Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6698

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
C/13/637560 / HA ZA 17-1105
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De uitgeefster van het Surinaamse blad Parbode moet een bericht uit 2014 waarin ze een Nederlandse jurist en bedrijvendokter beticht van oplichting rectificeren: door een bericht op haar website en Facebookpagina te plaatsen. Ook moet de uitgeefster een bericht uit 2015 – waarin stond dat de jurist een plantage in bezit kreeg door mee te werken aan het verkrijgen van een valse akte van doodverklaring van de plantage eigenaresse – rectificeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0748
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/637560 / HA ZA 17-1105

Vonnis van 19 september 2018

in de zaak van

[EISER],

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[GEDAAGDE SUB 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [GEDAAGDE SUB 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. J.G.J. van Groenendaal te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 16 oktober 2017, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties

  • -

    het tussenvonnis van 19 september 2018 waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 juli 2018, en de daarin genoemde processtukken en proceshandelingen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 1] is uitgeefster van het Surinaamse blad Parbode en beheert eveneens de website www.parbode.com. [gedaagde sub 1] heeft ook een Facebookpagina onder de naam Parbode. Het blad Parbode wordt verkocht in Suriname, Nederlandse Antillen en Nederland. [Gedaagde sub 2] is (indirect) enig bestuurder van [gedaagde sub 1] .

2.2. [

Eiser] is bij vonnis van 1 juni 2012 door deze rechtbank Nederland veroordeeld tot 28 maanden hechtenis, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, voor faillissementsfraude. In het hoger beroep van die uitspraak heeft het Gerechtshof Amsterdam [eiser] in december 2015 veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf. Deze uitspraak is uiteindelijk door de Hoge Raad bekrachtigd. Partijen hebben het vonnis en de arresten niet in het geding gebracht, zodat de exacte data van uitspraken en inhoud niet kan worden opgenomen.

2.3.

[gedaagde sub 1] heeft op haar website www.parbode.com de volgende artikelen geplaatst:

2.3.1. “

La Providence en de foute jurist” op 1 augustus 2014:

De Nederlandse jurist en ‘bedrijvendokter’ [eiser] is in eigen land wegens faillissementsfraude veroordeeld. Inmiddels heeft hij zijn vleugels ook uitgeslagen naar Suriname. Strafbare misdrijven zijn tot op heden niet bewezen. Maar de vele problemen die door zijn handelen zijn ontstaan, zijn op z’n zachtst gezegd opmerkelijk. De andere partijen voelen zich bedrogen en opgelicht. Alles draait om de voormalige plantage La Providence in Brokopondo.

Het begon allemaal in 2001. [naam 1] bereikte overeenstemming met zijn aangetrouwde familielid [naam 2] over de verkoop van een deel van plantage La Providence. Deze plantage in Brokopondo bestond uit twee delen: een helft is van [naam 1] en zijn zuster, en de andere helft van hun in 1946 overleden tante [naam 3] . [naam 2] kocht dus (…) het gedeelte van [naam 1] . Afgesproken werd dat de koopsom over een periode van tien jaar zou worden voldaan. In de notariële koopovereenkomst werd opgenomen dat de plantage vanaf 2001 in het bezit van [naam 2] werd gesteld. De overdracht zou pas plaatsvinden na voldoening van de gehele koopsom. [naam 2] mocht van [naam 1] , met uitzondering van aanbetaling, alle termijnbetalingen doen uit de opbrengst van de houtkap door derden in het bewuste gebied. De opbrengsten vielen echter tegen en er ontstond zodoende een achterstand in betaling. In 2007 kwam [eiser] voor het eerst in beeld. Zijn ex-vrouw [naam 4] , zijn in Suriname wonende goede vriend, makelaar en zakenpartner [naam 5] en diens ex-vrouw [naam 6] , worden op 27 december van dat jaar zogeheten cessionarissen, dat zijn mensen die een vordering van een ander overnemen. Ze tekende met [naam 1] een overeenkomst, waarin ze de overgebleven rechten van [naam 1] uit de overeenkomst met [naam 2] kochten en in zijn geheel van hem overnamen. [naam 1] ontving in ruil daarvoor 100.000 euro. Dat is een normale gang van zaken, dus daar is niets mis mee.”

