Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6746

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-09-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
AMS 17/613, 17/5534 en 17/5739
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meervoudige Kamer. Schorsing en onvoorwaardelijk strafontslag met terugwerkende kracht ambtenaar vanwege ernstig plichtsverzuim. Strafontslag blijft in stand met andere ingangsdatum, rechtbank voorziet zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 17/613, 17/5534 en 17/5739

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 september 2018 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.J. Ouderdorp),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: [naam] en [naam] ).

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

In de zaak AMS 17/613

Bij besluit van 28 juni 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de bestaande schorsing van eiser omgezet in een schorsing met inhouding van bezoldiging.

Bij besluit van 20 december 2016 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard en een dwangsom van € 240,- toegekend.

Wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter is de Staat in zoverre mede als partij aangemerkt.

In de zaak AMS 17/5534

Bij besluit van 7 maart 2017 (het primaire besluit 2) heeft verweerder met onmiddellijke ingang de grondslag gewijzigd van eisers schorsing met inhouding van bezoldiging.

Bij besluit van 8 augustus 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard en beslist dat geen dwangsom is verschuldigd.

In de zaak AMS 17/5739

Bij besluit van 30 maart 2017 (het primaire besluit 3) heeft verweerder aan eiser de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd met terugwerkende kracht tot 28 juni 2016.

Bij besluit van 21 augustus 2017 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 3 ongegrond verklaard en beslist dat geen dwangsom is verschuldigd.

In alle zaken

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2018. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Verder waren namens verweerder aanwezig [naam] , werkzaam bij Bureau Integriteit (BI), en [naam] , werkzaam bij Stadsdeel [naam] .

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1. Eiser was sinds 1 september 1993 werkzaam bij verweerder, laatstelijk in de functie van [functie] ( [functie] ) bij stadsdeel [naam] . Hij was belast met het [functie] , met name zogenaamd ‘ [functie] ’. Begin maart 2016 heeft verweerder bericht gekregen van de Rijksrecherche dat er een ernstig vermoeden bestaat dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ambtelijke corruptie en plichtsverzuim. Op 7 maart 2016 heeft de rechter-commissaris een machtiging gegeven tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van eiser. Op 8 maart 2016 is de woning en werkplek van eiser doorzocht onder leiding van de rechter-commissaris. Op 11 april 2016 is er door de officier van justitie beslag gelegd op eisers loon.

1.2. Bij besluit van 8 maart 2016 heeft verweerder eiser met onmiddellijke ingang geschorst (met behoud van bezoldiging) en hem de toegang tot de werkplek ontzegd en het contact met collega’s verboden. Ook is aangekondigd dat door de Rijksrecherche en Bureau Integriteit (BI) een onderzoek zal worden ingesteld naar het vermoeden dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ambtelijke corruptie en plichtsverzuim. Eiser heeft tegen het besluit van 8 maart 2016 geen bezwaar gemaakt.

1.3. In een vertrouwelijk memorandum van 24 mei 2016 heeft de Rijksrecherche het hoofd van BI geïnformeerd over de tegen eiser gerezen verdenking.

1.4. Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder de schorsing met behoud van bezoldiging omgezet in een schorsing met inhouding van bezoldiging. Gedurende een periode van zes weken na het primaire besluit 1 wordt eisers salaris verminderd met een derde. Daarna wordt het salaris helemaal stopgezet. De reden voor de omzetting is een bericht van het Openbaar Ministerie dat verweerder inmiddels heeft bereikt, dat tegen eiser een strafrechtelijke vervolging is ingesteld wegens het plegen van een misdrijf. Gelet op de aard en de ernst van de gerezen verdenkingen acht verweerder het gerechtvaardigd om eisers salaris tijdens de schorsing en in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek in te houden. Verweerder heeft het primaire besluit 1 gebaseerd op artikel 13.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) (schorsing wegens strafrechtelijke vervolging voor het plegen van een misdrijf).

1.5. Bij uitspraak van 7 september 2016 (in de zaak met zaaknummer AMS 16/4348) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het primaire besluit 1 geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

1.6. Op 29 september 2016 heeft BI voor het eerst met eiser gesproken.

1.7. In een vertrouwelijk memorandum van 4 januari 2017 heeft de Rijksrecherche het hoofd van BI nader geïnformeerd over de verdenkingen tegen eiser.

1.8. Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 20 december 2016, het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard en aan eiser een dwangsom van € 240,- toegekend wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.

1.9. Op 7 maart 2017 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt om aan eiser de straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen met terugwerkende kracht tot 28 juni 2016. Verweerder heeft dat voornemen gebaseerd op de voorlopige resultaten van het onderzoek door BI, neergelegd in een concept-deelrapportage van 6 maart 2017. Op grond van die resultaten is verweerder tot de conclusie gekomen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, bestaande uit, kort gezegd, het aannemen van een gift van een zakelijke partij met wie eiser uit hoofde van zijn functie als ambtenaar een zakelijke relatie heeft.

1.10. Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder met onmiddellijke ingang de bestaande schorsing met inhouding van bezoldiging op grond van artikel 13.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de NRGA omgezet in een schorsing met inhouding van bezoldiging op grond van artikel 13.3, eerste lid, aanhef en onder c, van de NRGA (schorsing wegens het voornemen onvoorwaardelijk strafontslag op te leggen).

1.11. Bij brief van 14 maart 2017 heeft eiser zijn zienswijze tegen het voorgenomen besluit kenbaar gemaakt.

1.12. Bij het primaire besluit 3 heeft verweerder aan eiser de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd met terugwerkende kracht tot 28 juni 2016.

1.13. Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 3 augustus 2017, het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard en het primaire besluit 2 in stand gelaten, met dien verstande dat de wettelijke grondslag met ingang van 1 augustus 2017 is gewijzigd in artikel 13.3, eerste lid, aanhef en onder e, van de NRGA.

1.14. Bij het bestreden besluit 3 heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 17 augustus 2017, het bezwaar tegen het primaire besluit 3 ongegrond verklaard en beslist dat geen dwangsom is verschuldigd.

In de zaak met kenmerk AMS 17/613

2. Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder de bij besluit van 8 maart 2016 opgelegde schorsing omgezet in een schorsing op grond van artikel 13.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de NRGA (schorsing wegens strafrechtelijke vervolging voor het plegen van een misdrijf).

3. In geschil is of sprake is van een strafrechtelijke vervolging als bedoeld in artikel 13.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de NRGA en de daarbij behorende toelichting.

4. Op grond van artikel 13.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de NRGA kan de ambtenaar worden geschorst, als hij strafrechtelijk wordt vervolgd voor het plegen van een misdrijf.

In de toelichting op dit artikel staat, voor zover van belang, het volgende:

Er is sprake van een strafrechtelijke vervolging als:

a. een strafzaak wordt voorgelegd door het Openbaar Ministerie aan de rechter;

b. de verdachte ambtenaar in verzekering is gesteld;

c. de verdachte ambtenaar in voorlopige hechtenis is gesteld.

