Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6786

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-09-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
AWB 18/2274
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Boete Huisvestingswet, omzetting zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte door huurder, eigenaar van de woning verantwoordelijk."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/2274

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 20108 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een bestuurlijke boete van € 6.000,- opgelegd voor het overtreden van de Huisvestingswet 2014 (Hvw).

Bij besluit van 13 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot, [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde

Overwegingen

Inleiding

1.1

Eiseres is eigenaresse van de woning aan het adres [adres] te [adres] , een appartement van 67 m2. Volgens eiseres heeft zij de woning na aankoop opgeknapt en vervolgens per 1 december 2016 voor het eerst verhuurd. Via tussenpersoon [naam] heeft eiseres de woning verhuurd aan een expatstel, de heer [naam] en zijn vriendin, voor een bedrag van € 1.600,-. Na anonieme meldingen van woonfraude en in verband met het project [naam] , hebben toezichthouders van verweerder op 6 juni 2017 een onaangekondigd huisbezoek gebracht aan de woning van eiseres. De bevindingen van dit huisbezoek zijn neergelegd in een op ambtsbelofte opgemaakt Rapport van 7 juni 2017.

1.2

Uit het Rapport blijkt het volgende. De handhavers hebben bij het huisbezoek meerdere personen aangetroffen die in de woning woonden. Eén van de bewoners verklaart dat er zes volwassenen en drie kinderen in de woning wonen. Alle personen zijn illegaal in Nederland. Ze delen de woning en de huur. Er zijn vier slaapkamers en deze kunnen allemaal op slot. De slaapkamers worden als volgt bewoond:

Kamer 1: een man en een vrouw met één zoon;

Kamer 2: een man met één zoon;

Kamer 3: een vrouw met haar dochter en kleinkind;

Kamer 4: een man alleen.

De bewoners (allen Braziliaans) verklaren dat zij de woning hebben gehuurd van [naam] , die ook Portugees spreekt. De handhavers hebben een foto gemaakt van de facebookpagina van [naam] . Daarop staat: “ [naam] )”. Tot slot blijkt uit het rapport dat ten tijde van het huisbezoek er geen personen stonden ingeschreven op het adres in de Basisregistratie personen (Brp).

1.3

Op 5 juli 2017 heeft verweerder aan eiseres het voornemen verzonden haar een bestuurlijke boete op te leggen van € 6.000,-. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiseres in strijd met artikel 21, sub c, van de Hvw zonder vergunning een woonruimte van een zelfstandige in een onzelfstandige woonruimte heeft omgezet. Eiseres is in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Eiseres heeft hier samen met haar echtgenoot gebruik van gemaakt.

1.4

Verweerder heeft bij het primaire besluit de boete van € 6.000,- opgelegd zoals aangekondigd in het voornemen.

Bespreking beroepsgronden

2.1

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat er sprake is van een overtreding1 omdat er vier verschillende huishoudens in vier kamers woonde. Daarmee is sprake van omzetting van een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten zonder vergunning. Eiseres heeft echter aangevoerd dat zij niet als overtreder kan worden aangemerkt, omdat zij de overtreding feitelijk niet heeft begaan en haar de overtreding ook niet kan worden verweten.

2.2

De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling de overtreder in ieder geval degene is die het desbetreffende wettelijke voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. De rechtbank stelt overigens vast dat verweerder ter zitting desgevraagd naar voren heeft gebracht dat aan [naam] , de feitelijk overtreder, ook een boete is opgelegd. Daarnaast kan volgens de jurisprudentie in bepaalde gevallen echter ook degene die de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan, maar aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en dus als overtreder worden aangemerkt. Een eigenaar van een woning is in beginsel verantwoordelijk voor het rechtmatig gebruik van de woning, ook als hij het beheer daarvan uit handen geeft. Daarbij is verder van belang dat van de eigenaar van een woning die hij verhuurt, mag worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van de verhuurde woning wordt gemaakt. Om niet verantwoordelijk te kunnen worden gehouden voor onrechtmatig gebruik van de door hem verhuurde woning dient de eigenaar aannemelijk te maken dat hij niet wist en niet kon weten dat de woning aldus werd gebruikt.2 De vraag die moet worden beantwoord is dus of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet wist en ook niet kon weten dat haar woning onrechtmatig werd gebruikt.