2.3.2. “

Bittere strijd om een plantage” op 4 augustus 2014:

“De Nederlandse jurist en ‘bedrijvendokter’ [eiser] is in eigen land veroordeeld wegens faillissementsfraude en oplichting. Inmiddels heeft hij zijn vleugels ook uitgeslagen naar Suriname. Strafbare misdrijven zijn tot op heden niet bewezen. Maar de vele problemen die door zijn handelen zijn ontstaan, zijn op z’n zachtst gezegd opmerkelijk. De andere partijen voelen zich bedrogen en opgelicht. Alles draait om de voormalige plantage La Providence in Brokopondo.

Wie zich op de kwestie La Providence stort, stuit op stapels documenten, rechtszaken, beslagleggingen en andere onaangenaamheden. Parbode heeft zich vooral geconcentreerd op de vraag: wie zijn de rechtmatige eigenaren van de plantage? [Eiser] is ervan overtuigd dat zijn [stichting] dit is. Maar een van de erfgenamen die in 1946 overleden zou zijn, bleek jaren daarna nog springlevend en heeft bovendien kinderen die nu wettelijk recht hebben op hun deel. Bovendien is [eiser] met enkele andere partijen in conflict over de verkoop, onder wie de bekende prof.dr. [naam 7] .

Al met al zijn het opvallend veel problemen en wazigheden rond één plantage en rond [eiser]. Toeval of niet? Wie de reputatie van [eiser] kent, zal niet in toeval willen geloven. Op 1 juni 2012 werd hij tot 28 maanden cel veroordeeld, waarvan zes voorwaardelijk, wegens faillissementsfraude. (…).

Lees alle details in de reportage in het augustusnummer van Parbode. Nu in de winkel!

2.3.3. “[

Eiser] draait door” op 22 april 2015:

“Vorig jaar publiceerde Parbode een onthullend artikel over de handel en wandel van de Nederlandse jurist [eiser]. Een omstreden maar geslepen heerschap. Als bedrijvendokter werd hij door noodlijdende ondernemingen ingehuurd om te redden wat er te redden viel, maar via ingewikkelde constructies plukte hij ze kaal. (…).

In Suriname heeft hij, samen met zakenpartner [naam 5] , op twijfelachtige wijze de plantage La Providence in handen gekregen, waarvoor het bewuste artikel in augustus 2014 vooral ging. De juridische strijd van betrokkenen die vinden dat ze door hem benadeeld zijn, is nog steeds gaande. En de erfgenamen van de inmiddels overleden eigenaresse van één helft van de plantage overwegen via juridische weg aanspraak te maken op het deel dat hen toekomt.

[Eiser] en kornuiten wisten in Nederland namelijk onterecht een overlijdensverklaring los te krijgen, waarin de eigenaresse jaren eerder dood werd verklaard, met de aanmerking dat er geen nazaten bekend zijn. In werkelijkheid heeft ze tientallen jaren langer geleefd en twee zonen gekregen. [Eiser] was daarvan, zoals blijkt uit documenten waarover Parbode beschikt, op de hoogte. Maar die informatie heeft hij achtergehouden om de plantage helemaal in zijn bezit te kunnen krijgen.

Voor publicatie van het artikel is uitgebreid mailverkeer geweest met [eiser]. Daarin stelde hij keer op keer dat we het bij het verkeerde eind hadden en de door ons weergegeven feiten niet klopten. Maar wát er niet klopte, wist hij niet te vertellen. De augustuseditie verscheen, van de kant van [eiser] bleef het vervolgens echter stil. Waarschijnlijk omdat hij geen stok kon vinden om ons mee te slaan. Maar out of the blue ontving de redactie begin februari toch een mail van hem, waarin hij eiste dat het artikel van de Parbode-website werd verwijderd en in de eerstvolgende papieren editie een rectificatie wordt geplaatst.

Waarom we dat niet doen? Lees het in Parbode!

2.4.

[gedaagde sub 1] heeft bovenstaande artikelen ook deels op haar Facebookpagina geplaatst:

2.4.1.

Op 4 augustus 2014:

“De Nederlandse jurist en ‘bedrijvendokter’ [eiser] is in eigen land veroordeeld wegens faillissementsfraude en oplichting. Inmiddels heeft hij zijn vleugels ook uitgeslagen naar Suriname. Strafbare misdrijven zijn tot op heden niet bewezen. Maar de vele problemen die door zijn handelen zijn ontstaan, zijn op z’n zachtst gezegd opmerkelijk. Het hele verhaal is te lezen in de augustuseditie van Parbode…”

2.4.2.

