] veiligheidsinstructies ontvangen en daarvoor in het kader van de werkvergunning ook getekend. Volgens [eiser] had DGB wel invloed kunnen uitoefenen op de werkomstandigheden. Zij had kunnen nagaan welke veiligheidsmaatregelen [naam firma] N.V. ter plaatse trof en zij had ook een uitvoerder kunnen sturen die toezicht hield. Dergelijke maatregelen heeft DGB niet getroffen en zij heeft derhalve in het geheel geen invulling gegeven aan haar zorgplicht.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voor de zorg van zijn veiligheid mede afhankelijk was van DGB als degene die hem ter beschikking heeft gesteld aan [naam firma] N.V. en die hem heeft betaald voor de verrichte werkzaamheden. Zoals in het tussenvonnis van 23 januari 2018 al is overwogen staat vast dat [eiser] vanaf begin maart 2014 op verschillende locaties in Nederland werkzaamheden heeft verricht voor DGB. Vanaf week 26 in 2014 heeft hij, bijna zonder uitzondering, gedurende de volledige werktijd voor DGB bij [naam firma] N.V. in Antwerpen gewerkt. Onder deze omstandigheden en gelet op het beschermingskarakter van artikel 7:658 lid 4 BW is de situatie waarin [eiser] verkeerde in hoge mate vergelijkbaar met die waarin [eiser] werknemer van DGB zou zijn geweest en in een dergelijk geval kan DGB niet volstaan met de volledige verantwoordelijkheid voor eventuele veiligheidsrisico’s bij [naam firma] N.V neer te leggen. Dit, temeer, nu DGB geen inzicht heeft verschaft in de afspraken die zij onder meer op dit punt al dan niet met [naam firma] N.V heeft gemaakt. Onder meer op het punt van de verdeling van aansprakelijkheidsrisico’s had dat voor de hand gelegen. DGB heeft, zoals zij ter zitting naar voren heeft gebracht, geen verzekering voor ongevallen waarvan in deze procedure sprake is. Zoals uit de brief van Allianz van 17 augustus 2015 (productie 2 bij dagvaarding) had [naam firma] N.V. deze evenmin voor een bij haar te werk gestelde zzp’er.

4. De kantonrechter concludeert dat is voldaan aan de twee criteria voor toepasselijkheid van artikel 7:658 lid 4 BW.

5. Eigen schuld en/of bewuste roekeloosheid ?

Het op dit punt door DGB gevoerde verweer wordt verworpen. Uit de ongevalsrapportage van preventieadviseur Gyzels van Solvic NV (zie punt 3 van het tussenvonnis van 23 januari 2018), welke rapportage niet is bestreden, blijkt de toedracht van het ongeval. [naam medewerker] was doende met het demonteren van metalen trapeziums in de voormalige kwikcellenzaal. Tijdens het losmaken van de bouten van het trapezium stond hij met de rug naar [eiser] die op dat moment een kabel aan het wegtrekken en opruimen was. Om dat te kunnen doen zoekt hij steun met één hand op een steunbalk. Op hetzelfde moment valt het trapezium van 32 kg van ongeveer 0,5 meter op de steunbalk/vingers van [eiser] , met een ernstige blessure tot gevolg.

6. DGB heeft gesteld dat aan alle veiligheidsvoorschriften was voldaan, dat deze dezelfde ochtend nog waren doorgenomen en dat [eiser] zich niet heeft gehouden aan de afspraak dat hij zich achter degene zou bevinden die het trapezium gecontroleerd zou laten vallen. [eiser] heeft ter zitting betwist dat de gang van zaken is geweest zoals DGB beschrijft. De kantonrechter overweegt het volgende. Gelet op de rapportage bevond [eiser] zich achter de betrokken collega [naam medewerker] . Wat dit betreft heeft hij zich aan de gestelde afspraak – zo daarvan sprake is geweest – gehouden. Hij heeft bij het wegtrekken van een kabel steun gezocht bij een steunbalk en op dat moment valt het trapezium op zijn hand/steunbalk. Naar het oordeel van de kantonrechter kan onder deze omstandigheden niet gesproken worden van eigen schuld dan wel bewuste roekeloosheid. De handeling die [eiser] uitvoerde lijkt te moeten worden begrepen als noodzakelijk om steun te vinden bij het wegtrekken van een kabel. Dat hij zich daarbij in een gevarenzone bevond is mogelijk, het is een feit van algemene bekendheid dat ook al zijn mensen op de werkvloer met gevaren bekend, zij zeker in een situatie van plotseling steun moeten zoeken niet steeds de noodzakelijke voorzichtigheid zullen betrachten.

7. Heeft DGB voldoende zorg betracht ten aanzien van veilige werkzaamheden?

De kantonrechter zet het volgende voorop. Artikel 7:658 lid 1 BW, waarnaar lid 4 van dat artikel verwijst, legt op de werkgever de verplichting de maatregelen te nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Deze zorgplicht heeft een ruime strekking. Artikel 7:658 BW beoogt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad geen absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, maar gelet op de ruime strekking van de zorgplicht kan niet snel worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor de door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade (HR 12 december 2008, JAR 2009, 15). Op grond van deze zorgplicht is de werkgever verplicht ter voorkoming van de realisering van gevaren verband houdende met het werk datgene te doen wat in de gegeven omstandigheden volgens de normen geldend ten tijde van het ongeval redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht, door voorzieningen te treffen ter voorkoming van gevaar of, indien dat niet (goed) mogelijk is, door te instrueren en te waarschuwen ter voorkoming van het realiseren van gevaar. Daarbij heeft, volgens de Hoge Raad, tot uitgangspunt te dienen dat het de werkgever is die rekening moet houden met het algemene ervaringsfeit dat ook in het werk ervaren en met de desbetreffende werkomstandigheden bekende werknemers niet steeds de noodzakelijke voorzichtigheid zullen betrachten.

