Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6721

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
01-10-2018
Zaaknummer
13/730023-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel van een minderjarige. Verdachte heeft zijn 15-jarige neefje vervoerd naar Nederland en hem daar gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting. De jongen werd in een situatie gebracht waarin hij geen andere keuze had dan te gaan bedelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730023-18 (Promis)

Datum uitspraak: 20 september 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1981,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring [detentieplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 september 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. de Klerk en van wat verdachte en zijn raadsman mr. G.L.D. Thomas naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

het medeplegen van mensenhandel ten aanzien van de minderjarige [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2003 ) in de periode van 17 juni 2018 tot en met 19 juni 2018 in Nederland en/of Frankrijk en/of andere Europese landen.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Inleiding

Op 19 juni 2018 zag een handhaver van de gemeente Amsterdam twee personen bedelen op de Nieuwendijk in Amsterdam. Eén van de personen bleek de minderjarige [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) te zijn. Na overleg met jeugdzorg en politie is [slachtoffer] aangehouden voor het bedelen en vanwege het vermoeden dat hij slachtoffer kon zijn van mensenhandel.

Een aantal uren na de aanhouding van [slachtoffer] zijn verdachte, de vrouw waarmee [slachtoffer] al bedelend was gezien, [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ), en haar partner [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) op het politiebureau verschenen om te informeren naar [slachtoffer] . Al snel bleek dat [slachtoffer] samen met verdachte vanuit Frankrijk naar Nederland was afgereisd.

Uit het onderzoek dat volgde is de verdenking gerezen dat verdachte zich ten aanzien van [slachtoffer] schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van mensenhandel door hem mee naar Nederland te nemen en daar te laten bedelen. Verdachte heeft steeds ontkend zich hieraan schuldig te hebben gemaakt.

3.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, zoals verwoord in het schriftelijk requisitoir, gemotiveerd het standpunt ingenomen dat verdachte dient te worden veroordeeld voor het ten laste gelegde medeplegen van mensenhandel. Zij heeft hierbij onder andere gewezen op de verklaringen van [slachtoffer] , [persoon 3] (hierna: [persoon 3] ) en verdachte. Niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer] .

3.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich – kort samengevat onder verwijzing naar zijn pleitnota - op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde feit. Aan de vereiste bestanddelen teneinde tot een veroordeling van mensenhandel te komen is met betrekking tot de verschillende subonderdelen niet voldaan, zodat niet tot een bewezenverklaring gekomen kan worden.

Niet kan worden bewezen dat verdachte een dwangmiddel heeft gebruikt jegens [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft steeds verklaard dat hij het papiertje waarmee kennelijk geld aan omstanders werd gevraagd van [persoon 1] heeft gekregen. [slachtoffer] heeft ook steeds verklaard dat het door hem gebedelde geld voor hemzelf bestemd was. Ook uit andere verklaringen kan het causaal verband tussen het bedelen en het gebruik van de in de tenlastelegging vermelde middelen niet worden afgeleid.

De activiteiten van verdachte zijn beperkt gebleven tot het meenemen van [slachtoffer] vanuit Frankrijk naar Nederland. Verdachte heeft op enig moment verklaard dat hij toestemming van de moeder van [slachtoffer] had om hem mee te nemen naar Nederland. Uit de omstandigheden valt niet af te leiden dat er sprake is van uitbuiting. Verdachte heeft ook niet met deze intentie gefaciliteerd. [slachtoffer] heeft een zodanige vrijheid genoten dat niet geconcludeerd kan worden dat hij werd uitgebuit door verdachte.

Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte voordeel heeft genoten als gevolg van het handelen van [slachtoffer] .

De verklaringen van [slachtoffer] dienen als onbetrouwbaar te worden aangemerkt. In gesprekken met [slachtoffer] hebben verschillende tolken aangegeven de indruk te hebben gekregen dat [slachtoffer] niet alles begreep en dat hij mogelijk een cognitieve beperking had. Het proces-verbaal van de handhaver [persoon 4] van 19 juni 2018 kan niet voor het bewijs worden gebruikt, omdat [slachtoffer] kennelijk zonder tolk is gehoord.

3.4.

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1.

