Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6686

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
C/13/617377 / HA ZA 16-1066
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad (artikel 392 Rv) naar aanleiding van het beroep op dwaling met betrekking tot een met een bank overeengekomen rentederivaat. De vragen zien op de omvang van mededelingsplicht van artikel 6:228 lid 1 onder b BW (verhouding tot HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, het nadeelvereiste in het geval de risico’s (kenmerken waarop het beroep op dwaling wordt gegrond) van een rentederivaat zich niet hebben verwezenlijkt (verhouding tot HR 4 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7854 en het bepaalde in artikel 6:230 BW), het causaliteitsvereiste en het kenbaarheidsvereiste van artikel 6:228 lid 1 aanhef en onder b BW (vergelijk HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9398). Zie ook ECLI:NL:RBAMS:2018:6687.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2018/281 met annotatie van mr. H. Bais
RF 2018/97
NJF 2018/624
NTHR 2018, afl. 6, p. 300
JONDR 2018/1417
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/617377 / HA ZA 16-1066

Vonnis van 19 september 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. C.H.D.W. van den Borne-Verheijen te Breda,

tegen

de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

statutair gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Rabobank (of de bank) worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 mei 2018 (hierna het tussenvonnis),

  • -

    de akte uitlaten tussenvonnis van [eiser] , met producties,

  • -

    de akte houdende uitlating inzake het voornemen tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad van Rabobank.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis zijn partijen op de voet van artikel 392 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over het voornemen van de rechtbank om de Hoge Raad rechtsvragen te stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing alsmede over de inhoud van de te stellen vragen.

2.2.

[eiser] en Rabobank hebben vervolgens akten genomen.

2.3.

[eiser] ziet geen noodzaak tot het stellen van prejudiciële vragen. In zijn visie dient de rechtbank zich te richten naar de door het gerechtshof Amsterdam uitgezette lijn. Volgens [eiser] is de beantwoording van de voorgestelde vragen niet “nodig” om op zijn vordering te beslissen en leidt het stellen van prejudiciële vragen tot extra kosten voor [eiser] en vertraging van de procedure.

2.4.

Ten aanzien van de vrees voor vertraging wordt allereerst opgemerkt dat voor de rechtbank het belang dat de rechtsonzekerheid (ontstaan door verschillende uitspraken in vergelijkbare zaken) wordt weggenomen, waardoor uiteindelijk efficiënter kan worden geprocedeerd in individuele zaken, zwaarder weegt dan de vertraging van deze procedure in eerste aanleg door het stellen van vragen aan de Hoge Raad. Bovendien geldt dat ook andere bij de rechtbank aanhangige procedures waarin een rentederivaat onderwerp van geschil is en waarin het antwoord op de vragen die in deze procedure worden gesteld rechtstreeks van belang is om op de vordering(en) in die zaak te beslissen, op de voet van artikel 392 lid 6 Rv zullen worden aangehouden. De rechtbank heeft begrip voor het bezwaar ten aanzien van de kosten, maar ziet niet goed hoe hieraan tegemoet kan worden gekomen. Het huidige procesrecht biedt nu eenmaal de mogelijkheid in een individuele zaak prejudiciële vragen te stellen, maar in de wet is over de (additionele) kosten die dit voor partijen meebrengt geen bijzondere regeling opgenomen.

2.5.

[eiser] heeft de vraag naar voren gebracht of de rechtbank zich ervan op de hoogte heeft gesteld of de betreffende vragen in een reeds bij de Hoge Raad aanhangige cassatieprocedure zullen worden beantwoord. Voorop gesteld wordt dat het enkele feit dat de vragen, of één daarvan, reeds aan de orde zijn in een bij de Hoge Raad aanhangige procedure, niet aan het stellen van dezelfde vragen als prejudiciële vragen in de weg staat. Daarnaast wordt overwogen dat het de rechtbank bekend is dat ABN AMRO Bank N.V. cassatieberoep heeft ingesteld tegen het in rechtsoverweging 4.11 van het tussenvonnis genoemde arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 november 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:4946), maar dat niet alle in de onderhavige zaak te stellen vragen in die cassatieprocedure voorliggen.