Op 22 april 2015:

“Vorig jaar publiceerde Parbode een onthullend artikel over de Nederlandse jurist [eiser]. In eigen land veroordeeld wegens faillissementsfraude. In Suriname bezig met zaken waar op zijn minst een luchtje aan zit. Zo bezat hij een overlijdensverklaring van de eigenaresse van een plantage, met de aantekening dat er geen nazaten bekend waren. In werkelijkheid leefde ze tientallen jaren langer dan vermeld, en kreeg twee zonen. [Eiser] was daarvan op de hoogte, maar hield de informatie achter om de plantage helemaal in zijn bezit te kunnen krijgen. Hij eist nu een rectificatie. Maar wat er dan niet klopt aan ons artikel, kon hij niet duidelijk maken…”

2.5.

In de augustus 2014 editie van het blad Parbode is onder de kop “De Surinaamse problemen van de veroordeelde jurist [[eiser]], Bittere strijd om een plantage” een uitgebreider artikel verschenen:

De Nederlandse jurist en ‘bedrijvendokter’ [eiser] is in eigen land veroordeeld wegens faillissementsfraude. Inmiddels heeft hij zijn vleugels ook uitgeslagen naar Suriname. Strafbare misdrijven zijn tot op heden niet bewezen. Maar de vele problemen die door zijn handelen zijn ontstaan, zijn op z’n zachtst gezegd opmerkelijk. De andere partijen voelen zich bedrogen en opgelicht. Alles draait om de voormalige plantage La Providence in Brokopondo.

(…) Minstens zo opmerkelijk is de gang van zaken rond het deel dat aan ‘tante’ [naam 3] toebehoorde, en dat in 2008 in handen van [naam 5] , [naam 4] en [naam 6] komt. [naam 1] s tante [naam 3] , waarvan niemand sinds 1946 meer iets scheen te hebben vernomen, was de rechtmatige eigenaar van die helft. De rechtbank Zwolle gaf op 19 augustus 2008 een beschikking af waarin tante [naam 3] per 8 maart 1946 werd doodverklaard. Was het al vreemd dat de akte ‘overdracht rechten’ op 14 augustus 2008 was gedateerd, (…), nog vreemder is dat uit onderzoek van Parbode onomstotelijk is komen vast te staan dat ze helemaal niet op 8 maart 1946 is overleden. (…) [naam 1] wist dat ook (…). Hij gaf in maart 2005 en december 2007 in brieven aan [naam 2] toe dat hij via zijn zus te weten was gekomen dat zijn tante [naam 3] langer heeft geleefd en dat ze kinderen heeft gehad. Dat verzweeg hij dus doelbewust toen hij begin 2008 het verzoek indiende (…) om haar per 8 maart 1946 (vermoedelijk) dood te laten verklaren. Op 30 maart 2012 verkochten [naam 5] , [naam 6] en [naam 4] (…) de hele plantage (…) aan de [stichting] , die door [eiser] zelf was opgezet. (…)

[Eiser] blijft erbij dat beide delen via de juiste wegen in zijn bezit zijn gekomen. Met betrekking tot het deel van [naam 2] , stuurde hij ons de uitspraak in het een kort geding, waaruit moest blijken dat de overeenkomst uit 2001 van laatstgenoemde met [naam 1] is ontbonden. Maar dat blijkt niet te kloppen. De rechter heeft op 8 oktober 2008 slechts de overeenkomst opgeschort, totdat er in een bodemgeschil beslist wordt wie de eigenaar zou worden. (…) [Eiser] reageert verbaasd als hij wordt geconfronteerd met de mededeling dat [naam 3] niet in 1946 is overleden. “Het feit dat zij nog zou hebben geleefd en kinderen zou hebben is nieuw voor mij. Ook voor de rechter in Nederland, want die heeft haar dood verklaard”. Wat dat laatste betreft, heeft [eiser] absoluut gelijk. Maar dat hij het zelf niet wist, is nog maar de vraag. [naam 1] wist het al drie jaar eerder en zou hem dat moeten hebben meegedeeld bij de verkoop van zijn overgebleven rechten uit zijn overeenkomst met [naam 2] . Misschien heeft hij ook tegenover [eiser] zijn kaken op elkaar gehouden. Verschillende bronnen bevestigen echter tegenover Parbode dat [eiser] begin 2008 heeft gezegd dat hij de kinderen van tante [naam 3] zou opsporen en de andere helft van hen zou kopen. Dat zou betekenen dat hij het dus wel degelijk wist. (…) ”

2.5.1.