Als een ambtenaar bijvoorbeeld voor verhoor een aantal uren naar het politiebureau wordt meegenomen is er geen sprake van een strafrechtelijke vervolging. Bij een inbewaringstelling en een strafrechtelijke dagvaarding uiteraard wel.

5. Eiser heeft aangevoerd dat de door verweerder aangenomen definiëring van ‘vervolging’ in de zin van artikel 13.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de NRGA geen steun vindt in wet of jurisprudentie. Dat in bestuursrechtelijke zin aangesloten moet worden bij de strafrechtelijke uitleg van vervolging, en zo ja bij welke strafrechtelijke uitleg van vervolging, blijkt niet. Het kan niet zo zijn dat eiser in het ongewisse wordt gelaten en verweerder begrippen kan uitleggen zoals hem dat op dat moment uitkomt. Dat is strijdig met het motiverings-, zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel.

6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat met de NRGA is bedoeld aan te sluiten bij strafrechtelijke vervolgingsbegrippen als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht. De opsomming onder a, b en c in de toelichting is niet limitatief. Uit de toelichting volgt niet dat bij een huiszoeking en doorzoeking op de werkplek ter inbeslagname géén sprake is van een strafrechtelijke vervolging. De officier van justitie heeft bovendien in een e-mail van 9 juni 2016 desgevraagd aan verweerder bevestigd dat de huiszoekingen en het leggen van conservatoir beslag strafvervolgingshandelingen zijn.

7. De rechtbank is van oordeel dat uit de bepalingen van de NRGA en de toelichting daarop niet volgt dat verweerder heeft willen aansluiten bij de strafrechtelijke vervolgingsbegrippen als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht of het Wetboek van Strafvordering. Verweerder heeft daarentegen in artikel 13.3 van de NRGA en in de bijbehorende toelichting onder a, b en c zelf gedefinieerd wat onder strafrechtelijke vervolging wordt begrepen. De verderop in de toelichting gegeven voorbeelden sluiten aan bij de beschrijvingen onder a, b en c. De rechtbank is daarom van oordeel dat de toelichting van wat onder strafrechtelijke vervolging moet worden verstaan op een limitatieve wijze is geformuleerd. Niet in geschil is dat eiser niet in verzekering of in voorlopige hechtenis is gesteld. Een door de rechter-commissaris afgegeven machtiging voor een doorzoeking van de woning en werkplek en door de rechter-commissaris afgegeven machtiging tot het leggen van conservatoir beslag vallen naar het oordeel van de rechtbank niet onder het voorleggen van een strafzaak aan de rechter. Dat de toelichting ruimte biedt voor een ruimere uitleg zoals verweerder voorstaat, blijkt niet uit de NRGA of de toelichting daarop.

8. Op de zitting is de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 30 november 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5091) besproken. De rechtbank is van oordeel dat die uitspraak niet van toepassing is op de voorliggende zaak, omdat in die uitspraak andere feiten aan de orde waren en die uitspraak ziet op een andere rechtspositieregeling dan de NRGA, namelijk de CAR/UWO, waarin de schorsingsgrond die ziet op een strafrechtelijke vervolging (iets) anders is geformuleerd en waarbij geen toelichting op het begrip strafrechtelijke vervolging is opgenomen.

9. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat er geen grondslag was voor toepassing van artikel 13.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de NRGA. De overige beroepsgronden van eiser tegen de schorsing van 28 juni 2016 behoeven daarom geen bespreking meer.

Overschrijding van de redelijke termijn

10. Eiser heeft in deze zaak verzocht om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

11. De rechtbank heeft op grond van artikel 8:26 van de Awb ook de Staat der Nederlanden aangemerkt als partij in deze procedure. De Staat heeft op basis van beleid1 afgezien van het voeren van verweer.

12.1.

In zijn arrest van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) heeft de Hoge Raad algemene regels gegeven omtrent de beoordeling van de redelijke termijn van berechting.

12.2.

De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. De behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepsprocedure sprake is, mag in beginsel maximaal twee jaar in beslag nemen. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelduur te rechtvaardigen.

12.3.

Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Indien sprake is van overschrijding van de redelijke termijn dient de rechtbank ook te beoordelen op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase.

12.4.

De rechtbank stelt vast dat eiser op 1 juli 2016 bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit 1. Dat betekent dat ten tijde van deze uitspraak de redelijke termijn is overschreden met ruim 2 maanden. Er is geen aanleiding om deze lange behandelduur gerechtvaardigd te achten. De overschrijding van de redelijke termijn moet geheel worden toegerekend aan de rechterlijke fase. De bezwaarprocedure heeft immers niet langer dan zes maanden geduurd, terwijl de procedure bij de rechtbank langer dan anderhalf jaar heeft geduurd. Uitgaande van deze overschrijding heeft eiser recht op € 500,- schadevergoeding. Dat betekent dat de Staat zal worden veroordeeld tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusies in de zaak AMS 17/613

13. Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit 1 vernietigen, voor zover het bezwaar tegen het primaire besluit 1 ongegrond is verklaard. De rechtbank zal het primaire besluit 1 herroepen. Dit betekent dat de schorsing met inhouding van bezoldiging per 28 juni 2016 vervalt. Dat betekent ook dat wordt teruggevallen in de situatie van het daaraan voorafgegane schorsingsbesluit van 8 maart 2016 (schorsing met behoud van bezoldiging).

14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

15. De rechtbank veroordeelt verweerder daarnaast in de door eiser in bezwaar en in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.004,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

16. De rechtbank veroordeelt de Staat tot betaling van een bedrag van € 500,- aan eiser als schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

In de zaak met kenmerk AMS 17/5739

Het strafontslag

17. BI heeft onderzoek uitgevoerd naar aanleiding van informatie die BI had ontvangen van de Rijksrecherche. BI heeft digitaal onderzoek verricht en met verschillende personen, onder wie eiser, gesproken. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport ‘ [naam] ’, waarvan de definitieve versie is opgemaakt op 16 mei 2017. Op basis van de bevindingen van dit onderzoek en het onderzoek van de Rijksrecherche heeft verweerder eiser de volgende gedragingen verweten en aan het strafontslag ten grondslag gelegd:

1. Het uitlokken en aannemen van een gift ten bedrage van € 1.028,50 van een zakelijke relatie van de [naam] ( [naam] ) in wiens opdracht en voor wiens kosten door het bedrijf [naam] vier nieuwe autobanden zijn aangeschaft en zijn geleverd voor de auto van eiser;

2. Het uitlokken en aannemen van een gift ten bedrage van € 80,- bestaande uit het laten vervaardigen en ‘om niet’ ontvangen van een straatnaamboord door/van [naam] vestiging [naam] c.q. de heer [naam] , met wie eiser uit hoofde van zijn functie een zakelijke relatie onderhield;

