Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6764

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-09-2018
Datum publicatie
02-11-2018
Zaaknummer
C/13/646048 / KG RK 18-506
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek artikel 43 lid 1 Verordening (EG) nr. 44/2001 (EEX-Vo). Verzoek wordt toegewezen. Erkenning en tenuitvoerlegging vonnis valt niet onder temporele bereik van de EEX-Vo. Uitzondering van artikel 66 lid 2 EEX-Vo niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/646048 / KG RK 18-506

Beschikking van 26 september 2018

in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van Kroatië

PLAVA LAGUNA,

gevestigd te Porec (Kroatië),

verzoekster,

advocaat mr. J.B.R. Regouw te Amsterdam,

tegen

de rechtspersoon naar het recht van Slovenië

NOVA LJUBLJANSKA BANKA D.D.,

gevestigd te Ljubljana (Slovenië),

verweerster,

advocaat mr. D.C.M.H. Vielvoye te Eindhoven.

Partijen zullen hierna Plava Laguna en NLB worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 6 april 2018;

  • -

    de tussenbeschikking van 17 mei 2018, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 15 augustus 2018, en de daarin genoemde stukken.

1.2.

De beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 7 september 1994, 29 december 1995 en 9 juni 1998 heeft NLB in Slovenië vorderingen ingesteld tegen Istraturist, de rechtsvoorganger van Plava Laguna. Bij vonnis van 24 maart 1999 zijn voornoemde procedures (in de Engelse vertalinig) “joined into a single proceeding” met kenmerk VIII Pg 443/94.

2.2.

Bij vonnis (in de Engelse vertaling: “joint decision”) van 6 januari 2000, in de zaak met kenmerk VIII Pg 443/94, (hierna: het vonnis) heeft de District Court in Ljubljana de vorderingen van NLB toegewezen. Bij arrest van 19 december 2002 (hierna: het arrest) heeft de High Court in Ljubljana het door Istraturist ingestelde hoger beroep afgewezen en het vonnis bekrachtigd. Op 28 december 2004 (hierna: het vernietigingsarrest) heeft de Supreme Court in Ljubljana het vonnis en het arrest van de High Court vernietigd en de zaak voor afdoening terug verwezen naar (in de Engelse vertaling) “the first degree court for a new trial”, althans “for a repeated decision making”.

2.3.

Bij vonnis van 21 september 2011, met kenmerk VII Pg 16/2005 (hierna: het PG16 vonnis) heeft de District Court in Ljubljana de vorderingen van NLB (nogmaals) toegewezen en Istraturist veroordeeld tot betaling van EUR 47.007.305,19 en USD 1.426.460,73, te vermeerderen met rente vanaf 1 oktober 2001 tot en met 31 december 2001 en de proceskosten van EUR 6.976,80.

2.4.

Bij arrest van 24 oktober 2013 heeft de High Court in Ljubljana het door Istraturist ingestelde hoger beroep tegen het PG16 vonnis afgewezen en het PG16 vonnis bekrachtigd. Bij arrest van 18 februari 2015 heeft de Supreme Court in Ljubljana het cassatieberoep van Istraturist tegen laatstgenoemd arrest afgewezen.

2.5.

Bij beschikking van 27 oktober 2017 (hierna: het exequatur) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaak met rekestnummer C/13/637422 / KG RK 17-1818, op verzoek van NLB, verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van het PG16 vonnis, op grond van artikel 38 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 (hierna: de EEX-Vo).

2.6.

Op 14 februari 2018 is het exequatur betekend aan Plava Laguna.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Plava Laguna komt op grond van artikel 43 lid 1 EEX-Vo op tegen het exequatur en verzoekt de rechtbank om de verklaring van uitvoerbaarheid van het PG16 vonnis in te trekken, NLB te veroordelen in de proceskosten en deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Plava Laguna legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag.

Het PG16 vonnis valt buiten het temporele bereik van de EEX-Vo, omdat de vorderingen van NLB zijn ingesteld voordat de EEX-Vo in Slovenië in werking is getreden. De in artikel 66 lid 2 EEX-Vo genoemde uitzonderingen doen zich niet voor. Daarnaast betreft de zaak waarover in het PG16 vonnis is beslist, feitelijk een politiek geschil tussen Slovenië en Kroatië, waarop de EEX-Vo niet van toepassing is. Bovendien is sprake van een tweetal weigeringsgronden als genoemd in artikel 34 EEX-Vo. Het PG16 is vonnis onverenigbaar met een eerder door de Kroatische rechter uitgesproken vonnis in een geschil tussen partijen over hetzelfde onderwerp. Erkenning van het PG16 vonnis is tot slot in strijd met de Nederlandse openbare orde, omdat Istraturist in de procedure niet behoorlijk in de gelegenheid is gesteld om bewijs te leveren aangaande haar verrekeningsverweer en ingediende bewijsmiddelen door de rechtbank zijn genegeerd.

3.3.