Verder is in de papieren editie van augustus 2014 in een kader bij het bovenvermeld artikel geschreven over een afgebroken verkoop van de gehele plantage door (de stichting van) [eiser]:

De mislukte verkoop

Op 11 augustus 2012 sloot de [stichting] van [eiser] een koopovereenkomst voor de volledige plantage met (…) van de bekende prof. dr. [naam 7] . (…)

[naam 7] vertelt: “(…) heb ik contact opgenomen met [eiser] en [naam 5] over de aankoop van La Providence, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de financiering door banken zou worden goedgekeurd. Niet wetende dat dit perceel niet van hem blijkt te zijn. Achteraf kwam ik erachter dat er grote vraagtekens zijn over de eigendomsrechten en de overeenkomst zelf. Toen het mij niet lukte het project gefinancierd te krijgen, (…) heb ik de koopovereenkomst laten ontbinden conform de ontbindende voorwaarde. (…).”

2.6.

In de april 2015 editie van het blad Parbode is onder de kop “Veroordeelde witteboordencrimineel speelt blufpoker. [Eiser] draait door” in zeer uitgebreide vorm de publicatie als aangehaald onder 2.3.3 herhaald. Verder staat in de papieren editie van Parbode van april 2015:

“(…) In eerste instantie werd hij [[eiser], rb] veroordeeld tot 28 maanden cel, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Afgelopen december werden in hoger beroep slechts twee van de vijf zaken bewezen geacht en werd de straf teruggeschroefd naar vijftien maanden cel, waarvan vijf voorwaardelijk. (…)

In Suriname heeft hij, samen met zakenpartner [naam 5] , op twijfelachtige wijze de plantage La Providence in handen gekregen, waarover het bewuste artikel in augustus 2014 vooral ging. (…)

[Eiser] en kornuiten wisten in Nederland onterecht een overlijdensverklaring los te krijgen, waarin Tante [naam 3] jaren eerder dood werd verklaard (…). [Eiser] was daar, zoals blijkt uit documenten waarover Parbode beschikt, van op de hoogte. Maar die informatie heeft hij achtergehouden om de plantage in zijn bezit te kunnen krijgen. (…)”

2.7.

Alle hierboven genoemde publicaties van [gedaagde sub 1] zijn vergezeld van de volgende foto:

De foto is om privacy redenen verwijderd.

3 Het geschil

3.1. [

Eiser] vordert, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te verklaren voor recht dat de publicatie(s), althans gedeelte(n) daarvan, met afbeelding van het portret van [eiser] onrechtmatig zijn;

  2. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te bevelen binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis het portret van [eiser] te verwijderen van de website www.parbode.com, de facebookpagina van [gedaagde sub 1] en negatieven/digitale opslagmedia van dit portret ter vernietiging aan de advocaat van [eiser] af te geven;

  3. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te bevelen binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de na te melden tekst, integraal, zonder enige toevoeging in woord of beeld, in hetzelfde lettertype en in dezelfde lettergrootte en op dezelfde locatie als de gewraakte publicaties te doen plaatsen:

“RECTIFICATIE

In de publicatie met titel “…” d.d. “…” suggereerden wij dat de heer [eiser] in Nederland voor oplichting vervolgd zou zijn of zelfs veroordeeld zou zijn. Dat is niet juist. Daarnaast lieten wij ons op onzorgvuldige wijze uit over de heer [eiser] hetgeen onnodig grievend was ten opzichte van hem. Voorts is de publicatie van de foto van de heer [eiser] een disproportionele inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. Op zijn verzoek zijn wij overgegaan tot deze rectificatie. De Redactie”

4. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te bevelen onmiddellijk na betekening van dit vonnis de april editie van het tijdschrift Parbode (met de publicatie van het portret van [eiser]) niet meer te laten herdrukken en/of herbestellingen aan te bieden zonder inlegvel met de na te melden tekst (vergelijkbaar met het onder 3 gevorderde), integraal, zonder enige toevoeging in woord en beeld, in hetzelfde lettertype en in dezelfde lettergrootte als de kop van het artikel en op de eerste pagina (direct na de voorpagina) te doen plaatsen;

5. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te verbieden om een publicatie, met een foto van [eiser] en de titel “Veroordeelde lijkenpikker [eiser] in Suriname aangekomen” of publicaties met zijn foto en titels van gelijke strekking te plaatsen op de website of facebookpagina van [gedaagde sub 1] en in het tijdschrift;

6. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 50.000,00 per dag dat zij niet voldoet aan de onder 2 tot en met 4 bedoelde bevelen en het onder 5 bedoelde verbod;

7. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, inclusief de nakosten.

3.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. [

Eiser] heeft gesteld dat [gedaagde sub 2] (mede) aansprakelijk kan worden gehouden voor de publicaties van [gedaagde sub 1] . Bovendien, aldus [eiser], is [gedaagde sub 2] feitelijk de enige persoon die aan de gevorderde maatregelen kan voldoen. Deze stellingen zijn onvoldoende om de vorderingen op [gedaagde sub 2] in persoon te ondersteunen. De vorderingen op [gedaagde sub 2] in persoon worden dan ook als ongegrond afgewezen.

4.2.

Het gaat in deze zaak in de kern over de onrechtmatigheid van perspublicaties en de rectificatie daarvan. Toewijzing van de vorderingen van [eiser] houdt een beperking in van het in artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) neergelegde grondrecht van [gedaagde sub 1] op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen van [gedaagde sub 1] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het antwoord op de vraag welk recht – het recht op vrije meningsuiting of het recht ter bescherming van eer of goede naam – in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen.

4.3.

Het belang van [gedaagde sub 1] is dat zij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over kwesties van algemeen belang. Het belang van [eiser] is erin gelegen dat hij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan voor hem schadelijke publiciteit. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer van belang is of de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal.

4.4.

Volgens [eiser] zijn de hiervoor in (2.3.1 tot en met 2.5) vermelde publicaties in zoverre onjuist of misleidend dat ten onrechte

  • -

    wordt vermeld dat [eiser] is veroordeeld wegens oplichting;

  • -

    is beschreven dat [eiser] (en zijn “kornuiten”) een overlijdensakte wist lost te krijgen met onjuiste informatie, waarvan [eiser] op de hoogte was dat die informatie onjuist was;

  • -

    wordt gesteld dat [eiser] informatie heeft achtergehouden om de plantage op oneigenlijke wijze in bezit te krijgen;

  • -

    de strafrechtelijke veroordeling in Nederland wordt genoemd terwijl dit geen enkele relatie heeft met de handelwijze van [eiser] bij de overdracht van de plantage;

  • -

    de uitspraak in hoger beroep van december 2014 in de strafzaak tegen [eiser], waarin hij in drie van de vijf aanklachten is vrijgesproken niet is genoemd in de publicaties op de website van Parbode en diens Facebookpagina in april 2015 (zie 2.3.3 en 2.4.2).

Verder heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde sub 1] inbreuk heeft gemaakt op zijn portretrecht.

4.5.

Volgens [gedaagde sub 1] zijn deze tot haar gerichte verwijten onjuist. Voor het overige heeft te gelden dat zij voorafgaand aan de publicaties in 2014 op zorgvuldige wijze hoor en wederhoor heeft verricht maar door [eiser] geen andere tekst en uitleg is gegeven dan dat uit het onderzoek van [gedaagde sub 1] (in zijn algemeenheid) onwaarheden boven tafel zijn gekomen. De publicatie in 2015 is door [eiser] veroorzaakt met zijn verzoek tot rectificatie van de publicaties uit 2014 en vervolgens dreigementen met een gerechtelijke procedure als [gedaagde sub 1] daar niet aan zou meewerken. Voorts dienen de publicaties het algemeen belang in die zin dat daardoor een mogelijke misstand, omtrent de eigendom van de door [eiser] in de verkoop gezette plantage, aan de kaak wordt gesteld. Ten slotte vond publicatie voldoende steun in het toentertijd beschikbare feitenmateriaal. De gebruikte foto van [eiser] is door hem zelf gepubliceerd op zijn LinkedIn profiel. Bovendien is [eiser] op die foto niet heel duidelijk herkenbaar, aldus steeds [gedaagde sub 1] .