3.1

Eiseres voert aan dat ze niet wist en niet kon weten dat haar woning onrechtmatig werd gebruikt en dat ze er alles aan heeft gedaan om dit te voorkomen. Meer had eiseres niet kunnen doen. Eiseres heeft daartoe in haar gronden en ter zitting - kort samengevat weergegeven - het volgende aangevoerd. Eiseres heeft een professioneel vastgoedbedrijf in de arm genomen, [naam] . Het vastgoedbedrijf heeft een screening gedaan en heeft de woning na aanvang van de huurovereenkomst meermaals gecontroleerd. Op 25 april 2017 is er nog een controle geweest en was er niets aan de hand. Op 1 mei 2017 is het contract met de onderhuurders ingegaan en op 6 juni 2017 heeft het huisbezoek door de gemeente plaatsgevonden. Eiseres meent dat het haar niet kan worden verweten dat zij in dit tijdsbestek de overtreding niet heeft ontdekt. Daarnaast meent eiseres dat de Vereniging van Eigenaars (VvE) haar had moeten laten weten dat er klachten waren over de woning. Ook heeft eiseres contact onderhouden met de buren over de woning, ze heeft een aantal Whatsapp-berichten overgelegd. Verder stelt eisers dat ze slachtoffer is geworden van een professionele oplichter, ze had de overtreding daarom niet kunnen voorkomen. Tot slot heeft eiseres meermaals tijdens de procedure aan verweerder gevraagd wat zij nog meer had kunnen doen om de bestuurlijke boete te voorkomen, maar verweerder wilde daar geen antwoord op geven.

3.2

De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet wist en ook niet kon weten dat haar woning onrechtmatig werd gebruikt en overweegt daartoe het volgende. Het enkele feit dat eiseres een professioneel bedrijf in de arm heeft genomen ontslaat haar, zoals in 2.2 overwogen, niet van haar verantwoordelijkheid als eigenaresse. Daarnaast zijn de afspraken met en de acties van [naam] , met uitzondering van één e-mail over huisbezoeken, niet met nader bewijs onderbouwd. Deze e-mail is 15 september 2017, ruim 3 maanden na de overtreding verstuurd. De volledige e-mail luidt als volgt: ‘De huisbezoeken zijn geweest op: 10 januari 2017 (gezamenlijk), 25 april 2017 en 24 juli 2017’. Uit deze e-mail blijkt niet of er daadwerkelijk controles in de woning zijn geweest. Verder blijkt niet hoe de controles zijn uitgevoerd, wat er precies is gecontroleerd en wat er in de woning zou zijn aangetroffen. Verder is de datum van het laatste huisbezoek, 24 juli 2017, van na de overtreding. Er was daarom op die datum reden om iets te melden over de situatie in de woning maar ook daar is niets over opgenomen. Omdat niet aannemelijk is geworden dat er daadwerkelijk een controle in de woning is geweest op 25 april 2017 kan hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de tijd tussen de controle en de overtreding niet slagen. Verder is niet aannemelijk is geworden dat [naam] , zoals eiseres stelt, een screening heeft gedan en wat er precies bij die screening gecontroleerd zou zijn.

Wat betreft haar stelling over de VvE, overweegt de rechtbank dat van de eigenaar van een woning die hij verhuurt, mag worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het verhuurde pand wordt gemaakt. Het is daarom niet aan de VvE om eiseres te informeren maar aan eiseres om bij de VvE te informeren naar haar woning. Eiseres heeft niets ingebracht waaruit blijkt dat ze dit heeft gedaan. Ten aanzien van de overgelegde Whatsapp-berichten overweegt de rechtbank dat deze moeilijk leesbaar zijn. De inhoud is niet helemaal duidelijk en ze lijken allemaal te dateren van januari 2017. De berichten zeggen weinig over of eiseres zich ook voor en na januari 2017 heeft geïnformeerd over de woning en hoe vaak. Dat er naast de Whatsapp-berichten meer contactmomenten met de buren zijn geweest in persoon en over de telefoon, heeft eiseres niet nader met bewijs onderbouwd.