Juridisch kader

Bij het ten laste gelegde feit wordt aan de rechtbank de vraag voorgelegd of het handelen van verdachte onder de specifieke omstandigheden kan worden beschouwd als mensenhandel in de zin van artikel 273f, eerste lid, sub 2, 4 en 6 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

- Sub 2

Artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr ziet, voor zover thans van belang, op het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van de ander, terwijl die ander nog geen 18 jaar oud is. Het gaat om de activiteiten om iemand in de positie te brengen, waarin deze bewogen dan wel gedwongen kan worden zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten. Het daadwerkelijke bewegen dan wel dwingen tot het verrichten van arbeid en/of diensten is strafbaar gesteld in sub 4. Sub 2 is niet beperkt tot uitbuiting in de prostitutie, maar ziet op alle intermenselijke relaties waarbij uitbuiting van een minderjarige aan de orde is.

De handelingen omschreven in sub 2 zijn slechts strafbaar als deze zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Met andere woorden: de gedragingen moeten zijn gericht op de uitbuiting van personen.

Het begrip ‘uitbuiting’ is door de wetgever niet gedefinieerd, behoudens voor zover in artikel 273f, tweede lid Sr is bepaald, voor zover thans van belang, dat ‘uitbuiting ten minste omvat gedwongen of verplichte arbeid of diensten, met inbegrip van bedelarij’. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een oogmerk van uitbuiting zijn er meerdere invalshoeken die - gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad - moeten worden beschouwd en die beoordeling is in ieder geval sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Factoren die een rol kunnen spelen bij de beantwoording van die vraag zijn: de aard en duur van de werkzaamheden, de beperkingen die de tewerkstelling meebrengt voor degene die het werk verricht, en het economisch voordeel (het profijt) dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. De in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven worden als referentiekader gehanteerd.1

De rechtbank gaat er hierbij vanuit dat deze factoren niet cumulatief zijn. Immers: de strafbaarstelling van sub 2 ziet - hoewel bewezenverklaring tot een voltooid delict leidt - in feite op het voorbereidingsdelict voorafgaand aan de daadwerkelijke uitbuiting; sommige elementen kun je dan nog niet zien en gebruiken om uitbuiting in de zin van sub 2 vast te stellen. Er kan dan wel worden gekeken naar bijvoorbeeld de modus operandi, huisvesting en afspraken.

Uitbuiting veronderstelt volgens de rechtbank een bepaalde mate van onvrijwilligheid, die ziet op de onmogelijkheid om zich aan een bepaalde situatie te onttrekken. Het slachtoffer wordt in een situatie gebracht of gehouden waarin hij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan zich te laten exploiteren.

Uit jurisprudentie lijkt te volgen dat uitbuiting eerder aan de orde is in het geval van zeer kwetsbare slachtoffers, zoals minderjarigen, illegalen, verslaafden en schuldenaren, en als het gaat om het uitvoeren van strafbare activiteiten in plaats van het verrichten van andere arbeid.

De daadwerkelijke uitbuiting hoeft nog niet te hebben plaatsgevonden, voldoende is de onmiskenbare bedoeling van de dader. Wel moet het opzet gericht zijn op de uitbuiting. Voorwaardelijk opzet is niet voldoende.

Het verschil met artikel 273f, eerste lid, sub 1 Sr zit hem in het feit dat voor strafbaarheid ten aanzien van minderjarige slachtoffers de in sub 1 genoemde dwangmiddelen niet zijn vereist. Sub 2 strekt ter bescherming van minderjarigen. Bij hen wordt ervan uitgegaan dat zij niet beschikken over een zekere rijpheid die hen in staat stelt de gevolgen van hun handelingen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen. Een eventuele instemming van de minderjarige is dan ook irrelevant. Verder is de leeftijd van het slachtoffer geobjectiveerd. Er bestaat een verplichting om gedegen onderzoek te doen naar de leeftijd.

- Sub 4

Artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr stelt het gebruik van iemand in een uitbuitingssituatie strafbaar. Het gaat om de situatie waarbij een ander met een dwangmiddel (dezelfde als genoemd in sub 1) wordt gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, of waarbij onder de in sub 1 genoemde omstandigheden enige handeling wordt ondernomen waarvan men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor daartoe beschikbaar stelt. Gedoeld wordt op degenen die gebruik maken van de uitbuitingssituatie van een ander, welke uitbuitingssituatie zij overigens niet zelf hoeven te hebben gecreëerd. De gedragingen in sub 4 volgen veelal op de gedragingen in sub 2, maar ze kunnen elkaar ook overlappen.