3. Het laten ontstaan en voortbestaan van ontoelaatbare verstrengeling van persoonlijke belangen en belangen die eiser uit hoofde van zijn functie voor de gemeente Amsterdam diende te behartigen, door met gebruikmaking van zijn zakelijke contacten in zijn privébehoeften te voorzien;

4. Het op zich laden van de schijn van ambtelijke corruptie c.q. omkoping door het aanvaarden van giften, die de verwachting wekken dat daar een zakelijke tegenprestatie tegenover staat of zal staan;

a. waarbij is gebleken dat eiser bij herhaling prijsopgaven/offertes die hij als [functie] heeft ontvangen, per e-mail heeft doorgestuurd naar andere partijen die eveneens werkzaam zijn geweest voor de gemeente [naam] , waardoor niet alleen in strijd is gehandeld met de bij aanbesteding geldende gedragsregels, maar waardoor eiser ook de ontoelaatbare schijn op zich heeft geladen dat aan het verstrekken van de bewuste informatie/gegevens een tegenprestatie van de ontvangende partij was verbonden; en

b. waarbij tevens is gebleken dat eiser privécontact onderhoudt met [naam] van [naam] en samen met hem buiten werktijd bestratingswerkzaamheden uitvoert, waardoor eveneens de schijn van belangenverstrengeling werd gewekt.

5. Het toebrengen van grote schade aan het imago van de gemeente.

Als strafverzwarende omstandigheden heeft verweerder genoemd:

  • -

    De opzettelijkheid van eisers handelen, met het duidelijk oogmerk zichzelf te verrijken met gebruikmaking van zijn netwerk uit hoofde van zijn functie bij de gemeente, waarbij vooralsnog niet kan worden uitgesloten dat deze verrijking plaatsvond ten financiële laste van de gemeente en/of ter zakelijke bevoordeling van de betreffende bedrijven.

  • -

    Eiser heeft zich in het onderzoek door BI ten overstaan van de onderzoekers volstrekt niet transparant en meewerkend opgesteld, door met een beroep op zijn zwijgrecht geen duidelijkheid te verschaffen over zijn gedragingen en de toedracht daarvan.

  • -

    De omvang en aard van de giften en de lange periode waarin daarvan sprake is geweest.

Toetsingskader

18. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet voor de beantwoording van de vraag of een strafontslag rechtmatig is worden beoordeeld of:

- de ambtenaar de verweten gedraging heeft verricht,

- deze gedraging is te kwalificeren als plichtsverzuim,

- deze gedraging aan de ambtenaar kan worden toegerekend,

- de opgelegde straf evenredig is aan het plichtsverzuim.

19. In het ambtenarenrecht gelden niet de strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Wel is voor de constatering van plichtsverzuim, dat tot het opleggen van een disciplinaire straf aanleiding kan geven, volgens vaste rechtspraak van de Raad noodzakelijk dat op grond van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.2

Zorgvuldigheid

20. Eiser heeft aangevoerd dat zijn leidinggevende (hierna: [naam] ) in een (te) laat stadium van de procedure is gehoord en eiser slechts een korte tijd heeft gehad om op [naam] verklaring van 12 juli 2017 te reageren. Dat maakt de procedure onzorgvuldig en dat is in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, aldus eiser.

21. De rechtbank overweegt dat [naam] – naar aanleiding van eisers verklaringen op de hoorzitting van 29 juni 2017 – op verzoek van de bezwaarschriftencommissie alsnog door BI is gehoord en op 12 juli 2017 een verklaring heeft afgelegd. Op 27 juli 2017 heeft de bezwaarschriftencommissie een afschrift van het gespreksverslag toegestuurd gekregen. Op 1 augustus 2017 is het gespreksverslag doorgestuurd aan de gemachtigde van eiser, die daar op 11 augustus 2017 per e-mail op heeft gereageerd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet een zodanig korte termijn dat sprake is van onzorgvuldigheid in de besluitvorming. Van strijd met het beginsel van hoor en wederhoor is dan ook geen sprake, nu eiser in de gelegenheid is gesteld om te reageren en dit ook heeft gedaan. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

22. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij geen zienswijze heeft kunnen geven over een aantal van de door verweerder verweten gedragingen die ten grondslag liggen aan het ontslagbesluit. Dat is in strijd met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

23. De rechtbank overweegt dat het ontslagvoornemen van 7 maart 2017 enkel ziet op het ontvangen van een gift, bestaande uit een vergoeding van de kosten in verband met de aanschaf en het plaatsen van nieuwe autobanden ten bedrage van € 1.028,50. In het ontslagbesluit van 30 maart 2017 zijn eiser – naast de gift van de autobanden – voor het eerst ook andere gedragingen verweten. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of de gang van zaken voorafgaand aan het primaire besluit 3 al dan niet in overeenstemming is geweest met het bepaalde in artikel 4:8 van de Awb. Een eventueel gebrek op dit punt kan namelijk worden hersteld in de bezwaarfase en dat is in dit geval ook gebeurd. Eiser is immers in bezwaar zowel schriftelijk als mondeling in de gelegenheid geweest om zijn zienswijze te geven over alle in het ontslagbesluit opgenomen verweten gedragingen. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Het verweten plichtsverzuim

24. In beroep heeft eiser de hem verweten gedragingen betwist.

Gedraging 1: de autobanden

25.1.

Verweerder verwijt eiser dat hij een gift heeft aangenomen, te weten het voor rekening van een zakelijke partij [naam] ) door [naam] laten aanschaffen en aanbrengen van vier autobanden ten bedrage van € 1.028,50.

25.2.

Eiser heeft aangevoerd dat hij [naam] en [naam] slechts met elkaar in contact heeft gebracht. De volledige verklaring van [naam] is niet overgelegd en er moet volgens eiser rekening mee worden gehouden dat het door BI gebruikte deel van de verklaring van [naam] uit zijn verband is gerukt. Verder heeft verweerder geen acht geslagen op de verklaring van [naam] van [naam] tegenover BI, waarbij overigens onduidelijk is of en welke factuur aan [naam] is getoond.

25.3.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de gewisselde WhatsApp-communicatie, de factuur en de verklaringen van [naam] , in samenhang bezien, voldoende aannemelijk is geworden dat eiser de hem verweten gedraging (het aannemen van de gift) heeft begaan. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [naam] , zoals deze is opgenomen in het rapport ‘ [naam] ’ van BI. De op de zitting opgeworpen stelling van eiser dat hij WhatsApp-berichten verkort opschrijft en dat hij met die berichten bedoeld heeft dat [naam] de autobanden betaalbaar moest stellen aan [naam] acht de rechtbank niet aannemelijk. Daarmee staat deze verweten gedraging voor de rechtbank vast. Deze gedraging is aan te merken als plichtsverzuim.

