Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:674

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
10-01-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3614
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afwijzing urgentieverklaring, geen urgent huisvestingsprobleem want eiseres heeft een tijdelijke huurovereenkomst, geen aanleiding voor toepassing hardheidsclausule

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/3614

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2018 in de zaak tussen

[de eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. M. Stam),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Brandenburg).

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 30 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens is [de persoon] verschenen, haar partner en K. Kumari (tolk Punjabi). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen een herbeoordeling uit te voeren. Bij brief van 6 november 2017 heeft verweerder een reactie ingediend, met daarbij een nieuw advies van de GGD van 2 november 2017. Eiseres heeft hierop gereageerd bij brief van 20 november 2017.

De rechtbank heeft partijen in een brief van 14 november 2017 meegedeeld dat zij het niet nodig vindt om deze zaak opnieuw op zitting te behandelen, tenzij een van de partijen aangeeft dat hij mondeling op een zitting wil worden gehoord. Binnen de gestelde termijn is geen reactie van partijen ontvangen. Vervolgens heeft de rechtbank op 12 december 2017 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Op 25 januari 2017 heeft eiseres een aanvraag gedaan voor een urgentieverklaring. Ten tijde van deze aanvraag woonde eiseres met haar man en zoontje op het [adres 1] te Amsterdam.

2. In het kader van de aanvraag heeft de Geneeskundige en Gezondheidsdienst Amsterdam (hierna: GGD) op 20 februari 2017 een advies uitgebracht. Er bestaat volgens de GGD geen medische urgentie voor een woning.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een urgentieverklaring afgewezen. Hiertoe heeft verweerder verwezen naar artikel 2.6.5, eerste lid aanhef en onder b en c van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (hierna: de Verordening).

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem (weigeringsgrond van artikel 2.6.5, eerste lid aanhef en onder b van de Verordening). Eiseres wist van tevoren dat het om een tijdelijke huisvesting ging. Verweerder ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.

5. In beroep heeft eiseres het koopcontract van 24 april 2017 bijgevoegd waaruit blijkt dat de woning [adres 1] te Amsterdam is verkocht en dat uiterlijk 3 juli 2017 aan de koper dient te worden geleverd.

Volgens eiseres is er sprake van een levensbedreigende en levensontwrichtende situatie, gewezen wordt op het ongeval dat de familie heeft meegemaakt. Eiseres doet een beroep op de hardheidsclausule. Met de brieven van 29 september 2017 en 20 oktober 2017 zijn door eiseres aanvullende medische stukken overgelegd. Tevens is meegedeeld dat eiseres met haar familie inmiddels op een kamer bij een kennis op het [adres 2] te Amsterdam verblijft. Deze zeer beperkte en niet hygiënische woonruimte levert problemen op. Om deze kamer te kunnen bereiken moet eiseres een trap oplopen wat op problemen stuit.

6. Verweerder vermeldt in het verweerschrift en in de brief van 20 oktober 2017 dat pas in beroep het koopcontract van 24 april 2017 is overgelegd. Naar nu blijkt is eiseres kennelijk niet dakloos geworden maar inwonend, zodat geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem.

7. Nadat de zaak van eiseres is geschorst, heeft verweerder het dossier van eiseres nogmaals beoordeeld naar aanleiding van de door eiseres overgelegde medische stukken. Tevens heeft verweerder opnieuw medisch onderzoek laten verrichten door de GGD. Uit het GGD-advies van 2 november 2017 blijkt dat het dossier en de nadere medische stukken zijn bestudeerd. Eiseres wordt gezien haar medische problematiek en beperkingen alsmede haar progressie, in staat geacht om gebruik te maken van de trap naar de woning. De psychische klachten van eiseres vinden hun oorzaak in het verkeersongeval waar zij (en haar gezin) slachtoffer van zijn. Er bestaat hierbij geen relatie met haar woning. Begrijpelijk is dat de huidige woonsituatie onrustig en zeker niet ideaal is, maar er zijn onvoldoende nieuwe medische feiten gevonden op grond waarvan nu een indicatie voor urgente verhuizing bestaat.

Verweerder handhaaft gelet op dit advies het standpunt dat er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem, nu eiseres en haar familie inwonen bij een ander huishouden. Dakloosheid is niet aangetoond op het moment dat het bestreden besluit is genomen en ook in een later stadium is dakloosheid niet opgetreden.

8. In haar reactie van 20 november stelt eiseres dat geen sprake is geweest van een volledige nieuwe beoordeling van de huidige situatie. Ten onrechte is geen contact met eiseres en haar familie opgenomen of is de situatie ter plekke bekeken. Eiseres verblijft nu in een woning die zich op de eerste etage bevindt, deze woning is slechts per trap bereikbaar. Eiseres kan deze trap slechts hinkend op één been op. Daarnaast hebben zich gezondheidsproblemen met de zoon van eiseres voorgedaan en leeft het gezin onder constante en toenemende stress.