De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat, hoewel ‘uitbuiting’ als zodanig niet in de tekst van sub 4 is opgenomen, dit daarin wel moet worden ingelezen en daarmee een impliciet bestanddeel daarvan vormt. De gedragingen, bedoeld in sub 4, kunnen slechts als mensenhandel worden bestraft, indien uit de bewijsvoering volgt dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.2

- Sub 6

Strafbaar op grond van Artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr is degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander. Opzet is als bestanddeel opgenomen, omdat anders onachtzaam handelen onder deze bepaling zou vallen. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat het opzet gericht dient te zijn op zowel het voordeel trekken als de uitbuiting van een ander.3 De profijttrekker kan, maar hoeft niet, een ander te zijn dan degene die de uitbuitingssituatie heeft gecreëerd. Een dwangmiddel is hier niet nodig.

3.4.2.

Bevindingen

De rechtbank gaat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij de vermeende mensenhandel van [slachtoffer] .

In de voetnoten wordt verkort verwezen naar stukken in het dossier. Een overzicht van de stukken die de rechtbank als bewijsmiddelen heeft gebruikt is opgenomen in bijlage II, die aan dit vonnis is gehecht.

3.4.2.1. Aantreffen [slachtoffer]

Op 19 juni 2018 trof een handhaver openbare ruimte van de gemeente Amsterdam twee bedelende personen aan op de Nieuwendijk in Amsterdam. De twee personen, een man en een vrouw, spraken voorbijgangers aan en drukten hen een papier in de handen met de volgende tekst in het Engels: “Goedendag, ik heb geen werk en heb twee kinderen. Ik zal blij zijn met een kleine tip om te gaan eten. Ook zal ik graag een voucher krijgen om eten te kopen om mijn familie te voorzien van eten en ook mijzelf. Ik bedank u meerdere keren hiervoor ook namens mijn kinderen”.

De man en de vrouw werden staande gehouden ter zake bedelen. De handhaver herkende de vrouw van twee jaar eerder, toen zij ook aan het bedelen was. Zij was genaamd [persoon 1] , voornaam vermoedelijk [voornaam] (de rechtbank begrijpt: [persoon 1] ). Volgens zijn legitimatiebewijs bleek de man te zijn genaamd: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2003 in [land van herkomst] . [slachtoffer] is aangehouden voor bedelen en vanwege het vermoeden dat hij slachtoffer zou kunnen zijn van mensenhandel.4

Diezelfde middag meldden [persoon 1] , haar partner [persoon 2] en verdachte zich op het politiebureau om te informeren naar [slachtoffer] .5 [slachtoffer] was een dag eerder ook al in het gezelschap van deze personen aangetroffen op de Bijlmerdreef. Er was een melding gedaan dat zij zouden koken vanuit de achterbak van een auto en zouden slapen in auto’s.6 Eén van de betrokken voertuigen is later onder verdachte in beslag genomen.7

3.4.2.2. Verklaringen [slachtoffer]

Tijdens zijn eerste verhoor op 19 juni 2018 heeft [slachtoffer] verklaard dat hij in Frankrijk woont en dat ze (de rechtbank begrijpt: hij en verdachte) naar Nederland zijn gekomen om te bedelen. Hij probeert geld te verdienen om te overleven. Zijn moeder bedelt ook in Calais in Frankrijk. Zij bedelen allemaal. Hij bedelde al vanaf het moment dat hij naar Frankrijk toe is gegaan, zo’n drie weken geleden. In Frankrijk kon hij niet zoveel geld verdienen.

is met verdachte naar Nederland gekomen. Ze waren al twee dagen in Nederland en hebben bij een vriend en in een auto geslapen. Verdachte en hij hadden geen geld om terug te keren naar Frankrijk en ze moesten tanken.

heeft ongeveer twee euro in zijn bezit. Zijn moeder en broer wonen in Frankrijk in Calais. Zijn vader was in januari overleden. Hij had geen tijd en zin om naar school te gaan. Zijn telefoon is bij verdachte en hij heeft zelf het telefoonnummer van zijn moeder niet.8

Tijdens het informatieve gesprek op 19 juni 2018 heeft [slachtoffer] verklaard dat verdachte hem had gevraagd of hij met hem mee naar Nederland wilde. Verdachte wilde werk zoeken in Nederland. Ze zijn samen met de auto van verdachte naar Nederland gekomen. Ze zijn gisteren aangekomen en hebben bij een vriend in Amsterdam geslapen.