Gedraging 2: het straatnaambord

26.1.

Verweerder verwijt eiser dat hij als gift een straatnaambord ter waarde van € 80,- van [naam] heeft ontvangen.

26.2.

Eiser voert aan dat er geen (ondertekende) verklaring van [naam] is overgelegd. Dat [naam] de factuur voor het straatnaambord niet kan vinden, betekent niet dat er geen factuur is. Verder heeft eiser aangevoerd dat hij zijn inloggegevens van zijn werkplekcomputer heeft gedeeld met collega’s en dat iemand anders de e-mailberichten via zijn e-mailaccount moet hebben gestuurd.

26.3.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de weergave van Smeenks verklaring in het onderzoeksrapport van BI. Uit het dossier blijkt namelijk dat [naam] in een e-mail van 27 maart 2017 (bijlage [naam] bij het onderzoeksrapport) aan BI heeft bevestigd dat de door BI genoteerde verklaring juist is. Aan eisers opmerking, dat [naam] geen factuur voor het straatnaambord heeft kunnen vinden en dat eiser niet uitsluit dat die factuur er wel is, komt onvoldoende betekenis toe, omdat niet aannemelijk is geworden dat er is betaald voor het straatnaambord. Eisers stelling, dat iemand anders vanaf zijn computer via eisers e-mailaccount de e-mailberichten aan [naam] heeft gestuurd, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Daarmee staat ook deze verweten gedraging voor de rechtbank vast. Deze gedraging is aan te merken als plichtsverzuim.

Gedraging 4a: het doorsturen van prijsopgaven/offertes (tweemaal)

27.1.

Verweerder verwijt eiser dat hij prijsopgaven en offertes heeft doorgegeven aan andere partijen/aannemers, waardoor eiser niet alleen in strijd heeft gehandeld met de bij aanbesteding geldende gedragsregels, maar waardoor eiser ook de ontoelaatbare schijn op zich heeft gelaten dat aan het verstrekken van de bewuste informatie/gegevens een tegenprestatie van de ontvangende partij(en) ( [naam] en [naam] / [naam] ) was verbonden.

27.2.

Eiser erkent dat hij de offertes heeft doorgestuurd. Hij heeft daar spijt van omdat het vraagtekens oproept over zijn intenties. Eiser stelt met het doorsturen van offertes geen verkeerde bedoelingen te hebben gehad, maar dat het puur als voorbeeld moest dienen voor hoe een offerte opgemaakt moet worden. Daarbij is volgens eiser geen andere partij bevoordeeld.

27.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat eiser beide offertes heeft doorgestuurd aan derden. Eiser behoort gezien zijn functie te weten dat reeds het doorsturen van prijsopgaven/offertes naar andere partijen ontoelaatbaar is, omdat daar vertrouwelijke informatie in staat. Daarbij is verder niet van belang wat eisers bedoeling was, of hij daarvoor een tegenprestatie heeft ontvangen en of een derde-partij daardoor bevoordeeld is, maar voldoende is dat eiser daarbij de ontoelaatbare schijn op zich heeft geladen dat aan het verstrekken van de offertes een tegenprestatie was verbonden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat die schijn is gewekt. Ook deze verweten gedraging staat daarmee voor de rechtbank vast. Deze gedraging is aan te merken als plichtsverzuim.

Gedraging 4b: privé-contacten

28.1.

Verweerder verwijt eiser dat hij de schijn van belangenverstrengeling heeft gewekt doordat hij privécontact (op verjaardagen en de voetbalvereniging) onderhoudt met [naam] (hierna: [naam] ) van [naam] en samen met hem buiten werktijd bestratingswerkzaamheden uitvoert.

28.2.

Eiser heeft hierover aangevoerd dat op de afdeling en bij [naam] bekend was dat hij bevriend was met [naam] en dat hij daar nooit over is aangesproken. Ook heeft hij nooit met [naam] in privé-tijd klussen uitgevoerd.

28.3.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat eiser samen met [naam] buiten werktijd bestratingswerkzaamheden heeft uitgevoerd. Voor dit verwijt is onvoldoende steun te vinden in het dossier. Met betrekking tot het privé-contact tussen eiser en [naam] overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat zij bevriend zijn, elkaar op verjaardagen en op de voetbalvereniging zien, nog niet maakt dat eiser de Gedragscode heeft overtreden. Uit de Gedragscode blijkt niet dat vriendschappelijke contacten tussen ambtenaren bij de gemeente en zakelijke contacten per definitie ontoelaatbaar zijn. Verweerder had om aannemelijk te maken dat de Gedragscode of enig ander voorschrift is overtreden, meer concrete of andere bijkomende omstandigheden dienen aan te voeren. Dat heeft verweerder niet gedaan.

28.4.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de verweten gedraging 4b onvoldoende vast staat, geen plichtsverzuim oplevert en dus niet ten grondslag kan worden gelegd aan het onvoorwaardelijk strafontslag.

Gedragingen 3, 4 en 5

29.1.

Verweerder verwijt eiser als gedraging 3 het laten ontstaan en voortbestaan van ontoelaatbare verstrengeling van persoonlijke belangen en belangen die eiser uit hoofde van zijn functie voor de gemeente [naam] diende te behartigen, door met gebruikmaking van zakelijke contacten in zijn privébehoeften te voorzien.

29.2.

Eiser heeft aangevoerd dat hij niets heeft gedaan dat als fraude of anderszins als handelen in strijd met goed ambtenaarschap kan worden beschouwd, omdat hij alles steeds in opdracht of in samenspraak met zijn leidinggevende, [naam] , heeft gedaan. Eiser verwijst in dit kader naar de verklaring van [naam] van 12 juli 2017.

29.3.

De rechtbank overweegt dat eiser niet wordt verweten dat hij andere partijen daadwerkelijk heeft bevoordeeld, maar dat het gaat om de (ontoelaatbare) schijn daarvan. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [naam] niet afdoet aan de ontoelaatbare schijn van bevoordeling die eiser door zijn handelen heeft laten ontstaan. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat eiser in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld wanneer sprake was van calamiteiten, zelf – zonder samenspraak met zijn leidinggevende – besliste bij welke partijen een offerte werd opgevraagd. Deze grond slaagt niet.

29.4.

De rechtbank is van oordeel dat de verweten gedraging 3 in dit geval direct volgt uit het aannemen van giften (de gedragingen 1 en 2). Daarmee staat ook gedraging 3 voor de rechtbank voldoende vast. Deze gedraging is aan te merken als plichtsverzuim.

30.1.

Verweerder verwijt eiser als gedraging 4 het op zich laden van de schijn van ambtelijke corruptie c.q. omkoping door het aanvaarden van giften, die de verwachting wekken dat daar een zakelijke tegenprestatie tegenover staat of zal staan.