2.6.

[eiser] heeft betoogd dat de relevante feiten in het tussenvonnis onvoldoende zijn afgebakend en dat ten onrechte niet is vastgesteld dat de relatie tussen Rabobank en [eiser] moet worden gekwalificeerd als een adviesrelatie en dat de advisering betrekking had op een complex product. Overwogen wordt dat op basis van de feiten zoals weergegeven in het tussenvonnis genoegzaam kan worden vastgesteld dat Rabobank jegens [eiser] niet alleen als aanbieder van financiële producten is opgetreden, maar ook als adviseur, zodat op haar jegens hem een (bijzondere) zorgplicht rustte. De rechtbank is echter – anders dan het gerechtshof Amsterdam – van oordeel dat de omstandigheid dat sprake is van een adviesrelatie (en de omstandigheid dat een combinatie van producten, een complex product, is aangeboden) niet van belang is voor de vraag of [eiser] terecht een beroep op dwaling kan doen, maar dat dit slechts relevant is indien de rechtbank gaat beoordelen of Rabobank haar (bijzondere) zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden (vgl. rechtbank Amsterdam, 8 juli 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:4286) en 23 maart 2016 (ECLI:RBAMS:2016:1508)). Ditzelfde geldt voor de opmerkingen die [eiser] maakt ten aanzien van de formulering van vraag 1.

2.7.

[eiser] heeft in zijn akte bezwaren naar voren gebracht tegen de overwegingen in het tussenvonnis ten aanzien van de dwalingsgronden met betrekking tot de rentevisie (rechtsoverwegingen 4.2 en 4.3) en de overhedge (4.4) en hij heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [eiser] geen nadeel heeft ondervonden van de renteswap (4.13 en 4.14). Voor zover hij daarmee beoogt de rechtbank bindende eindbeslissingen in het tussenvonnis te laten heroverwegen, wordt hieraan voorbij gegaan. Van bindende eindbeslissingen wordt alleen teruggekomen als aan de rechter is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke situatie zich hier niet voordoet.

Vraag 1 in het tussenvonnis

2.8.

Ten aanzien van de voorgenomen vraag 1 stelt Rabobank (en met haar, in andere bewoordingen, in feite ook [eiser] ) – terecht – vast dat het gerechtshof Amsterdam een ander en strenger criterium hanteert dan de rechtbank Amsterdam en het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch ten aanzien van de mededelingsplicht van artikel 6:228 lid 1 onder b Burgerlijk Wetboek (BW) en dat deze andere en strengere benadering van het gerechtshof Amsterdam berust op een verschil van inzicht over de vraag of en, zo ja, in hoeverre de bancaire zorgplicht, in het bijzonder de waarschuwings- en onderzoeksplicht en/of informatieplichten uit hoofde van de Wet op het financieel toezicht (Wft) en het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Bgfo), doorwerken in de aard en reikwijdte van de mededelingsplicht als bedoeld in artikel 6:228 lid 1 onder b BW (zie ook hiervoor onder 2.6).

De vraag van de rechtbank is er – zo constateert Rabobank terecht – op gericht duidelijkheid te verkrijgen of de lijn van de rechtbank (en van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch) de juiste is of de andere, strengere benadering van het gerechtshof Amsterdam. De bank heeft bij de voorgenomen vraag kanttekeningen geplaatst. Ten aanzien daarvan wordt het volgende overwogen:

  • -

    a) De bank stelt voor bij de vraagstelling uit te gaan van de situatie dat zowel schriftelijk als mondeling informatie kan zijn verstrekt. Voor de rechtbank is het vooral van belang te weten of het – ook – voldoende kan zijn dat de informatie alleen in algemene productinformatie wordt verstrekt, en heeft de vraag daarom op deze situatie toegespitst.

  • -

    b) De bank merkt op dat de vraag te weinig is toegespitst op de producten waar het nu om gaat: rentederivaten. De rechtbank zal in de vraagstelling verduidelijken dat de vraag wordt gesteld met het oog op rentederivaten.