[slachtoffer] wilde in Nederland gaan bedelen. Zijn vader was in januari overleden en hij wilde met het geld eten voor zijn broer en moeder kopen. Zijn moeder wist dat hij hier aan het bedelen was. [slachtoffer] was nog niet eerder in Nederland geweest en kende hier geen andere mensen.

Hij heeft vandaag twee euro gebedeld en hij verdient met bedelen ongeveer 15 à 16, hooguit 20 euro per dag.

[slachtoffer] is vijf jaar naar school geweest en daarna niet meer. Hij kan een beetje lezen en schrijven en spreekt geen vreemde taal.9

Op 1 en 2 juli 2018 hebben zich een onbekend gebleven man en een vrouw gemeld bij jeugdinstelling [instelling] ’, waar [slachtoffer] na zijn aanhouding gesloten was geplaatst. Op 2 juli 2018 heeft [slachtoffer] kort met hen kunnen communiceren.10 Tijdens zijn verhoor een dag later heeft [slachtoffer] verklaard dat hij wist dat hij was aangehouden omdat hij om twee euro had gevraagd met een briefje. Het briefje had hij gekregen van het meisje waarmee hij was (de rechtbank begrijpt: [persoon 1] ). Hij had haar de dag daarvoor voor het eerst ontmoet. Hij wist niet wat er op het briefje stond omdat hij geen Engels kan lezen. Verdachte was met iemand mee gegaan om werk te zoeken en had tegen [slachtoffer] gezegd: “Ga maar met dat meisje (de rechtbank begrijpt: [persoon 1] ) mee”. Deze verklaring heeft [slachtoffer] direct aangepast. Verdachte zou hebben gevraagd waar [slachtoffer] naartoe ging, waarop [slachtoffer] zou hebben gezegd: “Ik ga even kijken of ik twee euro kan vragen om eten te kopen”.

[slachtoffer] herkende op een foto zijn telefoon, welke in de auto van verdachte was gevonden.11

[slachtoffer] verklaarde dat zijn moeder geen werk heeft en dat zij geld van haar schoonzus krijgt. Zijn broertje verblijft in Frankrijk en zijn zusje verblijft in [land van herkomst] . Hij heeft moeite om aan geld te komen om te eten. In tegenstelling tot zijn eerdere verklaring verklaarde [slachtoffer] dat hij niet eerder had gebedeld, ook niet in Frankrijk.12

3.4.2.3. Verklaringen verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij samen met [slachtoffer] met de auto naar Nederland is gereden en dat zij op 18 juni 2018 in de ochtend in Nederland zijn aangekomen. [slachtoffer] is voor de gezelligheid mee gegaan naar Nederland. Verdachte had met [persoon 2] in Amsterdam afgesproken om over werk te praten. Toen [slachtoffer] werd aangehouden zat verdachte in de tram.

[slachtoffer] , zijn moeder en broer wonen bij hem in Frankrijk. Volgens verdachte heeft [slachtoffer] in Frankrijk gebedeld met zijn moeder en de vrouw van verdachte.

[slachtoffer] heeft tijdens hun verblijf in Nederland gebruik gemaakt van de telefoon van verdachte om onder andere naar huis te bellen. [slachtoffer] had zelf geen telefoonkaart.

Op de vraag wat de gegevens van de voogd van [slachtoffer] waren, antwoordde verdachte dat hij niets te maken had met de moeder.1314

Verdachte had [slachtoffer] bij [persoon 1] , de vrouw van [persoon 2] , achtergelaten om eten te kopen terwijl hij samen met [persoon 2] in de stad een afspraak met iemand over werk had. Hij had tegen [slachtoffer] gezegd dat hij met [persoon 1] mee moest gaan om eten te kopen en naar de parkeerplaats moest gaan. Hij en [slachtoffer] hadden [persoon 1] pas twee dagen eerder ontmoet. De eerste avond hebben verdachte en [slachtoffer] in de auto geslapen. [slachtoffer] heeft ook nog een nacht bij een vriend van verdachte geslapen.15

Het papier dat [slachtoffer] bij zich had, heeft hij gekregen van [persoon 1] . Verdachte en [slachtoffer] zijn steeds samen geweest en hebben samen in de auto geslapen. Toen het niet lukte om werk te vinden had [persoon 2] voorgesteld om nog een week te blijven om te bedelen. Dat had verdachte niet gedaan omdat zijn kinderen in Frankrijk waren.16