Samenvattend heeft eiseres als bewijs de e-mail van [naam] en de Whats-app berichten overgelegd. Dit is onvoldoende om aannemelijk te maken dat zij zich voldoende heeft geïnformeerd over het gebruik van haar woning. Alleen al hierom is ook onvoldoende aannemelijk dat eiseres niet wist en niet kon weten dat het pand onrechtmatig werd gebruikt. Ook indien eiseres zou hebben aangetoond dat er sprake is van oplichting dan zou dit het oordeel van de rechtbank daarom niet anders kunnen maken. Tot slot begrijpt de rechtbank dat eiseres graag van verweerder had willen horen wat ze had kunnen doen om de overtreding te voorkomen. Het is echter de verantwoordelijkheid van eiseres als eigenaresse, ook zonder begeleiding van verweerder, om de overtreding te voorkomen.

Omstandigheden die van belang zouden kunnen zijn voor matiging

4.1

Hoewel de boete voor het omzetten van een zelfstandige woonruimte in vier onzelfstandige woonruimtes is vastgelegd in een gefixeerd boetestelsel in de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016, volgt uit artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het bestuursorgaan niettemin een lagere boete moet opleggen indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Eiseres heeft een aantal omstandigheden aangevoerd die de rechtbank in dit kader zal bespreken.

4.2

Eiseres heeft – samengevat weergegeven – aangevoerd dat zij direct na constatering van de overtreding veel heeft gedaan om de situatie te herstellen. Eiseres wordt geconfronteerd met de gevolgschade van al ruim € 10.000,-, de bestuurlijke boete niet meegerekend. Eiseres heeft daarnaast aangevoerd dat verweerder de beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Verweerder reageerde niet op de e-mails van eiseres. Verder heeft verweerder tijdens de hoorzitting erkend dat het eiseres is aangedaan, terwijl het bestreden besluit daar haaks op staat. Tijdens de procedure bleek ook dat verweerder zich onvoldoende had voorbereid voor de hoorzitting, en overigens ook daarna. Tot slot heeft verweerder eerder fouten gemaakt bij een Wob-brief (Wet openbaarheid van bestuur), waarbij een aantal delen niet geanonimiseerd waren. Verweerder heeft dus onzorgvuldig gehandeld, aldus eiseres.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden onvoldoende aanleiding zijn om de boete op een lager bedrag vast te stellen. Het feit dat eiseres achteraf veel heeft gedaan om de situatie te herstellen, is geen bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft de boete te matigen. Ook de daarvoor gemaakte kosten zijn niet zodanig, dat dit bijzonder genoeg is om de boete te matigen. Wat betreft de onzorgvuldigheden van verweerder overweegt de rechtbank dat, hoewel verweerder op bepaalde punten zorgvuldiger had mogen zijn in deze procedure, zij ook daarin geen aanleiding ziet voor matiging van de boete. De Wob-brief valt niet binnen de onderhavige procedure en eiseres heeft daarvoor bovendien een excuusbrief van verweerder ontvangen. Hoewel verder wel blijkt dat verweerder weinig heeft gereageerd op de e-mails van eiseres, is de rechtbank van oordeel dat het proces hierdoor niet is geschaad. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de strekking van wat eiseres gedurende de bezwaarprocedure heeft aangevoerd, heeft meegenomen en op alle gronden is ingegaan. Dat een medewerker van verweerder tijdens de hoorzitting heeft gezegd dat [naam] een malafide huurder is en dat hij het feitelijk eiseres heeft aangedaan, vat de rechtbank niet op als een toezegging dat er bij eiseres geen verwijt ligt, noch als een onzorgvuldigheid. Zoals in 3.2 overwogen heeft eiseres als eigenaresse van de woning ook bij een eventuele oplichter verantwoordelijkheden.

5. Nu de beroepsgronden van eiseres niet slagen, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Broek, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2018.

griffier

rechter

is buiten staat de uitspraak

mee te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Van artikel 21, aanhef en onder c, van de Hvw

2 Zie bijv. RVS:2014:2853 en RVS:2015:31