De algemene weigeringsgrond

9. Ingevolge artikel 2.6.5, eerste lid, onder b, van de Verordening weigeren burgemeester en wethouders de urgentieverklaring indien naar hun oordeel geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem.

10. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij de aan hem verleende bevoegdheid tot het toekennen van een urgentieverklaring beoordelings- en beleidsvrijheid toekomt. Dit leidt ertoe dat de rechtbank het bestreden besluit terughoudend moet toetsen. Het restrictieve beleid van verweerder ten aanzien van urgentieverklaringen is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) niet onredelijk geacht, gelet op het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het in verhouding daarmee geringe aantal woningen dat voor toewijzing beschikbaar is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:628).

11. Ten tijde van het bestreden besluit woonde eiseres op basis van een tijdelijke huurovereenkomst met haar gezin aan [adres 1] te Amsterdam. Het voorrangsbeleid van de gemeente is gericht op gezinnen met kinderen die door overmacht dakloos zijn of dreigen te worden. Blijkens de toelichting in de Beleidsregels woonruimteverdeling en woonruimtevoorraad Amsterdam 2017 op artikel 2.6.5, eerste lid en onder sub b, van de Verordening is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem als de aanvrager een tijdelijke huurovereenkomst heeft. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat nu eiseres een tijdelijke huurovereenkomst had, geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem in de zin van verweerders beleid. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat ten tijde van het bestreden besluit eiseres niet concreet heeft gemaakt dat uitzetting dan wel dakloosheid dreigde. Gelet op de tekst van het eerste lid van artikel 2.6.5 van de Verordening is de rechtbank van oordeel dat deze algemene weigeringsgrond inhoudende dat eiseres geen urgent huisvestingsprobleem heeft, de beslissing van verweerder tot afwijzing van de aanvraag zelfstandig kan dragen.

12. Nu geen sprake was van een urgent huisvestingsprobleem, was verweerder gelet op de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 2.6.5 van de Verordening ten tijde van het bestreden besluit gehouden de aanvraag af te wijzen. Over de nieuwe situatie heeft verweerder overwogen dat nog immer geen sprake is van (dreigende) dakloosheid. De rechtbank volgt verweerder hierin. Op de zitting en in haar reactie van 20 november 2017 heeft eiseres toegelicht dat zij niet (lang) op het [adres 2] te Amsterdam zal kunnen verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank is deze stelling onvoldoende concreet onderbouwd. Nu geen sprake is van concreet dreigende dakloosheid heeft verweerder ook in de nieuwe situatie kunnen aannemen dat geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem in de zin van het door verweerder gevoerde beleid.

De hardheidsclausule

13. Verweerder is in het geval dat een algemene weigeringsgrond aan de orde is, bevoegd om alsnog met toepassing van de hardheidsclausule (artikel 2.6.11 van de Verordening) een urgentieverklaring toe te kennen. Dat kan als weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie en sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de Verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de Verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.

14. De rechtbank stelt voorop dat verweerder ook bij de besluitvorming over de toepassing van de hardheidsclausule beleidsvrijheid toekomt, waardoor de rechtbank het bestreden besluit ook op dit punt terughoudend dient te toetsen. Een beroep op de hardheidsclausule kan om die reden slechts bij uitzondering slagen, waarbij het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat er sprake is van omstandigheden die tot toepassing van de hardheidsclausule nopen. Verweerder hanteert een beleid waarbij slechts bij zeer hoge uitzondering met toepassing van de hardheidsclausule een urgentieverklaring wordt afgegeven.

15. Verweerder heeft bij de toepassing van de hardheidsclausule zijn besluitvorming gebaseerd op een advies van de GGD-arts van 20 februari 2017 en 2 november 2017.

16. Volgens de Afdeling mag het bestuursorgaan, indien door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige een medisch advies is uitgebracht, dit advies betrekken bij zijn beoordeling van een aanvraag, indien het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank voldoen de adviezen aan deze maatstaven en zijn ze voldoende concludent. Voor zover eiseres heeft betoogd dat het advies van 2 november 2017 geen volledige herbeoordeling is overweegt de rechtbank dat de in beroep nader overgelegde medische stukken zijn beoordeeld en in het rapport wordt ingegaan op de huidige woning en de gebruikmaking van de trap. Eiseres heeft geen stukken overgelegd waarin een medisch specialist uitdrukkelijk stelt dat zij vanwege medische problematiek geen trappen kan lopen, daargelaten de vraag of deze omstandigheid verweerder er toe verplicht een urgentieverklaring af te geven. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan het rapport van 2 november 2017. Deze beroepsgrond faalt. Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat noch de oude, noch de nieuwe situatie aanleiding vormden om eiseres een urgentieverklaring te verlenen.

17. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. de Savornin Lohman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.