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij niet weet hoe [slachtoffer] bij het bedelen is gekomen en hoe hij aan het papier is gekomen. Zijn moeder wist dat [slachtoffer] mee ging naar Nederland. Hij wist niet dat zijn vrouw en [slachtoffer] en zijn moeder gebedeld hebben in Frankrijk. Verdachte wist dat [slachtoffer] niet naar school ging. De telefoon van [slachtoffer] lag in zijn auto, maar hij kon deze niet gebruiken omdat het beeldscherm kapot was.17

3.4.2.4. Verklaringen getuigen

Toen [persoon 2] op 19 juni 2018 samen met verdachte op het politiebureau verscheen, verklaarde hij dat verdachte en [slachtoffer] die dag daarvoor waren gearriveerd en naar Nederland waren gekomen om werk te zoeken, maar dat ze dit niet konden vinden. [persoon 2] zelf bedelde naar eigen zeggen al vanaf 2016 in Nederland.18

De moeder van [slachtoffer] , [persoon 3] , heeft verklaard dat zij toestemming aan verdachte had gegeven om [slachtoffer] mee te nemen naar Nederland. Verdachte wilde werk gaan zoeken en wilde niet alleen in de auto zitten. Ze wist niet dat [slachtoffer] hier kwam om te bedelen. [persoon 1] had haar verteld dat ze een briefje aan [slachtoffer] had gegeven om een paar euro te krijgen omdat ze honger hadden. Niemand dwingt [slachtoffer] om te bedelen.

[persoon 3] was met haar zoons naar Frankrijk gegaan vanuit [land van herkomst] om kinderbijslag te krijgen. Ze kreeg wat geld van haar familieleden. Ze woonden sinds drie weken in het appartement bij verdachte in Calais. [slachtoffer] wilde niet meer naar school. Hij ging af en toe.19

[persoon 1] heeft verklaard dat ze verdachte en [slachtoffer] twee dagen voordat [slachtoffer] werd aangehouden voor het eerst had ontmoet.

Op 19 juni 2018 was ze samen met [slachtoffer] in het centrum van Amsterdam en [slachtoffer] wist niet meer hoe hij terug naar de parkeerplaats moest komen. [slachtoffer] sliep samen met verdachte in de auto ergens bij het metrostation Ganzenhoef. Toen [persoon 1] met [slachtoffer] naar het Centraal Station liep ging zij bedelen voor eten omdat ze zo vroeg in de ochtend nog geen geld had. [slachtoffer] heeft toen eigen papiertjes uit zijn zak tevoorschijn gehaald en is zelf gaan bedelen. De moeder van [slachtoffer] zei, in een telefoongesprek met de kinderbescherming dat [persoon 1] op het politiebureau had gehoord, dat [slachtoffer] naar Nederland was gegaan om te bedelen.

[persoon 1] en haar man [persoon 2] wisten dat verdachte en [slachtoffer] naar Nederland kwamen om te bedelen, omdat verdachte en [slachtoffer] [persoon 2] hadden gebeld om dat te vertellen. Ze zeiden dat ze er over een paar uur zouden zijn. Verdachte was van plan om werk te vinden maar ging uiteindelijk toch aan het bedelen.

Volgens [persoon 1] kon [slachtoffer] niet goed Roemeens spreken, slechts de zigeunerstaal.20

3.4.2.5. Overige bevindingen

Door de politie is onderzocht of verdachte en [slachtoffer] voorkwamen in politiesystemen in het buitenland. Gebleken is dat verdachte en [slachtoffer] op 19 oktober 2017 in België samen in aanraking met de politie zijn geweest omdat zij zich schuldig zouden hebben gemaakt aan het onder valse voorwendselen inzamelen van geld.21

3.4.3.

