Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6765

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
13/751871-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heropent het onderzoek om nadere vragen te laten stellen aan de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit. Er is nadere informatie nodig met het oog op de toetsing van de dubbele strafbaarheid van een feit dat ziet op het niet betalen van kinderalimentatie. De vraag is het feit naar Nederlands recht kan worden gekwalificeerd onder artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751871-17

RK nummer: 18/1362

Datum uitspraak: 21 september 2018

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 februari 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 28 juli 2017 door the Regional Court on Poznań (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres [adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 september 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. T.H.L. Kneepkens, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen eerst met dertig dagen en vervolgens voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van:

A.

  • -

    een vonnis van the District Court in Pila (Polen) van 28 februari 2013, waarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon (referentie: II K 1186/12);

  • -

    een beslissing van the District Court in Pila van 5 februari 2014, waarbij de tenuitvoerlegging van voormelde straf is bevolen (referentie: II Ko 2836/13);

B.

  • -

    een vonnis van the District Court in Pila van 10 april 2014, waarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon (referentie: II K 65/14);

  • -

    een beslissing van the District Court in Pila van 24 juli 2014, waarbij de tenuitvoerlegging van voormelde straf is bevolen (referentie: II Ko 1215/14).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van voormelde vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Volgens het EAB moet de opgeëiste persoon de vrijheidsstraf vermeld onder A nog geheel ondergaan en resteren van de vrijheidsstraf vermeld onder B nog negen maanden en 28 dagen.

De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Artikel 12 OLW

Uit de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie blijkt dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandelingen ter terechtzitting die tot de vonnissen vermeld onder A en B hebben geleid.

Volgens artikel 12 OLW moet de overlevering in dat geval worden geweigerd, tenzij sprake is van één van de uitzonderingssituaties, vermeld in dit artikel.

In dit geval is met betrekking tot beide vonnissen in het Europees aanhoudingsbevel vermeld dat de opgeëiste persoon tijdig en in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting die tot de beslissing heeft geleid en ervan in kennis is gesteld dat een vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt.

In de aanvullende brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 15 juni 2018 is vermeld dat de opgeëiste persoon persoonlijk de dagvaardingen in ontvangst heeft genomen en daarvoor heeft getekend.

Gezien het voorgaande is de uitzonderingssituatie als bedoeld onder a (eerste alternatief) in artikel 12 OLW van toepassing ten aanzien van beide vonnissen. Dat betekent dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is.

De rechtbank moet in beginsel vertrouwen op de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon de dagvaarding voor de procedure betreffende vonnis B persoonlijk in ontvangst te hebben genomen, geeft geen aanleiding te twijfelen aan de door de uitvaardigende justitiële autoriteit ten aanzien van dit vonnis verstrekte informatie. Niet vereist is dat de uitvaardigende justitiële autoriteit stukken overlegt waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard. Voor zover de raadsman heeft verzocht deze stukken op te vragen, wordt dit verzoek dan ook afgewezen.

5 Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan ten aanzien van het feit waarop vonnis B ziet. Het feit dat ten grondslag ligt aan vonnis B levert naar Nederlands recht op:

verduistering.

Dit is echter anders voor het feit dat ten grondslag ligt aan vonnis A.

In onderdeel e) van het EAB is het feit waarvoor de opgeëiste persoon bij vonnis A is veroordeeld als volgt omschreven:

"In the period between December 2011 and 8th October 2012, in the city of Pila, being obliged, by the record of the District Court in Pila, III Family and Juvenile Department, reference No. III RC 258/11 of 8th August 2011, to pay maintenance for his son, [persoon] , in the amount of PLN 500 a month, [opgeëiste persoon] persistently evaded this obligation, thus exposing his son to the inability to satisfy his basic needs and forcing him to use support of the Municipal Social Support centre in Pila.”

Het niet betalen van kinderalimentatie kan naar Nederlands recht onder de delictsomschrijving van artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) worden gebracht als de alimentatieplichtige weet dat er minst genomen een aanmerkelijke kans is dat het kind in een hulpeloze toestand wordt gebracht of gelaten. Van dit laatste is sprake wanneer er een concreet gevaar dreigt voor het leven of de gezondheid van het kind. In recente rechtspraak heeft de rechtbank in soortgelijke zaken geoordeeld dat uit de omschrijving van het feit in het EAB niet kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon zijn kind daadwerkelijk en opzettelijk in een hulpeloze toestand heeft gebracht. In het verleden heeft de rechtbank echter ook geoordeeld dat de feitsomschrijving naar Nederlands recht wel kan vallen onder artikel 255 Sr (zie rechtbank Amsterdam 21 augustus 2012 inzake [naam zaak] (13/706465-12).

De rechtbank acht het met het oog hierop nodig dat meer helderheid wordt verkregen over het feit waarvoor de overlevering is gevraagd. Om die reden zal de rechtbank het onderzoek heropenen teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen of:

  1. de alimentatieplichtige wist dat er minst genomen een aanmerkelijke kans was dat de het kind in een hulpeloze toestand werd gebracht of gelaten, en

  2. het kind daadwerkelijk aan een concreet gevaar voor diens leven of gezondheid is gebracht of gelaten.

6 Bespreking overige verweren

In het licht van hetgeen de rechtbank hiervoor onder 5. heeft geoordeeld, komt zij thans nog niet toe aan de bespreking van de overige gevoerde verweren die zien op respectievelijk een eventuele gelijkstelling van de opgeëiste persoon aan een Nederlander en de Poolse detentieomstandigheden.

7 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 5. vermelde vragen te stellen;

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman;

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. W.A.J.P. van den Reek, voorzitter,

mrs. A.R.P.J. Davids en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 21 september 2018.

Mr. M.T.C. de Vries is buiten staat deze

uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.