30.2.

De rechtbank is van oordeel dat deze verweten gedraging in dit geval direct volgt uit het aannemen van giften (de gedragingen 1 en 2) en het doorsturen van prijsopgaven/offertes (gedraging 4a). Daarmee staat ook gedraging 4 voor de rechtbank voldoende vast. Deze gedraging is aan te merken als plichtsverzuim.

31.1.

Verweerder verwijt als gedraging 5 het toebrengen van grote schade aan het imago van de gemeente.

31.2.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de gedragingen van eiser, waarvan hiervoor is geoordeeld dat deze voor de rechtbank vast staan, tot gevolg hebben dat grote schade aan het imago van de gemeente optreedt. Verweerder heeft daarbij terecht overwogen dat burgers er volledig op moeten kunnen vertrouwen dat de gemeente en de ambtenaren die voor haar werkzaam zijn, in de uitoefening van haar publieke taken integer en betrouwbaar te werk gaan. Het beeld van ambtenaren die door het aanvaarden van geschenken de kennelijke indruk wekken hun privébelangen boven of zelfs ten koste van algemene belangen te stellen, doet aan dit vertrouwen ernstige afbreuk en schaadt daarmee het imago en het gezag van de gemeente. Daarmee staat ook gedraging 5 voor de rechtbank vast. Ook gedraging 5 is aan te merken als plichtsverzuim.

Toerekenbaarheid

32. Noch uit het onderzoek door BI, noch uit andere omstandigheden is gebleken dat het hierboven vastgestelde plichtsverzuim niet aan eiser kan worden toegerekend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het plichtsverzuim eiser kan worden toegerekend. Verweerder was daarom bevoegd om een disciplinaire straf op te leggen.

Evenredigheid

33.1.

Eiser bestrijdt de door verweerder in het bestreden besluit 3 genoemde strafverzwarende omstandigheden. Het onvoorwaardelijk strafontslag is volgens eiser een disproportionele straf waarbij geen zorgvuldige belangenafweging is gemaakt.

33.2.

De rechtbank is van oordeel dat in het midden kan blijven of de door verweerder genoemde strafverzwarende omstandigheden zich voordoen. Uit het bestreden besluit blijkt – en dat standpunt heeft verweerder op de zitting bevestigd – dat verweerder ook los van de in het bestreden besluit 3 genoemde strafverzwarende omstandigheden, het onvoorwaardelijk ontslag een evenredige straf vindt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat, gelet op de aard en ernst van de gedragingen, het strafontslag niet onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim. Daarbij heeft verweerder terecht gemotiveerd dat, mede blijkens de Gedragscode en de NRGA, aan ambtenaren hoge eisen worden gesteld voor wat betreft integriteit en onafhankelijkheid. Dat sprake is van een langdurig dienstverband, kennelijk goed functioneren en het feit dat het plichtsverzuim in 2014 en 2015 plaatsvond, leidt niet tot een ander oordeel.

33.3.

Het voorgaande betekent dat verweerder bevoegd was om de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk strafontslag op te leggen.

Terugwerkende kracht

34. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of verweerder aan het strafontslag terugwerkende kracht mocht verbinden. Eiser heeft dit gemotiveerd betwist en stelt dat het opgelegde ontslag met terugwerkende kracht in strijd is met het rechtszekerheids-, het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel.

35. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser, gelet op de verhoren bij de Rijksrecherche, het memorandum van 24 mei 2016 van de Rijksrecherche, de door het Openbaar Ministerie (OM) ingestelde bijzondere opsporingsmethoden (beslag en doorzoeking woning en werkplek) en eisers bekendheid met de op 8 maart 2016 en 28 juni 2016 genomen besluiten, had kunnen en moeten weten dat strafontslag dreigde, te meer omdat eiser weet had van zijn eigen gedragingen. Daarmee is voldaan aan artikel 13.6, derde lid, van de NRGA, zodat het strafontslag met terugwerkende kracht opgelegd kon worden tot 28 juni 2016, aldus verweerder.
36. Op grond van artikel 13.6, derde lid, van de NRGA kan het strafontslag met terugwerkende kracht ingaan op de dag volgend op die waarop de ontslaggrond voor het eerst aanwezig was. In de toelichting bij dit artikel staat dat de ambtenaar in dat geval wel moet weten of behoort te weten dat een strafontslag dreigt. Vaak zal hij dit weten doordat een onderzoek naar eventuele integriteitsschendingen loopt en hij van het lopende onderzoek en de consequenties op de hoogte wordt gesteld, aldus de toelichting.

37.1.

De rechtbank stelt voorop dat in het algemeen geldt dat een ontslag met terugwerkende kracht in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel (zie de uitspraak van de Raad van 16 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV6077). Om niet in strijd met de rechtszekerheid te komen, moet in elk geval zijn voldaan aan de in de toelichting bij artikel 13.6, derde lid, van de NRGA genoemde voorwaarde.

37.2.

De rechtbank volgt niet het standpunt van verweerder dat eiser al op 28 juni 2016 wist of behoorde te weten dat strafontslag dreigde. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat in het voorjaar van 2016 er alleen nog sprake was van een verdenking en dat naar die verdenking onderzoek plaatsvond. Over de door verweerder genoemde gegevens overweegt de rechtbank als volgt. De (verslagen van de) verhoren bij de Rijksrecherche zijn geen onderdeel van het dossier. De inhoud van de verhoren is noch bij verweerder noch bij de rechtbank bekend. Niet duidelijk is dus of eiser bij het verhoor bij de Rijksrecherche op de hoogte is gesteld van de aard en de omvang van de tegen hem gerezen verdenking. Met de inhoud van het memorandum van de Rijksrecherche van 24 mei 2016 was eiser op 28 juni 2016 evenmin bekend, aangezien verweerder dat memorandum pas op een veel later moment aan eiser heeft verstrekt. Ook het door het OM gelegde beslag en de doorzoeking van eisers woning en werkplek rechtvaardigen niet de conclusie dat eiser moest weten dat strafontslag dreigde. Bovendien is geen van de concreet genoemde verdenkingen in het memorandum van de Rijksrecherche van 24 mei 2016 (welke verdenkingen kennelijk ook de aanleiding waren voor de doorzoeking en het beslag) uiteindelijk ten grondslag gelegd aan het strafontslag. De verwijten waarop het ontslag is gebaseerd, zijn (met uitzondering van de gift inzake de autobanden) pas voor het eerst in de gesprekken met BI op 29 maart 2017 en het één dag later genomen ontslagbesluit aan eiser kenbaar gemaakt.

37.3.