Weging van de bevindingen

3.4.3.1. Betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer]

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaring die [slachtoffer] op 19 juni 2018 tegenover de handhaver van de gemeente Amsterdam heeft afgelegd niet voor het bewijs kan worden gebruikt, omdat niet blijkt dat [slachtoffer] in die situatie met bijstand van een tolk is gehoord. Nu de rechtbank enkel uitgaat van de verklaringen die [slachtoffer] op 19 juni en 3 juli 2018 bij de politie heeft afgelegd, waar hij wel in het bijzijn van een tolk is gehoord, kan aan dit verweer voorbij worden gegaan.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de tolken die [slachtoffer] hebben bijgestaan tijdens zijn verhoren de indruk kregen dat hij niet alles goed begreep, de Roemeense taal dus onvoldoende machtig was en mogelijk een beperking had. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking hetgeen [persoon 5] , jeugdbeschermer van [slachtoffer] bij het Leger des Heils, hierover ter terechtzitting heeft opgemerkt. In de gesprekken die [persoon 5] met [slachtoffer] heeft gevoerd was haar opgevallen dat [slachtoffer] veelvuldig verduidelijking van de vragen nodig had. Hij begreep bijvoorbeeld niet hoeveel dagen er in twee weken zaten en bleef daar over doorvragen. [persoon 5] heeft ook geconcludeerd dat [slachtoffer] niet kon lezen en schrijven. Uit het dossier is daarnaast naar voren gekomen dat [slachtoffer] niet of nauwelijks naar school is geweest. Dat [slachtoffer] mogelijk niet alles direct begreep tijdens de verhoren bij de politie, kan volgens de rechtbank dan ook worden verklaard vanuit zijn achtergebleven ontwikkeling en heeft niet te maken met zijn begrip van de Roemeense taal. Uit de processen-verbaal van de politieverhoren is de rechtbank ook niet gebleken dat [slachtoffer] door zijn achtergebleven ontwikkeling niet in staat was betrouwbaar te verklaren. De verklaringen die [slachtoffer] bij de politie heeft afgelegd kunnen daarom op deze grond niet als onbetrouwbaar worden aangemerkt.

3.4.3.2. Sub 2

Zoals hiervoor beschreven ziet artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr op het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van de ander, terwijl die ander nog geen 18 jaar oud is.

Op grond van de hiervoor in paragraaf 3.4.2. beschreven bevindingen stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] en verdachte samen met de auto vanuit Frankrijk naar Nederland zijn gereisd. [slachtoffer] en verdachte hebben beiden verklaard dat zij ten tijde van hun aanhouding al een paar dagen in Nederland waren en samen bij een vriend van verdachte en in de auto hebben geslapen. Verdachte heeft [slachtoffer] aldus naar Nederland vervoerd en daar, onder andere in een auto, gehuisvest.

Bij de vraag of verdachte handelde met het oogmerk van uitbuiting, weegt de rechtbank de volgende relevante omstandigheden mee, die uit het dossier worden afgeleid:

- volgens [slachtoffer] en [persoon 1] kwamen verdachte en [slachtoffer] met de bedoeling om te bedelen naar Nederland;

- op het moment dat [slachtoffer] door verdachte werd meegenomen naar Nederland was [slachtoffer] minderjarig;

- [slachtoffer] had een familierelatie met verdachte: verdachte was zijn oom;

- [slachtoffer] verkeerde in een moeilijke financiële positie. Hij was recent met zijn moeder en broer vanuit [land van herkomst] naar verdachte in Frankrijk verhuisd om te proberen een uitkering te krijgen of werk te vinden. Zijn moeder had geen werk of geld en [slachtoffer] moest bedelen om eten te kunnen kopen voor hem zelf, zijn moeder en zijn broer. Ten tijde van zijn aanhouding had [slachtoffer] slechts ongeveer twee euro in zijn bezit;

- [slachtoffer] had al eerder in Frankrijk gebedeld;

- [slachtoffer] was nog niet eerder in Nederland geweest en was dus onbekend met de omgeving;

- [slachtoffer] sprak behalve Roemeens geen andere taal;

- [slachtoffer] was voor een slaapplek afhankelijk van verdachte;

- [slachtoffer] beschikte niet over een eigen werkende telefoon en was voor wat betreft het contact met zijn moeder afhankelijk van verdachte;

- [slachtoffer] heeft nauwelijks een opleiding genoten en had daardoor een achtergebleven ontwikkeling;

- op 19 juni 2018 is [slachtoffer] aangehouden omdat hij samen met [persoon 1] aan het bedelen was op de Nieuwendijk in Amsterdam.

Op grond van voornoemde omstandigheden oordeelt de rechtbank dat [slachtoffer] zich in een kwetsbare en - ten opzichte van verdachte - afhankelijke positie bevond. Door [slachtoffer] onder deze omstandigheden naar Nederland te vervoeren en daar te huisvesten, heeft verdachte beoogd om [slachtoffer] in een situatie te brengen waarin hij geen andere keuze had dan te gaan bedelen. De rechtbank is dus van oordeel dat verdachte heeft gehandeld met het oogmerk van uitbuiting.