Vraag 2 in het tussenvonnis

2.9.

Volgens [eiser] is het niet nodig vraag 2 te stellen omdat reeds vaste rechtspraak is dat benadeling niet is vereist voor een geslaagd beroep op dwaling. De rechtbank is zich hiervan bewust (verwezen wordt naar de vraagstelling), maar acht het stellen van de vraag, zoals al is overwogen in rechtsoverweging 4.15 van het tussenvonnis, desalniettemin wenselijk.

Verder merkt [eiser] op dat een beroep op dwaling in een dergelijk geval kan worden afgewezen wegens gebrek aan voldoende belang (artikel 3:303 BW) of op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Deze opmerking – die Rabobank ook heeft gemaakt (zie hierna) – geeft de rechtbank aanleiding een aanvullende vraag te stellen, zoals onder de beslissing vermeld.

2.10.

Rabobank stelt fundamentele wijzigingen voor ten aanzien van vraag 2 opdat de mogelijkheid open wordt gehouden dat de vraag wordt beantwoord via het causaliteits-vereiste. In dit verband heeft zij verwezen naar haar in rechtsoverweging 4.13 van het tussenvonnis weergegeven standpunt. Naar het oordeel van de rechtbank doen de voorgestelde wijzigingen geen recht aan de vragen die de rechtbank beantwoord wenst te zien en zij houdt daarom vast aan haar vraag 2, zoals hierna onder de beslissing vermeld. De rechtbank wordt nu eenmaal geconfronteerd met vele zaken waarin de betrokkene een beroep doet op dwaling onder verwijzing naar een – voor zijn/haar situatie – niet relevante bepaling in de algemene productinformatie, althans voor hem/haar niet relevante productkenmerken. Ten slotte wordt overwogen dat de vraag naar de causaliteit voldoende aan de orde komt in vraag 2 onder c sub (i).

2.11.

Rabobank stelt verder dat in de in vraag 2 beschreven situatie de vraag rijst of een voldoende belang (als bedoeld in artikel 3:303 BW) ontbreekt bij een beroep op dwaling en/of een beroep op dwaling leidt tot misbruik van recht (in de zin van artikel 3:13 BW) en/of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (op de voet van artikel 6:2 lid 2 en artikel 6:248 lid 2 BW). Deze vragen neemt de rechtbank over, aangezien zij van oordeel is dat dit in beginsel het geval is, maar zij graag van de Hoge Raad wil vernemen of dit oordeel juist is (zo mogelijk met vuistregels of gezichtspunten waarmee bij de beoordeling rekening moet worden gehouden).

2.12.

De bank stelt een hele andere vraag voor ten aanzien van artikel 6:230 lid 2 BW. De bank wil de Hoge Raad vragen of het nadeel in voldoende mate is opgeheven als de bank de bepalingen op grond waarvan de bank een negatieve marktwaarde in rekening had kunnen brengen buiten toepassing verklaart. De rechtbank volgt deze suggestie niet. De vraag is gesteld omdat naar het oordeel van de rechtbank het uitgangspunt dat het lijden van nadeel niet is vereist voor een geslaagd beroep op dwaling en het bepaalde in artikel 6:230 lid 2 BW zich slecht tot elkaar verhouden.

Vraag 3 in het tussenvonnis

2.13.