NLB voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek, met veroordeling van Plava Laguna in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld wordt dat artikel 45 EEX-Vo bepaalt dat de verklaring van uitvoerbaarheid door het gerecht slechts kan worden ingetrokken op een van de in de artikelen 34 en 35 genoemde gronden. Voor intrekking van de verklaring van uitvoerbaarheid bestaat echter ook grond, indien de erkenning en tenuitvoerlegging van de gegeven beslissing niet valt onder de werkingssfeer van de EEX-Vo en de verklaring van uitvoerbaarheid dus ten onrechte op grond van de EEX-Vo is afgegeven.

4.2.

De eerste vraag die aldus voorligt, is de vraag of de erkenning en tenuitvoerlegging van het PG16 vonnis valt binnen het temporele bereik van de EEX-Vo. Op grond van artikel 66 lid 1 EEX-Vo is deze verordening slechts van toepassing op rechtsvorderingen die zijn ingesteld na de inwerkingtreding van deze verordening. De gedachte achter deze overgangs-bepaling is dat het gehele proces van een rechtsgang onder de EEX-Vo moet zijn gewaarborgd.

4.3.

De EEX-Vo is in Slovenië per 1 mei 2004 in werking getreden. In het PG16 vonnis is (opnieuw) beslist op rechtsvorderingen die NLB in 1994,1995 en 1998 heeft ingesteld. NLB wordt dan ook niet gevolgd in haar stelling dat in 2005 (nieuwe) rechtsvorderingen zijn ingesteld. Uit het vernietigingsarrest maakt de rechtbank op dat het gaat om een voortzetting van de procedure tussen partijen; de Supreme Court heeft de zaak immers, na vernietiging van het vonnis en het arrest van de High Court, terug verwezen naar de District Court van Ljubljana (zie hiervoor onder 2.2). NLB stelt wel dat in 2005 nieuwe rechtsvorderingen zijn ingesteld, maar dat in 2005 een nieuw inleidend processtuk is uitgebracht is niet gebleken. Ten slotte blijkt ook uit het arrest van het Supreme Court van 18 februari 2015 (zie 2.4) dat van een voortgezette procedure sprake was. In dat arrest wordt bijvoorbeeld overwogen (in de Engelse vertaling): “18. (…) In this case the first session of the main hearing (…) was held on 2nd December 1999. (…)”. De conclusie moet dan ook zijn dat de rechtsvorderingen waarover in het PG16 vonnis is beslist, zijn ingesteld vóór de inwerkingtreding van de EEX-Vo in Slovenië.

4.4.

Uit het PG16 vonnis blijkt voorts dat het betoog van NLB, dat vanaf 2005 een volledig nieuwe en onder de EEX-Vo gewaarborgde rechtsgang heeft plaatsgevonden, niet opgaat. In het vonnis wordt namelijk telkens terugverwezen naar het feit dat Istraturist op de (in de Engelse vertaling) “first trial hearing” haar bewijs betreffende haar verrekenings-verweer had moeten indienen. In de overwegingen erna wordt vervolgens terugverwezen naar (in de Engelse vertaling) “the main hearing” op 31 maart 1999 en naar “the first proceedings” (en dus niet, anders dan NLB betoogt, naar een “first trial hearing” in “the repeated proceedings”) en wordt het alsnog overleggen van (ander) bewijs niet toegestaan. De rechtbank baseert dit oordeel met name op de (vetgedrukte passages in de) volgende overwegingen uit (de Engelse vertaling van) het PG16 vonnis, in onderlinge samenhang bezien:

“(…)

11. Article 286 of the Civil Procedure Act in paragraph 1 determines that parties are obliged to state all the facts necessary to substantiate their motions, offer evidence necessary to establish their allegations and declare their position about the allegations and evidence offered by the opposing party latest at the first trial hearing. The 2nd paragraph determines that parties may present new facts and offer new evidence in later hearings but only in case they were not able to present them at the first hearing without their own fault.

12. (…) Also, the defendant was summoned on 31 March 1999 at the trial for the main hearing to offer evidence i.e. calculate the claims in the amount that is recognized by the defendant himself. However, the defendant did not act according to the instructions of the court and at the same time, the plaintiff complained during the first proceedings that he did not know what was supposed to be in what the defendant allegedly declared in the set-off to the plaintiff, while the defendant in his statement on the set-off of 7 Apr 1993, and not even later, did not state the basis for the claim, the amount of the claim and the maturity of the claim. This means that the defendant’s claim had not been established and also that there had not been any means to establish it. The trial for the main hearing was concluded on 6 January 2000. The defendant failed to precisely establish his own claims that were stated in the objection to the set-off until the end of the main hearing, although the defendant had all the possibilities, had been cautioned and had sufficient period of time.

(…)

14. At the hearing on 20 Oct 2010, the defendant lodged a preparatory submission with the enclosures in relation to which the court had already at the hearing found that the submission was not allowed. It results from the Article 362 of the CPA that a party is permissible to state new facts and offer new evidence at the first hearing for the new main hearing if the party was not able to do so but not due to own fault. (…) It should be added that the court in the repeated proceedings only acknowledged those allegations by civil parties concerning legal understanding and not the factual allegations which are not permissible in the repeated proceedings or which are only permissible pursuant to Article 362 of the CPA. With the new facts and evidence, the defendant did not offer an explanation regarding permissible exception pursuant to Article 362 of the CPA (…) The fact is that the defendant, in the preparatory submission of 20 Oct 2010, stated new facts and offered new evidence, for which the defendant could not prove that their proposal was not possible in the previous proceedings.