Dit brengt met zich mee dat bewezen kan worden geacht dat verdachte [slachtoffer] heeft vervoerd en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting, zoals bedoeld in artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr.

Niet kan worden bewezen dat verdachte dit feit samen met een ander of anderen heeft gepleegd.

3.4.3.3. Sub 4

Zoals hiervoor beschreven gaat het in artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr om de situatie waarin een ander wordt gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft vervoerd naar Nederland en hem daar heeft gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting. Verdachte is dus actief geweest in het traject voorafgaand aan de uitbuiting en zijn activiteiten waren gericht op de verwezenlijking van het einddoel: de uitbuiting. Maar kan verdachte ook worden gezien als ‘exploitant’, de persoon die in de vervolgfase van het traject [slachtoffer] daadwerkelijk heeft aangezet tot het bedelen?

[slachtoffer] is op 19 juni 2018 samen met [persoon 1] bedelend aangetroffen op de Nieuwendijk in Amsterdam, waarbij zij papiertjes uitdeelden aan voorbijgangers waarmee om geld werd gevraagd. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte zelf aanwezig was bij het bedelen op de Nieuwendijk.

Uit de verklaringen van [slachtoffer] , verdachte en [persoon 1] kan enkel worden afgeleid dat verdachte [slachtoffer] op 19 juni 2018 op enig moment heeft achtergelaten bij [persoon 1] . Niet is gebleken dat verdachte [slachtoffer] heeft gedwongen of bewogen om te gaan bedelen met [persoon 1] . Hoewel [persoon 1] en haar partner [persoon 2] hebben verklaard dat zij eerder in Nederland hadden gebedeld, beschouwt de rechtbank het enkele achterlaten van [slachtoffer] bij [persoon 1] ook niet als een handeling waarvan verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] hierdoor zou gaan bedelen. De bewijsmiddelen sluiten niet uit dat verdachte, zoals hij heeft verklaard, [slachtoffer] achterliet bij [persoon 1] enkel omdat verdachte zelf met [persoon 2] naar een afspraak elders moest.

Ook in het geval dat wordt uitgegaan van de verklaring van [slachtoffer] dat hij de papiertjes waarmee om geld werd gevraagd van [persoon 1] had gekregen, kan de betrokkenheid van verdachte niet worden bewezen. Dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [persoon 1] kan namelijk niet worden vastgesteld. Uit het dossier komt naar voren dat [persoon 1] en verdachte elkaar kenden. Zowel verdachte, [persoon 1] , [persoon 2] als [slachtoffer] hebben verklaard dat zij elkaar al een aantal dagen voorafgaand aan 19 juni 2018 hadden ontmoet, zoals ook blijkt uit de mutatie van 18 juni 2018. Echter, nergens blijkt uit dat er toen of op een ander moment tussen hen is gesproken over het bedelen door [slachtoffer] .

Hoewel er dus sprake was van een zekere kwetsbare positie en afhankelijkheidspositie van [slachtoffer] ten opzichte van verdachte, blijkt niet dat verdachte hiervan op 19 juni 2018 op enige wijze gebruik heeft gemaakt om [slachtoffer] zodoende tot bedelen te brengen. Dit brengt mee dat niet bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] heeft gedwongen of bewogen om zich beschikbaar te stellen tot bedelarij, of enige handeling heeft ondernomen waarvan hij redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] daardoor zou gaan bedelen (artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr). Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

3.4.3.4. Sub 6

Niet is gebleken dat verdachte voordeel heeft getrokken uit het handelen van [slachtoffer] (artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr). Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in de periode van 17 juni 2018 tot en met 19 juni 2018 in Nederland en in Frankrijk en in één of meer andere Europese landen, een ander, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2003 te [geboorteplaats slachtoffer] ( [geboorteland slachtoffer] )

heeft vervoerd en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

immers heeft hij, verdachte,

terwijl hij wist dat die [slachtoffer] van hem, verdachte, afhankelijk was en in een zeer slechte financiële situatie verkeerde