[eiser] heeft aangevoerd dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat Rabobank een wettelijke verplichting heeft om [eiser] te informeren over de in het swaptarief verwerkte marge. Voor zover dit betoog erop is gericht de rechtbank te bewegen tot aanpassing van de laatste van de voorgestelde vragen, of om van het stellen van de vraag af te zien, wordt hieraan voorbij gegaan. De desbetreffende vraag heeft betrekking op het kenbaarheidsvereiste in artikel 6:228 lid 1 aanhef en onder b BW – “in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten”. [eiser] heeft niet duidelijk gemaakt hoe een schending van Rabobank van de door [eiser] in dit verband naar voren gebrachte wettelijke verplichtingen, waarover de rechtbank in het tussenvonnis geen oordeel heeft gegeven, in de weg kan staan aan het stellen van de vraag. Immers, ook indien Rabobank in strijd met regelgeving geen mededelingen heeft gedaan over de marge in de swaprente, kan het zijn dat voor haar niet kenbaar was dat deze marge voor [eiser] ten tijde van het sluiten van de renteswap een rol speelde zodat niet is voldaan aan dit vereiste voor een geslaagd beroep op dwaling. De enkele overtreding van de regelgeving kan er naar het voorlopig oordeel van de rechtbank immers niet toe leiden dat het kenbaarheidsvereiste voor een geslaagd beroep op dwaling niet geldt en de rechtbank wil graag van de Hoge Raad vernemen of dit (voorlopige) oordeel juist is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat een overeengekomen swaptarief veelal het resultaat is van een onderhandelingsproces waarbij vele factoren over en weer een rol spelen en partijen niet altijd inzicht hebben in elkaars beweegredenen.

2.14.

Het voornemen om de laatste vraag te stellen is, zoals de bank terecht stelt, inderdaad ingegeven door het partijdebat over de marge die de bank heeft verdisconteerd in het rentetarief dat zij aan [eiser] in rekening heeft gebracht. De bank meent dat het stellen van een prejudiciële vraag niet nodig en mogelijk is, omdat het een zuiver feitelijke vraag betreft. De bank heeft mogelijk gelijk, maar de rechtbank zal de vraag toch aan de Hoge Raad voorleggen.

Aan beantwoording van de vraag bestaat behoefte, mede in het licht van de arresten van het gerechtshof Amsterdam (28 november 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4946, r.o. 2.24) en het gerechtshof Den Haag (14 februari 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:255), waarin zijdelings iets wordt overwogen over de in rekening gebrachte bankmarge. Het gerechtshof Den Haag overweegt (r.o. 9.3) dat de bank had moeten informeren (in niet mis te verstane bewoordingen) over de bijzondere risico’s van de door haar geadviseerde en verkochte producten, met name: (…) de bankmarges. Mogelijk kan de Hoge Raad bij de beantwoording van deze vraag die, zoals Rabobank terecht stelt, ook ziet op causaliteit en het kenbaarheidsvereiste – en die ook dikwijls aan de orde is in renteswapzaken – al dan niet in het kader van het grotere geheel waarbinnen deze vraag speelt (het aanbieden van rentederivaten door banken), met vuistregels of gezichtspunten komen waarmee bij de beoordeling rekening moet worden gehouden.

Artikel 392 Rv

2.15.

Artikel 392 lid 3, eerste volzin, Rv schrijft voor dat de beslissing waarbij de vragen worden gesteld ook het onderwerp van geschil, de door de rechter vastgestelde feiten en de door partijen ingenomen standpunten vermeldt.

2.15.1.

Voor het onderwerp van geschil wordt verwezen naar rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3 van het tussenvonnis.

2.15.2.

Voor de relevante feiten wordt verwezen naar rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.17 van het tussenvonnis.

2.16.

Artikel 392 lid 3, tweede volzin, Rv schrijft voor dat de beslissing waarbij de vragen worden gesteld tevens een uiteenzetting bevat dat met de beantwoording van de vragen wordt voldaan aan onderdeel a of b van het eerste lid.

2.16.1.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis in rechtsoverwegingen 4.10 tot en met (in het bijzonder) 4.13 reeds toegelicht dat in dit geval naar haar oordeel is voldaan aan zowel onderdeel a als onderdeel b van artikel 392 lid 1 Rv. Een antwoord op de onder de beslissing vermelde vragen is nodig om op de vorderingen van [eiser] te beslissen en is van rechtstreeks belang: (a) voor een veelheid aan vorderingsrechten die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en die uit dezelfde of soortgelijke samenhangende oorzaken voortkomen en (b) voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin zich (een of meer van) dezelfde vragen voordoen.

2.16.2.

Naast deze zaak zijn alleen al bij de rechtbank Amsterdam nog 26 zaken aanhangig waarin (de advisering rond) een rentederivaat onderwerp van geschil is. Er bestaat daarom maatschappelijke behoefte aan een richtinggevende uitspraak van de Hoge Raad.