Het woord ‘oplichting’

4.6. [

Eiser] neemt [gedaagde sub 1] kwalijk dat zij hem van oplichting heeft beschuldigd. Op zich is het juist dat [eiser] niet is veroordeeld voor oplichting. De publicatie op 4 augustus 2014 van de zin “in eigen land is veroordeeld voor faillissementsfraude en oplichting” op de Parbode-website en Facebookpagina van [gedaagde sub 1] is dan ook feitelijk onjuist. Daarbij is van belang dat deze twee verschillende strafbare feiten door [gedaagde sub 1] zijn gecombineerd. Daarom wordt het verweer van [gedaagde sub 1] , dat oplichting en faillissementsfraude in de volksmond door elkaar worden gebruikt, niet gevolgd. Gelet op de feitelijke onjuistheid van deze zin, heeft [gedaagde sub 1] in die zin op haar website en op haar Facebook-pagina onjuistheden over [eiser] gepubliceerd, die op grond van artikel 6:167 lid 1 BW dienen te worden gerectificeerd als na te melden. De vordering van [eiser] tot het plaatsen van een rectificatie van deze zin wordt toegewezen voor zover het betreft de website www.parbode.com en op de Facebook-pagina van [gedaagde sub 1] onder de naam Parbode. De bewuste zin komt niet voor in de papieren editie van het blad Parbode van augustus 2014, en wordt in de publicaties uit 2015 evenmin gebruikt, zodat geen rectificatie in het blad, dan wel betreffende de berichten uit 2015 wordt toegewezen.

Over de akte doodverklaring

4.7.

Daarnaast verwijt [eiser] [gedaagde sub 1] dat zij hem heeft beschuldigd dat hij kennis had van de volgens [gedaagde sub 1] onjuiste informatie (en die informatie zou hebben achtergehouden) die van belang is geweest bij de verzoekprocedure uit 2008 bij de rechtbank Zwolle waarin een akte doodverklaring van tante [naam 3] – de (voormalig) eigenaresse van de helft van de plantage – is verzocht.

4.8.

[gedaagde sub 1] heeft dit verwijt van [eiser] niet weggenomen. De publicaties suggereren dat [eiser] op de hoogte was van informatie die tot afwijzing van de verzochte akte doodverklaring had geleid. [gedaagde sub 1] heeft – thans en ook in de publicaties – die suggesties gebaseerd op geruchten van personen waar [eiser] in latere fase (volgens de publicaties is [eiser] pas in 2012 eigenaar geworden van de gehele plantage door die te kopen van [naam 5] , [naam 4] en [naam 6] – drie personen die in de publicaties niet worden genoemd in het kader van de akte doodverklaring) geschillen mee heeft gekregen. Daarnaast blijkt uit niets dat [eiser] direct, of als belanghebbende, betrokken is geweest bij de verzoekprocedure die [naam 1] heeft ingesteld bij de rechtbank Zwolle. Dat [naam 5] en [naam 4] een persoonlijke relatie hebben (gehad) met [eiser] en dat zij in 2007 – dus ruim voor de verzoekprocedure – de vorderingen van [naam 1] op [naam 2] hebben overgenomen, en kennelijk de gehele plantage in eigendom hebben gekregen na 2008, is allemaal onvoldoende om daaruit af te leiden dat [eiser] betrokken is geweest bij het instellen van de verzoekprocedure of dat hij voor die procedure relevante informatie heeft achtergehouden.

4.9.

De suggestie in de publicaties van [gedaagde sub 1] over de mogelijke rol die [eiser] heeft gespeeld bij het verzoek akte doodverklaring van tante [naam 3] zijn dan ook onjuist dan wel door onvolledigheid misleidend, en dienen, als bepaald in artikel 6:167 lid 1 BW, te worden gerectificeerd op de website van [gedaagde sub 1] , haar Facebookpagina (Parbode) en in een toekomstige bestelde papieren editie van het blad Parbode (de uitgaven van augustus 2014 en april 2015), als na te melden.

