Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6731

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
13/993676-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 3:1 van de Algemene douanewet, betrekking hebbend op goederen die ingevolge regelingen van internationaal of nationaal recht worden aangemerkt als strategische goederen, begaan door een rechtspersoon.

Zonder de ingevolge wettelijke bepalingen vereiste toestemming uitslaan van goederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/993676-18

Datum uitspraak: 19 september 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

gevestigd op het adres [adres] , [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 september 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J. Pauwelussen, en van wat door de gemachtigde vertegenwoordigers van verdachte en de raadsvrouw, mr. S.W.M. Stevens, naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan

  1. het doorvoeren of laten doorvoeren van goederen aangewezen in post ML9a.1 in de Gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen, zonder vergunning van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

  2. het zonder vereiste toestemming lossen, laden, overladen, inslaan en/of uitslaan van goederen die niet zonder toestemming van de douane weggevoerd mochten worden.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

Op 16 juli 2017 werd door de douane een zending stopgezet in de opslagruimte van verdachte. Deze zending, bestaande uit militaire goederen, was afkomstig uit Frankrijk en zou door worden gevoerd naar Saudi-Arabië. Verdachte had geen (individuele) vergunning voor de doorvoer van deze goederen, terwijl dat wel verplicht was. Op 19 juli 2017 is vervolgens geconstateerd dat de goederen alsnog, zonder toestemming, zijn uitgevoerd naar Saudi-Arabië. Dit is door de verdediging niet betwist.

De verdediging heeft betoogd dat verdachte desondanks van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken omdat er in deze zaak sprake was van een fout van een medewerker, die niet voortkwam uit onwetendheid of is begaan met het oog op financieel gewin. Deze fout kan, zo stelt de verdediging, niet in redelijkheid aan verdachte worden toegerekend, omdat deze niet past in de normale bedrijfsuitvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon en de rechtspersoon niet dienstig is geweest. Bovendien had verdachte er alles aan gedaan, binnen de grenzen van wat in redelijkheid van haar kon worden gevergd, om deze fout te voorkomen. Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat verdachte geen opzet had op de feitelijke gedraging, zijnde het (laten) doorvoeren van militaire goederen.

De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt daartoe het volgende. Het aannemen van de goederen door een medewerker van verdachte, is bij uitstek een handeling die binnen de normale bedrijfsvoering van verdachte valt en haar dienstig is. Dat is immers de manier waarop verdachte geld verdiend. De medewerker heeft de ten laste gelegde goederen ook ‘opzettelijk’ aangenomen. Hierbij hoeft slechts sprake te zijn van kleurloos opzet. Het opzet dat in dit verband dient te worden bewezen, betreft niet opzet op de wederrechtelijkheid van het handelen dan wel opzettelijk nalaten, maar ziet slechts op de feitelijke gedraging, dat wil zeggen het opzet op het doorvoeren van de betreffende goederen. Dit (kleurloos) opzet kan worden bewezen, nu het handelen van de medewerker was gericht op de doorvoer van de goederen naar Saudi-Arabië. Dat de medewerker geen kwade opzet had op het zonder vergunning doorvoeren van de goederen, omdat hij zich niet heeft gerealiseerd dat het militaire goederen betroffen, is voor het bewijs van het kleurloos opzet niet van betekenis en disculpeert de medewerker niet. De rechtbank concludeert ten slotte dat de gedragingen van de medewerker van verdachte, en diens (kleurloos) opzet, aan verdachte kunnen worden toegerekend. Verdachte is ervoor verantwoordelijk om procedures in te stellen die ervoor zorgen dat goederen die vanwege hun omschrijving (in deze zaak onder meer “Dagaie starboard mounting en Dagaie portside mounting”) of ontvanger (in dit geval het ministerie van defensie in Saudi-Arabië) nader worden gecontroleerd, om te zien of daar een aanvullende vergunning voor nodig is en deze goederen, als verdachte deze vergunning niet ontvangt of aanvraagt, te weigeren. De reeds door verdachte getroffen maatregelen voldoen hier klaarblijkelijk niet aan.

De verdediging heeft meer subsidiair betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het derde gedachtestreepje van beide ten laste gelegde feiten omdat het daarin genoemde goed, een ‘Screen DR3000’, niet kwalificeert als militair goed, aangewezen in de post ML9a.1, maar in de post ML11.a (wat niet ten laste gelegd is). Dit zou volgens de verdediging ook blijken uit het feit dat op de uitvoervergunning naar Frankrijk (nadat de goederen retour waren gehaald uit Saudi-Arabië) staat dat de vergunning is verleend op grond van categorie ML11.a.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Volgens de verdediging valt de ‘Screen DR3000’ onder post ML11.a, omdat dit elektronische apparatuur voor het hinderen en tegenhinderen (van radar) zou zijn. Uit de omschrijving van de DR3000 blijkt echter dat dit een ESM ontvanger is, met als kenmerk ‘offers threat detection, direction-finding, identification en target designation’. De rechtbank maakt hieruit op dat de DR3000 niet alleen geschikt is voor het hinderen en tegenhinderen van radar. De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd daarom geen reden om te twijfelen aan de constatering van verbalisant Overes dat de ‘Screen DR3000’ ook onder post ML9a.1 valt. Dat op de uitvoervergunning naar Frankrijk iets anders staat, maakt dit niet anders.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan verder op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen

 het onder 1 ten laste gelegde, te weten dat verdachte:

in de periode van 14 juli 2017 tot en met 18 juli 2017 te Haarlemmermeer, opzettelijk, goederen aangewezen in de Gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen (op 6 maart 2017 door de Raad vastgesteld), onder post ML9a.1 (''vaartuigen (zowel oppervlakteschepen als onderzeeboten) speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik en ongeacht de staat van onderhoud of de gebruiksconditie, en al dan niet voorzien van systemen voor het lanceren van wapens of voorzien van bepantsering, alsmede rompen of delen van rompen voor deze vaartuigen, en onderdelen daarvoor speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik''), te weten:

- een stuk ''DAGAIE STARTBOARD MOUNTING'' (bijlage 10), zijnde een onderdeel voor een verdedigingssysteem tegen raketaanvallen (Dagaie-systeem), en

- een stuk ''DAGAIE PORTSIDE MOUNTING'' (bijlage 10), zijnde een onderdeel voor een verdedigingssysteem tegen raketaanvallen (Dagaie-systeem), en

- een stuk ''SCREEN DR3000'' (bijlage 10), zijnde een onderdeel voor een systeem van elektronische oorlogvoering,

heeft doorgevoerd, zonder vergunning van Onze (destijds geheten) Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

 het onder 2 ten laste gelegde, te weten dat verdachte:

op 18 juli 2017 te Haarlemmermeer, goederen, te weten:

- een stuk ''DAGAIE STARTBOARD MOUNTING'' (bijlage 10), zijnde een onderdeel voor een verdedigingssysteem tegen raketaanvallen (Dagaie-systeem), en

- een stuk ''DAGAIE PORTSIDE MOUNTING''(bijlage 10), zijnde een onderdeel voor een verdedigingssysteem tegen raketaanvallen (Dagaie-systeem), en

- een stuk ''SCREEN DR3000'' (bijlage 10), zijnde een onderdeel voor een systeem van elektronische oorlogvoering,

heeft uitgeslagen zonder de ingevolge een wettelijke bepaling, te weten artikel 194 lid 1 van het Douanewetboek van de Unie (VERORDENING (EU) Nr. 952/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN VAN DE RAAD van 9 oktober 2013), vereiste toestemming, immers heeft zij, verdachte, de goederen voornoemd (behorend bij Air Waybill 065-2098 4600), nadat haar op 16 juli 2017 door een medewerker van de Douane schriftelijk is medegedeeld (bijlage 42) dat de goederen (behorend bij Air Waybill 065-2098 4600) niet zonder toestemming van de Douane weggevoerd mochten worden, zonder toestemming weggevoerd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 40.000, -, waarvan een gedeelte, groot € 20.000, -, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren).

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank overweegt dat verdachte, een professionele partij op het gebied van doorvoer van goederen, zich schuldig heeft gemaakt aan de doorvoer van militaire goederen naar Saudi-Arabië, zonder dat zij daarvoor een individuele vergunning had. De doorvoer van strategische goederen, die speciaal ontworpen zijn voor militair gebruik, zonder vereiste vergunning is een ernstig feit, temeer nu vast staat dat als er een vergunning zou zijn aangevraagd, hierop afwijzend zou zijn beslist, omdat de Nederlandse Staat wenst te voorkomen dat dergelijke goederen naar Saudi-Arabië worden vervoerd. Verdachte heeft verklaard niet bewust de regels te hebben overtreden, maar verdachte had er zorg voor moeten dragen dat haar procedures zo waren ingericht dat het niet mogelijk was dat dit zou gebeuren. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk. Het is bovendien verontrustend dat uit het dossier blijkt dat er ook na dit incident nog een overtreding is geconstateerd door de douane.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat zij, zoals volgt uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 9 juli 2018, niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Daarnaast weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee dat zij haar procedures actualiseert en aldus aanvullende beheersmaatregelen treft, ter voorkoming van betrokkenheid bij (onder meer) onderhavige strafbare feiten. Uit het dossier blijkt echter dat dit doel nog niet is bereikt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om voor de ten laste gelegde feiten geheel geen straf of maatregel meer op te leggen, zoals door de verdediging is betoogd. De rechtbank zal een deels voorwaardelijke geldboete opleggen, zodat verdachte verder wordt aangespoord te werken aan de verbetering van haar procedures ter voorkoming van dergelijke overtredingen.

Gelet op alle genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de strafeis van de officier van justitie alleszins redelijk is en zal zij dus een straf gelijk aan die eis opleggen. Ook zal de rechtbank de officier van justitie volgen in haar vordering om ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde geen straf of maatregel op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen

14a, 14b, 14c, 23 en 51 van het Wetboek van Strafrecht,

de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten,

de artikelen 1:4 en 3:1 van de Algemene douanewet,

artikel 5 van het Besluit strategische goederen,

artikel 2 van de Uitvoeringsregeling strategische goederen 2012,

artikel 4 van de Regeling algemene doorvoervergunning NL007,

de post ML 9 van de Gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 3:1 van de Algemene douanewet, betrekking hebbend op goederen die ingevolge regelingen van internationaal of nationaal recht worden aangemerkt als strategische goederen, begaan door een rechtspersoon.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Zonder de ingevolge wettelijke bepalingen vereiste toestemming uitslaan van goederen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde feit tot een geldboete ter hoogte van € 40.000, - (veertigduizend euro).

Beveelt dat een gedeelte, groot € 20.000, - (twintigduizend euro) van deze geldboete niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

 Bepaalt ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B. Vogel, voorzitter,

mrs. F.W. Pieters en E.J. Weller, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Spliet, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 september 2018.