Ook eisers bekendheid met de besluiten van 8 maart 2016 en 28 juni 2016 brengt niet mee dat eiser had moeten weten dat strafontslag dreigde. Daarbij is van belang dat in het besluit van 8 maart 2016 is meegedeeld dat de schorsing duurt totdat verweerder zich een oordeel heeft gevormd over de gedragingen van eiser. Uit de schorsing van 8 maart 2016 hoefde eiser dus nog niet op te maken dat hem strafontslag boven het hoofd hing. Dit geldt eveneens voor het besluit van 28 juni 2016. Uit dit laatste besluit blijkt dat verweerder nog steeds in afwachting is van de uitkomsten van het onderzoek. Bovendien heeft verweerder eiser er in de besluiten van 8 maart 2016 en 28 juni 2016 niet op gewezen – en dat heeft verweerder overigens ook niet gedaan in het gesprek met BI op 29 september 2016 – dat eiser er rekening mee moest houden dat hij de disciplinaire straf van ontslag opgelegd zou kunnen krijgen.

37.4.

Dat eiser weet had van zijn eigen gedragingen betekent nog niet dat hij op 28 juni 2016 wist of behoorde te weten dat hij op een later moment met terugwerkende kracht (per 28 juni 2016) kon worden ontslagen. Aan de voorwaarde dat eiser op 28 juni 2016 wist of behoorde te weten dat strafontslag dreigde, is daarom niet voldaan en verweerder kon in dit geval geen toepassing geven aan artikel 13.6, derde lid, van de NRGA.

38. Dit betekent dat de beroepsgronden tegen het verbinden van terugwerkende kracht aan het ontslag slagen. Nu het besluit tot onvoorwaardelijk strafontslag dateert van 30 maart 2017 en per die datum is bekendgemaakt, kan het ontslag niet eerder ingaan dan per 30 maart 2017.

Dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaar

39.1.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder in het bestreden besluit 3 ten onrechte heeft beslist dat geen dwangsom is verschuldigd. Het bestreden besluit 3 is volgens eiser niet tijdig genomen. Eiser heeft de rechtbank verzocht de hoogte van de verbeurde dwangsom vast te stellen, vermeerderd met de wettelijke rente.

39.2.

Verweerder heeft zich ook in beroep op het standpunt gesteld dat er geen dwangsommen zijn verbeurd. Het bestreden besluit 3 is volgens verweerder tijdig genomen en bekendgemaakt.

39.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder had – inclusief verdaging – twaalf weken om op het bezwaarschrift te beslissen en had daarom uiterlijk op 3 augustus 2017 moeten beslissen. Verweerder heeft op 6 augustus 2017 de ingebrekestelling van eiser ontvangen, zodat verweerder uiterlijk op 20 augustus 2017 had moeten beslissen zonder een dwangsom te verbeuren. Dat heeft verweerder niet gedaan. Op grond van het bepaalde in artikel 4:17, eerste en derde lid, van de Awb was verweerder daarom met ingang van 21 augustus 2017 een dwangsom verschuldigd. Verweerder heeft op 21 augustus 2017 zijn besluit op het bezwaar aan eiser bekend gemaakt. Dit betekent dat 21 augustus 2017 de eerste en enige dag is waarop verweerder in gebreke was en waarover hij een dwangsom verschuldigd is. De rechtbank stelt dus de hoogte van de door verweerder aan eiser verschuldigde dwangsom vast op € 20,-. Verweerder heeft aldus in het bestreden besluit 3 ten onrechte vastgesteld dat geen dwangsom was verbeurd. De rechtbank zal bepalen dat verweerder een dwangsom heeft verbeurd van € 20,-.

39.4.

De rechtbank overweegt in verband met vergoeding van de wettelijke rente als volgt. Wettelijke rente is verschuldigd vanaf het tijdstip waarop verweerder in verzuim zou zijn geweest indien op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn wel de juiste beschikking zou zijn genomen en bekendgemaakt. Verweerder had gelet op artikel 4:18 van de Awb binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was de hoogte van de dwangsom moeten vaststellen, dat wil zeggen uiterlijk op 4 september 2017 (twee weken na 21 augustus 2017). Gelet op de artikelen 4:87, eerste lid, en 4:97 van de Awb had verweerder binnen zes weken na bekendmaking van deze beschikking de dwangsom moeten betalen. Verweerder heeft dat niet gedaan. Verweerder is daarom vanaf 16 oktober 2017 in verzuim. Vanaf die datum tot en met de dag der voldoening is in beginsel wettelijke rente verschuldigd over de hiervoor vastgestelde dwangsom van € 20,-. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat verweerder op grond van artikel 4:98, tweede lid, van de Awb geen wettelijke rente is verschuldigd indien het bedrag ervan bij enige of laatste betaling minder bedraagt dan € 10,-.

Conclusies in de zaak AMS 17/5739

40. Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit 3 moet worden vernietigd. Verweerder had aan het strafontslag geen terugwerkende kracht mogen verbinden. De rechtbank zal daarom het primaire besluit 3 herroepen, maar uitsluitend voor zover dat de ingangsdatum van het ontslag betreft. De rechtbank zal bepalen dat het strafontslag ingaat op 30 maart 2017 en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 3. De rechtbank zal daarnaast de door verweerder verbeurde dwangsom vaststellen op € 20,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 16 oktober 2017 tot aan de dag van gehele voldoening.

41. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

42. De rechtbank veroordeelt verweerder daarnaast in de door eiser in bezwaar en in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.004,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). De reiskosten van eiser voor het verschijnen op de zitting bij de rechtbank (in alle zaken) stelt de rechtbank conform de opgave van eiser vast op € 15,-. Dit betekent dat in deze zaak verweerder aan eiser een totaalbedrag van € 2.019,- aan proceskosten moet vergoeden.

In de zaak AMS 17/5534

43. Verweerder heeft de omzetting van de schorsing per 7 maart 2017 gebaseerd op artikel 13.3, eerste lid, aanhef en onder c, van de NRGA (schorsing wegens het voornemen onvoorwaardelijk strafontslag op te leggen).

44. Eiser heeft aangevoerd dat er geen toereikende grondslag is voor het schorsingsbesluit. Het voornemen tot strafontslag is onvoldoende, omdat daarvoor onvoldoende basis was. Eiser betwist de hem verweten gedragingen en verwijst naar de verklaring van 12 juli 2017 van [naam] .

45. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een concrete verdenking van (ernstig) plichtsverzuim in het algemeen voldoende grond voor het treffen van een ordemaatregel, als aan de integriteit van de betrokken ambtenaar moet worden getwijfeld en het in hem te stellen vertrouwen zozeer is geschaad dat het niet aanvaardbaar is dat hij zijn werk blijft doen.3De ambtenaar kan worden geschorst, wanneer hem door het daartoe bevoegde gezag het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk strafontslag te kennen is gegeven. Volgens vaste rechtspraak van de Raad4 moet bij gebruikmaking van deze schorsingsbevoegdheid worden beoordeeld of het college beschikte over voldoende gronden voor het ontslagvoornemen. Daarbij geldt niet de eis dat die gronden het voorgenomen strafontslag ook moeten kunnen dragen. Verder blijkt uit jurisprudentie van de Raad dat bij de te maken belangenafweging in het kader van een schorsing betekenis toekomt aan de functie van de ambtenaar in relatie tot het misdrijf waarvan hij wordt verdacht en waarvoor hij wordt vervolgd.5

46. Niet in geschil is dat is voldaan aan de voorwaarde dat er op het moment van het ingaan van de schorsing een voornemen lag tot onvoorwaardelijk strafontslag. Naar het oordeel van de rechtbank beschikte verweerder ook over voldoende gronden voor het ontslagvoornemen. Met de bevindingen in de concept-rapportage van BI van 7 maart 2017 en de informatie van de Rijksrecherche (de memoranda van 24 mei 2016 en 4 januari 2017) bestond er ten tijde van de schorsing per 7 maart 2017 een voldoende concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim waardoor aan de integriteit van eiser moest worden getwijfeld en het noodzakelijk in hem te stellen vertrouwen was geschaad. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [naam] niet afdoet aan de verdenking van plichtsverzuim. Verweerder heeft daarom in redelijkheid kunnen stellen dat het niet aanvaardbaar was dat eiser zijn werkzaamheden weer zou gaan uitvoeren.

47. Eiser heeft verder aangevoerd dat er geen zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden.

48. Verweerder heeft in het bestreden besluit de belangen van eiser en de gemeente gewogen. Verweerder stelt dat, gelet op de verdenking van plichtsverzuim, eisers financiële en gezinssituatie en het belang dat hij heeft om zijn werk te kunnen blijven doen, niet opwegen tegen het belang van de werkgever om eiser te schorsen en van zijn werkplek weg te houden. In het verweerschrift heeft verweerder, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad, zich nog op het standpunt gesteld dat gelet op de directe verwevenheid tussen de functie van eiser en de misdrijven waarvan hij wordt verdacht, het belang van verweerder bij het nastreven van een integere gemeentelijke organisatie zwaarder dient te wegen dan het belang van eiser bij het voortzetten van zijn werkzaamheden en het behoud van zijn salaris. Op de zitting heeft verweerder hierover nog opgemerkt dat het belang van de gemeente ook het beperken van imagoschade omvat. Het valt niet te verkopen dat het salaris van iemand wordt doorbetaald, terwijl hij wordt verdacht van plichtsverzuim en er een voornemen ligt tot onvoorwaardelijk strafontslag.

49. De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerder in dit geval niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn discretionaire bevoegdheid om tot schorsing met inhouding van bezoldiging over te gaan. Verweerder heeft meer belang mogen hechten aan de belangen van de gemeente dan aan het belang van eiser bij doorbetaling van zijn salaris en het mogen voortzetten van zijn werk.

50. Eiser heeft subsidiair aangevoerd dat, nu de grondslag van de schorsing is gewijzigd, verweerder (opnieuw) de in artikel 13.3, tweede en derde lid, van de NRGA genoemde afbouwregeling op de inhouding van het salaris diende toe te passen.

51. De rechtbank is van oordeel dat, nu de schorsing per 28 juni 2016 geheel is komen te vervallen, bij het schorsingsbesluit van 7 maart 2017 ten onrechte verzuimd is de afbouwregeling van artikel 13.3, tweede lid, van de NRGA toe te passen. De hiertegen gerichte beroepsgrond slaagt.

Conclusies in de zaak AMS 17/5534

52. Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit 2 vernietigen, voor zover het bezwaar tegen het primaire besluit 2 ongegrond is verklaard. De rechtbank zal het primaire besluit 2 herroepen, maar uitsluitend voor zover is verzuimd een afbouwregeling toe te passen op de inhouding van eisers salaris vanaf 7 maart 2017, bepalen dat verweerder van 7 maart 2017 tot 30 maart 2017 eisers salaris met maximaal een derde deel mag verminderen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit 2.

53. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

54. De rechtbank veroordeelt verweerder daarnaast in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.004,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Het verzoek om schadevergoeding in alle zaken

55. In alle drie de zaken heeft eiser een verzoek om schadevergoeding ingediend, zowel voor het geval sprake is van rechtmatige besluiten als in het geval sprake is van onrechtmatige besluiten. Op de zitting heeft eiser deze verzoeken om schadevergoeding in deze procedure ingetrokken en laten weten de uitkomst van deze procedure af te wachten en zich daarna eerst met een verzoek om schadevergoeding tot verweerder te zullen wenden. Dat betekent dat de rechtbank in deze procedure geen beslissing neemt over deze verzoeken om schadevergoeding.

Beslissing

De rechtbank:

In de zaak met kenmerk AMS 17/613

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit 1, voor zover het bezwaar tegen het primaire besluit 1 ongegrond is verklaard;

  • -

    herroept het primaire besluit 1 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit 1;

  • -

    veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 500,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.004,-.

In de zaak met kenmerk AMS 17/5534

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit 2, voor zover het bezwaar tegen het primaire besluit 2 ongegrond is verklaard;

  • -

    herroept het primaire besluit 2, maar uitsluitend voor zover is nagelaten een afbouwregeling te treffen op de inhouding van eisers salaris vanaf 7 maart 2017, bepaalt dat verweerder van 7 maart 2017 tot 30 maart 2017 eisers salaris met maximaal een derde deel mag verminderen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit 2;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.004.

In de zaak met kenmerk AMS 17/5739

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit 3;

  • -

    herroept het primaire besluit 3, maar uitsluitend voor zover het de ingangsdatum van het strafontslag betreft, bepaalt dat het strafontslag ingaat per 30 maart 2017 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit 3;

  • -

    bepaalt dat verweerder als gevolg van het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van 21 april 2017 een dwangsom heeft verbeurd van € 20,-, te vermeerderen met wettelijke rente zoals aangegeven in rechtsoverweging 39.4;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.019,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T. Kruis, voorzitter, mr. L.C. Bachrach en mr. J.A.W. Jansen, leden, in aanwezigheid van mr. L.C. Trommel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 september 2018.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage met juridisch kader

Gedragscode gemeente Amsterdam

- Ambtenaren van de gemeente Amsterdam vermijden situaties waarin hun persoonlijke belangen of de belangen van relaties waarmee zij in contact staan enerzijds en de belangen van de gemeente anderzijds door elkaar lopen of kunnen gaan lopen. Voor zover het in hun vermogen ligt, vermijden zij zelfs de schijn van een dergelijke belangenverstrengeling.

- Regel is dat in alle gevallen ontvangen geschenken worden gemeld en dat over geschenken die worden aangeboden, overleg wordt gepleegd met de leidinggevende.

- Tegen ongebruikelijke gunsten en diensten, zoals leveranties tegen een meer dan normale korting, moet duidelijk “nee” gezegd worden.