Strafrechtelijk verleden

4.10.

Met betrekking tot het vermelden van de strafrechtelijke veroordeling van [eiser] door [gedaagde sub 1] geldt dat het [gedaagde sub 1] vrij staat om daarover te rapporteren. De stelling van [eiser] dat die veroordeling niet in verband staat met de plantage is daarbij niet van belang. De publicaties omvatten, zoals [gedaagde sub 1] heeft betoogd, de situatie omtrent de eigendom van die plantage. Vast staat dat in Suriname een rechtszaak loopt (dan wel is geweest) tussen [eiser] en een persoon die in ieder geval het gebruik, mogelijk zelfs de eigendom, van de helft van de plantage claimt. Verder bestaan er volgens [gedaagde sub 1] twijfels over de rechtsgeldigheid van de akte doodverklaring betreffende de eigenaresse van de andere helft van de plantage. Daarnaast is onweersproken dat een eerdere verkoop van de plantage door [eiser] is afgebroken omdat de kopende partij geen financiering kon verkrijgen omdat er twijfels zijn gerezen over de rechtmatigheid van de door [eiser] beweerde eigendom van de plantage (deze afgebroken verkoop is uitvoerig uiteengezet in de augustus 2014 editie van het blad Parbode en is in deze procedure verder niet aan de orde geweest). Gelet op deze omstandigheden kan [gedaagde sub 1] het recht niet worden ontzegd daarover te publiceren en eventueel geïnteresseerden in de plantage te informeren. Dat Parbode daarbij van belang acht dat [eiser] in Nederland strafrechtelijk is veroordeeld voor faillissementsfraude – hetgeen feitelijk juist is – en daarvan melding maakt in de publicaties, daarbij heeft zij tevens vermeld dat [eiser] tot dat geen strafbare feiten in Suriname heeft gepleegd, doet onder bovengenoemde omstandigheden geen inbreuk op de goede naam en eer van [eiser].

4.11.

Tot slot heeft [gedaagde sub 1] in de papieren editie van april 2015 uiteengezet dat [eiser] in hoger beroep is vrijgesproken van twee tenlasteleggingen en dat hij toen is veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf. Daarmee heeft [gedaagde sub 1] voldoende gedaan om de waarheid over de strafrechtelijke veroordeling van [eiser] juist en correct weer te geven. Dat [gedaagde sub 1] in de internetpublicaties in april 2015 de uitkomst van de appelprocedure niet heeft genoemd maakt dat niet anders. Voor zover [eiser] heeft bedoeld dat [gedaagde sub 1] op grond van een gedragsregel, dan wel rechtsregel, gehouden is om ook (nadat zij over de uitspraak in eerste aanleg heeft gepubliceerd) over de uitkomst van zijn appelprocedure te rapporteren, vindt dit geen steun in het recht. Indien [eiser] heeft bedoeld dat [gedaagde sub 1] als gevolg van de uitspraak in hoger beroep dient over te gaan tot een rectificatie van de eerdere publicaties in augustus 2014 met betrekking tot zijn strafrechtelijke veroordeling in eerste aanleg, is dit om dezelfde reden niet toewijsbaar.

4.12.

Onder deze omstandigheden kan de stelling van [eiser] dat zijn goede naam en eer is geschonden door het benoemen van zijn strafrechtelijk verleden in de publicaties van [gedaagde sub 1] , niet worden gevolgd.

Gepubliceerde foto

4.13. [

Eiser] heeft verder gesteld dat de door [gedaagde sub 1] gebruikte foto van hem een inbreuk maakt op zijn portretrecht (artikel 21 Auteurswet) en dat daarom de publicaties van [gedaagde sub 1] onrechtmatig jegens hem zijn.

4.14.

De gepubliceerde foto van [eiser] is gemaakt in het openbaar. Uit de houding van de geportretteerde blijkt geen verzet tegen het nemen van die foto. Op de foto is een man van de zijkant afgebeeld, met een zonnebril. Het gelaat van [eiser] is niet zichtbaar op de foto. Verder is van belang dat [eiser] een dergelijke inbreuk op zijn portretrecht heeft te dulden. Als gevolg van zijn verleden, en ook door zijn strafrechtelijke veroordeling, is hij min of meer een publiek persoon geworden. De foto die [gedaagde sub 1] heeft geplaatst bij de publicaties dienen dan ook een aanvullende rol op haar berichtgeving over de plantage die [eiser] wenst te verkopen en vormen in die zin geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser].