- die [slachtoffer] meegenomen naar Nederland en

- die [slachtoffer] gehuisvest op woonadressen (onder meer: een auto) bij hem, verdachte en bij een vriend van hem, verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde en aan hem dus geen straf op te leggen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zijn vijftienjarige neefje [slachtoffer] vanuit Frankrijk mee naar Nederland genomen, terwijl deze zich in een kwetsbare positie bevond en afhankelijk van verdachte was. [slachtoffer] verkeerde in een moeilijke financiële positie en had al eerder moeten bedelen om eten te kunnen kopen voor hemzelf en zijn familie. [slachtoffer] was nog niet eerder in Nederland geweest, kende verder niemand en sprak enkel Roemeens. [slachtoffer] had nauwelijks een opleiding genoten en had daardoor een achtergebleven ontwikkeling. Eenmaal in Nederland aangekomen heeft verdachte [slachtoffer] in het huis van een vriend en in zijn auto laten slapen en hem alleen achtergelaten toen hij zelf een afspraak had. [slachtoffer] moest de telefoon van verdachte gebruiken om naar zijn moeder te bellen. Verdachte heeft [slachtoffer] , door hem onder deze omstandigheden mee naar Nederland te nemen, in een positie gebracht waarin zijn keuzevrijheid verregaand werd beperkt.

De door verdachte overtreden strafbepaling beoogt minderjarigen te beschermen. Verdachte was als volwassene in deze situatie, waarin hij alleen met de minderjarige [slachtoffer] naar het buitenland reisde, verantwoordelijk voor hem. Door [slachtoffer] in een situatie te brengen waarin hij bewogen of gedwongen kon worden om te gaan bedelen, is verdachte echter geheel voorbijgegaan aan zijn belangen. De rechtbank acht het handelen van verdachte dan ook ontoelaatbaar.

Gezien de ernst van het feit kan daar niet anders op worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken, te weten mensenhandel van minderjarigen, worden opgelegd. Daarbij is in aanmerking genomen dat verdachte, zoals blijkt uit het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 juni 2018, niet eerder in Nederland is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

De rechtbank rekent verdachte zwaar aan dat zijn handelen er op was gericht een minderjarig familielid in een kwetsbare en afhankelijke positie te laten bedelen. Een dergelijk handelen schokt de rechtsorde. De door de officier van justitie geëiste duur van de gevangenisstraf doet daarom naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van het feit.

De rechtbank is alles overwegende van oordeel dat een gevangenisstraf van zes maanden een passende en geboden reactie vormt.

9 Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen: personenauto, Ford Focus met Frans kenteken [nummer] (5589931).

Het voorwerp behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Mensenhandel, terwijl die persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid, onder 2 omschreven feit wordt gepleegd de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd: personenauto, Ford Focus met Frans kenteken [nummer] (5589931).

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. I. Verstraeten-Jochemsen en P.J.H. van Dellen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Stockmann, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 september 2018.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099.

2 HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554.

3 HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2467.

4 Proces-verbaal van bevindingen handhaver gemeente Amsterdam d.d. 19 juni 2018, p. 13-14.

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2018, p. 15-16.

6 Mutatierapport d.d. 19 juni 2018, ongenummerd.

7 Proces-verbaal d.d. 29 juni 2018, p. 161-163.

8 Proces-verbaal van bevindingen verhoor [slachtoffer] d.d. 19 juni 2018, p. 20-22.

9 Proces verbaal informatief gesprek mensenhandel [slachtoffer] d.d. 19 juni 2018, p. 27-28.

10 Proces-verbaal van bevindingen onaangekondigd bezoek bij [instelling] ’ d.d. 10 juli 2018, p. 154-155.

11 Proces-verbaal d.d. 29 juni 2018, p. 161-162.

12 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer] d.d. 3 juli 2018, p. 112-125.

13 Proces-verbaal verhoor [verdachte] als getuige d.d. 19 juni 2018, p. 17-19.

14 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] d.d. 20 juni 2018, p. 61-67.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 17 juli 2018, p. 126-153.

16 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] bij rechter-commissaris d.d. 22 juni 2018.

17 Verklaring van verdachte [verdachte] op de terechtzitting van 6 september 2018.

18 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2018, p. 15-16.

19 Proces-verbaal van verhoor betrokkene [persoon 3] d.d. 21 juni 2018, p. 68-76.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte [persoon 1] d.d. 11 augustus 2018, p. 181-193.

21 Proces-verbaal d.d. 24 juli 2018, p. 110-111.