- Een ambtenaar mag nooit geld aannemen. Ook geschenken aannemen op het huisadres is niet toegestaan. Uiteraard wordt nimmer om een geschenk gevraagd.

Artikel 11 van de NRGA

Op grond van artikel 11.1 van de NRGA volgt de ambtenaar de hem gegeven voorschriften op en behoort hij in het algemeen alles te doen of na te laten wat van een goed ambtenaar wordt verwacht.

Op grond van artikel 11.3 van de NRGA is het de ambtenaar verboden:
a. direct of indirect betrokken te zijn bij of enig voordeel te hebben uit leveringen aan of aanneming ten behoeve van de gemeente;
b. steekpenningen, fooien of geschenken te vragen, uit te lokken of aan te nemen van personen, die direct of indirect betrokken zijn bij leveringen of aannemingen, bedoeld onder a;
c. van het publiek fooien of geschenken te vragen, het geven hiervan uit te lokken of deze aan te nemen.

Artikel 13 van de NRGA (zoals deze bepaling luidde tot 1 augustus 2017)

Op grond van artikel 13.3, eerste lid, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) kan de ambtenaar worden geschorst, als:

a. hij strafrechtelijk wordt vervolgd voor het plegen van een misdrijf;

b. hij is veroordeeld tot een vrijheidsstraf wegens het plegen van een misdrijf;

c. het voornemen bestaat hem onvoorwaardelijk strafontslag op te leggen;

d. het voornemen bestaat een aan hem voorwaardelijk opgelegd strafontslag ten uitvoer te leggen.

Op grond van het tweede lid kan de werkgever bij schorsing van de ambtenaar voor een periode van zes weken het salaris en de toegekende salaristoelage(n) verminderen met maximaal een derde deel van het salaris en de toegekende salaristoelage(n).

Op grond van het derde lid heeft de ambtenaar na zes weken geen recht meer op salaris en de toegekende salaristoelage(n), tenzij de gevolgen hiervan niet in verhouding staan tot de in het eerste lid onder c en d genoemde voorgenomen maatregelen. In dat geval kan gedurende een nader te bepalen periode recht blijven bestaan op tweederde deel van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) .

In de toelichting op dit artikel (zoals die toelichting luidde tot 1 augustus 2017) staat dat sprake is van een strafrechtelijke vervolging als:

a. een strafzaak wordt voorgelegd door het Openbaar Ministerie aan de rechter;

b. de verdachte ambtenaar in verzekering is gesteld. De inverzekeringstelling duurt in beginsel drie dagen. Als de officier van justitie binnen de vastgestelde termijn van drie dagen tot de conclusie komt dat er nog geen definitieve beslissing kan worden genomen voor wat betreft de verdere gang van zaken, dan kan hij de inverzekeringstelling verlengen met maximaal drie dagen.

c. de verdachte ambtenaar in voorlopige hechtenis is gesteld. Na de inverzekeringstelling kan de voorlopige hechtenis volgen. De voorlopige hechtenis bestaat uit 2 delen. Het eerste deel is inbewaringstelling. Dit duurt maximaal 14 dagen. Daarna kan de officier van justitie aan de rechter vragen de verdachte nog langer vast te houden. Dat heet gevangenhouding. Dit duurt maximaal 30 dagen en kan twee keer met 30 dagen verlengd worden. De rechtbank kan tevens in een aantal situaties een bevel tot gevangenneming geven. Dit duurt maximaal 30 dagen en kan twee keer met 30 dagen verlengd worden.

Als een ambtenaar bijvoorbeeld voor verhoor een aantal uren naar het politiebureau wordt meegenomen is er geen sprake van een strafrechtelijke vervolging. Bij een inbewaringstelling en een strafrechtelijke dagvaarding uiteraard wel. Bij een schorsing op grond van dit artikel kan de eerste zes weken maximaal een derde van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) worden ingehouden. Als de omstandigheden daartoe aanleiding geven kan ook besloten worden om minder dan een derde deel van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) te korten.

Bij inhouding van het salaris wordt het premieloon verlaagd, wat leidt tot een lagere premieafdracht. De afdracht van de pensioenpremie ondergaat geen wijziging. Indien sprake is van een vermindering van maximaal een derde van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), moet de ambtenaar minimaal een bedrag behouden dat overeenkomt met 90% van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand.

Indien geen sprake is van doorbetaling, is er uiteraard geen sprake van een minimaal bedrag dat de ambtenaar moet behouden.

Op grond van artikel 13.4 van de NRGA kan de ambtenaar worden gestraft als hij zich niet gedraagt overeenkomstig artikel 11.1 (vervulling functie) en zich daarmee schuldig maakt aan plichtsverzuim.

Artikel 13.6 van de NRGA
1. De straffen, die de ambtenaar kunnen worden opgelegd zijn:
[…]
f. strafontslag.
2. Voor hetzelfde plichtsverzuim kan een combinatie van meerdere straffen worden opgelegd.
3. Het strafontslag wordt niet aangezegd en kan met terugwerkende kracht ingaan op de dag volgend op die waarop de ontslaggrond voor het eerst aanwezig was.

In de toelichting op dit artikel staat dat op grond van het derde lid het strafontslag met terugwerkende kracht kan ingaan. De ambtenaar moet in dat geval wel weten of behoort te weten dat een strafontslag dreigt. Vaak zal hij dit weten doordat een onderzoek naar eventuele integriteitsschendingen loopt en hij van het lopende onderzoek en de consequenties op de hoogte wordt gesteld.

Algemene wet bestuursrecht
Op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb dient het bestuursorgaan te beslissen binnen zes weken of – indien een externe bezwaaradviescommissie is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

Ingevolge het derde lid kan het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.

Op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is indien een beschikking op een aanvraag niet tijdig wordt gegeven, doch voor ten hoogste 42 dagen.

Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30,- per dag en de overige dagen € 40,- per dag.

Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover verweerder een dwangsom is verschuldigd, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van een beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

Op grond van artikel 7:14 van de Awb is artikel 4:17 van de Awb ook van toepassing op beslissingen op bezwaar.

Op grond van artikel 4:86, eerste lid, van de Awb wordt de verplichting tot betaling van een geldsom bij beschikking vastgesteld.

Op grond van artikel 4:87, eerste lid, van de Awb geschiedt de betaling binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.

Op grond van artikel 4:102, tweede lid, van de Awb is het bestuursorgaan, indien een afwijzende beschikking tot betaling door het bestuursorgaan als gevolg van bezwaar of beroep wordt vervangen door een beschikking tot betaling, wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven.

1 Staatscourant 18 juli 2014, nr. 20210.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 april 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8767).

4 Zie de uitspraak van 31 juli 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BD9714) en de uitspraak van 3 december 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK7366).

5 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 november 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5091) en de uitspraak van 20 mei 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BI7040).