(…)

16. (…) The plaintiff then, for the reason that the object of assignment of claim had not been specified, filed another objection in terms of procedural law regarding offsetting, permissible in the repeated proceedings as well, but only on a basis of documentary evidence not included in the evidence maxim from Art. 286 CPA. The court explains more extensively that a preclusion or evidence maxim also concerns later hearings within the repeated proceedings, due to which specification of the objection regarding offsetting, substantive or procedural, with allegations and evidence is late for the main hearing after the first trial hearing. (…) For the offsetting request, Art. 286 CPA is also valid meaning that the beneficiary had to prove the grounds for his offsetting request within time limits. The defendant was summoned by the court in the previous proceedings to precisely define the request, in a manner to offer evidence of the assignment of claim of claims by each individual saver to the assignee, but the defendant did not specify or substantiate his request, that is, he did it only in the repeated proceedings.

(…)”

4.5.

Uit het voorgaande volgt allereerst eens te meer dat sprake was van een voortgezette procedure en niet een geheel nieuwe procesgang, en voorts blijkt hieruit dat Istraturist niet (opnieuw) de mogelijkheid kreeg om bewijs van haar stellingen aan te dragen. Het enkele feit dat de voorgezette procedure een nieuw rolnummer heeft gekregen met daarin het jaartal 2005, brengt de rechtbank niet op andere gedachten (ook in Nederland krijgt bijvoorbeeld een doorgehaalde procedure na hervatting een nieuw rolnummer).

4.6.

NLB beroept zich ten slotte op de in artikel 66 lid 2 EEX-Vo opgenomen uitzondering. Dit beroep faalt. Het PG16 vonnis is weliswaar uitgesproken op een datum nadat de EEX-Vo in Slovenië in werking was getreden, maar op het moment van instellen van de rechtsvorderingen was Slovenië geen partij bij het Verdrag van Brussel of het Verdrag van Lugano, zodat aan de voorwaarden van artikel 66 lid 2 sub a EEX-Vo niet is voldaan. Anders dan NLB betoogt, is deze voorwaarde niet opzijgezet door het arrest van het Europese Hof van Justitie van 21 juni 2012 (nr. C-512/10). Daarin is beslist dat artikel 66 lid 2 EEX-Vo aldus moet worden uitgelegd, dat de verordening “slechts” van toepassing is op de erkenning en tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing, indien de EEX-Vo op de datum waarop die beslissing is gegeven, “zowel in de lidstaat van herkomst als in de aangezochte lidstaat van kracht was” (en niet alleen in een van beide lidstaten). Dit laat onverlet dat (ook) aan de onder sub a van artikel 66 lid 2 EEX-Vo opgenomen voorwaarde moet zijn voldaan.

4.7.

Voorts kan niet worden geoordeeld dat is voldaan aan de voorwaarde genoemd in sub b van artikel 66 lid 2 EEX-Vo. Uit het PG16 vonnis noch uit het vonnis in eerste aanleg blijkt op grond waarvan de Sloveense rechter zich bevoegd achtte om kennis te nemen van het geschil tussen partijen. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de toegepaste bevoegdheidsregels overeenkomen met de regels uit hoofdstuk II van de EEX-Vo, terwijl ook geen sprake was van een ander verdrag tussen Nederland en Slovenië ten tijde van het instellen van de vorderingen.

4.8.

Al het voorgaande betekent dat de erkenning en tenuitvoerlegging van het PG16 vonnis niet onder het temporele bereik van de EEX-Vo valt, zodat het PG16 vonnis (reeds) daarom niet op grond van de EEX-Vo voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland in aanmerking komt. Gelet hierop behoeft hetgeen partijen verder naar voren hebben gebracht geen nadere bespreking.

4.9.

De rechtbank zal dus de bij beschikking van 27 oktober 2017, in de zaak met rekestennummer C/13/637422 / KG RK 17-1818, gegeven verklaring van uitvoerbaarheid (het exequatur) intrekken.

4.10.

Aangezien in deze beschikking geen voor executie vatbare beslissing wordt gegeven, zal de verzochte uitvoerbaar bij voorraad verklaring worden afgewezen.

4.11.

De rechtbank ziet aanleiding om NLB, als verzocht, te veroordelen in de proceskosten.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

trekt in de verklaring van uitvoerbaarheid van het vonnis van 21 september 2011 van de District Court in Ljubljana (kenmerk VII Pg 16/2005), gegeven bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 27 oktober 2017 (rekestnummer C/13/637422 / KG RK 17-1818),

5.2.

veroordeelt NLB in de kosten van deze procedure, welke kosten aan de zijde van Plava Laguna tot aan deze uitspraak worden begroot op EUR 124,00 aan griffierecht en EUR 1.086,00 (2 punten x tarief II) aan salaris advocaat,

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Dudok van Heel en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2018.