2.17.

Zoals voorgeschreven in artikel 392 lid 5 Rv zal iedere verdere beslissing worden aangehouden totdat een afschrift van de beslissing van de Hoge Raad is ontvangen.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

stelt de Hoge Raad ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing de volgende rechtsvragen:

  1. Is aan de mededelingsplicht van artikel 6:228 lid 1 sub b BW voldaan indien in algemene productinformatie inlichtingen zijn gegeven waaruit door de wederpartij die zich redelijke inspanning getroost de wezenlijke kenmerken en risico’s van een rentederivaat als het onderhavige kunnen worden afgeleid die aan de dwaling ten grondslag worden gelegd, zoals in het onderhavige geval het risico dat het rentederivaat een (aanzienlijke) negatieve waarde kan ontwikkelen bij tussentijdse beëindiging? Zo niet, hoe verhoudt zich dat tot de in HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815 ( [partij] /Dexia) ontwikkelde jurisprudentie?

  2. (a) Kan met vrucht een beroep op dwaling worden gedaan indien de risico’s (kenmerken waarop een beroep op dwaling wordt gegrond) van een rentederivaat zich niet hebben verwezenlijkt en ook niet zullen verwezenlijken, of in het geval dat de wederpartij – de bank – aan de bepaling in de standaarddocumentatie die aan de dwaling ten grondslag wordt gelegd (zoals in het onderhavige geval geldt ten aanzien van de marginverplichtingen), geen uitvoering heeft gegeven (en toezegt daaraan ook geen uitvoering te zullen geven), kortom in gevallen waarin het aangaan van de overeenkomst (het rentederivaat) dus op geen enkele manier voor de dwalende enig nadelig gevolg heeft (gehad) of kan hebben?

(b) Zo nee, hoe verhoudt zich dat tot de jurisprudentie als ontwikkeld in HR 19 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9559 ( [partij] / [partij] ), r.o. 3.4 en HR 4 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7854 ( [partij] / [partij] ), r.o. 3.4.2?

(c) Zo ja, (i) hoe kan in een dergelijke situatie worden beoordeeld of aan het vereiste is voldaan dat de betrokkene de overeenkomst niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten, als de dwaling niet had plaatsgehad (zie wederom HR 4 september 2009 ( [partij] / [partij] ), r.o. 3.4.2) en (ii) hoe verhoudt zich dat tot het bepaalde in artikel 6:230 BW dat aan de wederpartij de mogelijkheid biedt om een vernietiging te voorkomen door een wijziging van de gevolgen van de overeenkomst voor te stellen die het nadeel opheft dat de tot vernietiging bevoegde bij instandhouding van de overeenkomst lijdt?

3. Indien de vraag onder 2 (a) bevestigend wordt beantwoord, rijst een aantal vervolgvragen:

(i) heeft [eiser] onder die omstandigheden een voldoende belang bij zijn op dwaling gebaseerde rechtsvordering zoals vereist in artikel 3:303 BW? en/of

(ii) resulteert een beroep op dwaling onder deze omstandigheden in misbruik van recht als bedoeld in artikel 3:13 BW? en/of

(iii) moet onder die omstandigheden worden geoordeeld dat het beroep op dwaling op de voet van artikel 6:2 lid 2 BW en artikel 6:248 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is?

4. Kan met vrucht een beroep worden gedaan op dwaling als niet is gebleken dat de productkenmerken waarover zou zijn gedwaald (in het onderhavige geval de omstandigheid dat in het swaptarief een opslag of bankmarge was verdisconteerd) ten tijde van het afsluiten van de renteswap aan de orde zijn geweest of een rol hebben gespeeld bij de overwegingen van de klant (vergelijk HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9398)?

3.2.

draagt de griffier op onverwijld een afschrift van dit vonnis en een afschrift van het tussenvonnis aan de Hoge Raad te zenden,

3.3.

draagt de griffier op afschriften van andere op de procedure betrekking hebbende stukken op diens verzoek aan de griffier van de Hoge Raad te zenden,

3.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.E. van der Pol en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2018.