8. DGB heeft er op gewezen dat bij het begin van de werkzaamheden op 2 september 2014 enkele voorzorgsmaatregelen zijn getroffen. [eiser] heeft dat bestreden, maar ook al zou dit vaststaan dan heeft te gelden dat deze maatregelen na het ongeval verder zijn aangescherpt. In dat verband verwijst de kantonrechter naar het eerdergenoemde rapport van de preventieadviseur Gyzels, in het bijzonder naar het einde daarvan waar als “actieplan” staat vermeld welke (aanvullende) maatregelen vanaf 5 september 2014 zijn getroffen om herhaling te voorkomen. Kortheidshalve verwijst de kantonrechter naar rechtsoverweging 4 van het vonnis van 28 januari 2018. In het bijzonder ging het om:

- het geven van een geluidssignaal (toeter of evenwaardig geluidssignaal) voordat de laatste bout van het trapezium wordt losgemaakt;

- andere werknemers dan degene die het trapezium losmaakt blijven achter deze staan;

- via een toolbox meeting zal aandacht worden gevraagd voor de getroffen maatregelen om herhaling te voorkomen.

9. Met name het verplicht stellen van een geluidssignaal voordat een gevaarlijke situatie intreedt (losmaken laatste bout en gecontroleerd laten vallen van het trapezium) is naar het oordeel van de kantonrechter een betekenisvolle verzwaring van preventiemaatregelen om herhaling te voorkomen. Nu onder andere deze voorzorgsmaatregel alsnog is getroffen en deze kennelijk naar het oordeel van de betrokken veiligheidskundige adviseurs noodzakelijk was, is naar het oordeel van de kantonrechter ten tijde van het ongeval een situatie aan de orde geweest waarbij DGB als (mede) verantwoordelijke voor de veiligheid te kort is geschoten in haar zorgverplichting op dit punt. Temeer, nu het uit technisch oogpunt niet om een grote ingreep ging en realisatie op eenvoudige wijze kon plaatsvinden.

10. Causaal verband

Vervolgens is de vraag aan de orde of [eiser] schade heeft geleden tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden op 2 september 2014. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat het geval. DGB heeft bij de mondelinge behandeling wel naar voren gebracht dat de schade ook later tijdens andere werkzaamheden kan zijn ontstaan, maar zij heeft dit verder niet onderbouwd. Uit de bij dagvaarding overgelegde medische bescheiden (productie 1) uit 2014 en 2015 is op te maken dat [eiser] beperkingen heeft aan zijn rechterhand, welke beperkingen steeds in verband worden gebracht met het ongeval van 2 september 2014. In verband hiermee staat naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vast dat de gestelde schade een gevolg is van het ongeval op 2 september 2014. [eiser] heeft verder onbetwist naar voren gebracht dat hij in verband met lichamelijke en geestelijke beperkingen die hij van het ongeval heeft opgelopen, niet meer heeft kunnen werken en al geruime tijd afhankelijk is van een bijstandsuitkering. Daarmee is ook voldoende komen vast te staan dat hij – een nader te bepalen – schade heeft geleden.

11. Conclusie

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de kantonrechter dat DGB ten tijde van het ongeval niet de maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade leed. DGB heeft dan ook niet voldaan aan de op haar rustende zorgplicht.

Het voorgaande leidt dan ook tot de conclusie dat DGB aansprakelijk is voor de gevolgen van het aan [eiser] op 2 september 2014 overkomen arbeidsongeval. DGB dient daarom de schade die [eiser] als gevolg hiervan heeft geleden te vergoeden.

12. Schadestaat

[eiser] heeft een veroordeling van schade nader op te maken bij staat gevorderd. Aan de voorwaarden daarvan is gelet op het voorgaande voldaan. De vordering zal daarom als na te melden worden toegewezen.

13. Proceskosten

Als de in het ongelijk gestelde partij zal DGB met de proceskosten worden belast. Aan [eiser] is een toevoeging verleend. Daarom zijn in deze zaak de explootkosten door de griffier voorgeschoten. Wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag is een kostenveroordeling met de verplichting tot betaling aan de griffier van de voorgeschoten explootkosten niet mogelijk.

BESLISSING

De kantonrechter:

- verklaart voor recht dat DGB aansprakelijk is voor de door [eiser] als gevolg van het ongeval van 2 september 2014 geleden en te lijden schade;

- veroordeelt DGB te vergoeden alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade, kosten en rente die het gevolg zijn van het ongeval van 2 september 2014, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente van de dag van de opeisbaarheid tot de dag van de volledige betaling;

- veroordeelt DGB in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op:

exploot € 0,00

salaris € 800,00

griffierecht € 78,00

---------

Totaal € 878,00

voor zover van toepassing, inclusief btw;

- veroordeelt DGB in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 50,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat DGB niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;

- verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. E.J. van der Molen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 september 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.