4.15.

Het bovenstaande vastgestelde gebruik van de foto van [eiser] rechtvaardigt dan ook niet toewijzing van zijn vorderingen op [gedaagde sub 1] .

Afsluitende overwegingen

4.16.

De slotsom is dat [gedaagde sub 1] dient over te gaan tot rectificatie (als bedoeld in artikel 6:167 lid 1 BW) van de zin “in eigen land is veroordeeld voor faillissementsfraude en oplichting” (zie 4.6) en van de feitelijk niet onderbouwde beschuldiging van [eiser] dat hij kennis had of iets te maken heeft gehad met de akte doodverklaring van tante [naam 3] (zie 4.9). Voor het overige door [gedaagde sub 1] gepubliceerde, ook in onderling samenhangend geheel beschouwd, geldt dat haar belang van uitingsvrijheid zwaarder weegt dan het belang van [eiser] bij de bescherming van zijn goede naam en eer.

4.17.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als na te melden.

4.18.

Een verbod voor een toekomstige publicatie (het onder 5 gevorderde, zie 3.1) wordt niet toegewezen. Of een eventuele toekomstige uiting van [gedaagde sub 1] over [eiser] onrechtmatig is, dient, nadat die uiting heeft plaatsgevonden, onder de dan gestelde omstandigheden te worden beoordeeld. In dit geval is geen sprake van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op die regel kunnen rechtvaardigen.

4.19.

Omdat partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, is er aanleiding om de proceskosten te compenseren zodat ieder de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, tot het plaatsen van de volgende tekst op haar website en op haar Facebookpagina – in hetzelfde lettertype en in dezelfde lettergrootte als de overige berichten op die internetpagina’s – en deze tekst minimaal vier weken op haar homepagina van haar website geplaatst te houden:

“RECTIFICATIE: op 4 augustus 2014 heeft Parbode op haar website en haar Facebookpagina bericht dat [eiser] in Nederland is veroordeeld voor faillissementsfraude en oplichting. De rechtbank Amsterdam heeft [gedaagde sub 1] bij vonnis van 19 september 2018 veroordeeld tot rectificatie van deze tekst omdat [eiser] niet strafrechtelijk is veroordeeld voor oplichting.”,

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, tot het plaatsen van de volgende tekst op haar website en op haar Facebookpagina – in hetzelfde lettertype en in dezelfde lettergrootte als de overige berichten op die internetpagina’s – en deze tekst minimaal vier weken op haar homepagina van haar website geplaatst te houden:

“RECTIFICATIE: op 22 april 2015 heeft Parbode op haar website en haar Facebookpagina bericht dat [eiser] actief heeft meegewerkt aan het verkrijgen van een akte doodverklaring in 2008. Dit bericht is herhaald in de papieren editie van die maand van Parbode. Bij vonnis van 19 september 2018 heeft de rechtbank Amsterdam beslist dat deze berichtgeving ten onrechte suggereert dat ze een objectieve weergave geeft van de beschikbare feiten. Evenmin heeft [gedaagde sub 1] hard kunnen maken dat [eiser] kennis had van het verzoek tot de doodverklaring of dat deze is gebaseerd op mogelijke onjuiste informatie.”,

5.3.

gebiedt [gedaagde sub 1] om, na betekening van dit vonnis, een brief te voegen aan een bestelling van de papieren edities van Parbode van augustus 2014 en april 2015 waarin is opgenomen dezelfde tekst als de door de rechtbank opgelegde rectificatie onder 5.2,

5.4.

bepaalt dat [gedaagde sub 1] een dwangsom van € 500,00 per dag verbeurt voor iedere dag (of dagdeel) dat zij niet voldoet aan de veroordelingen onder 5.1 en 5.2, alsmede voor iedere overtreding van het onder 5.3. gegeven gebod, met een maximum van € 10.000,- aan in totaal verbeurde dwangsommen,

5.5.

verklaart bovenstaande uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

compenseert de proceskosten aldus dat ieder de eigen kosten draagt,

5.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Thomas, rechter, bijgestaan door mr. R. Verloo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2018.1

1 *