Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6680

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
11-11-2019
Zaaknummer
13/751431-18
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Belgisch executie-EAB, doorlevering, via Nederland van Spanje naar Belgie, Frans vonnis overgenomen door Belgie, strafrestant, overleveringsdetentie, art 12 OLW, detentieomstandigheden Belgie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751431-18

RK nummer: 18/3596

Datum uitspraak: 13 september 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 juni 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 22 maart 2018 door het Parket van de Procureur des Konings te Brussel in België en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] in België op [geboortedag] 1963,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting: [detentieadres],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Op 29 mei 2018 is de opgeëiste persoon vanuit Spanje aan Nederland overgeleverd. Voor doorlevering aan België is op grond van artikel 28 Kaderbesluit 2002/584/JBZ, toestemming vereist van de Spaanse autoriteiten. Deze toestemming is op 23 mei 2018 gegeven door de Juzgado Central de Instruccion no 005 te Madrid. Op 24 juli 2018 is de toestemming inclusief Engelse toelichting verzonden aan het Openbaar Ministerie.

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 juli 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J. Asbroek.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. N. Hendriksen, advocaat te Hoorn en door een tolk in de Franse taal.

De rechtbank heeft op 24 juli 2018 het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde – gelet op de stakingen door gevangenispersoneel – meer duidelijkheid te verkrijgen over de uitkomst van de onderhandelingen omtrent de nieuwe regelgeving en de (structurele) gevolgen hiervan voor de detentieomstandigheden in België.

De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 23 augustus 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. N. Hendriksen en door een tolk in de Franse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met 30 dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

De rechtbank heeft op 24 augustus 2018 tussenuitspraak gewezen en het onderzoek heropend en geschorst tot de zitting van 30 augustus 2018 om 14:30 uur, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de Belgische autoriteiten te vragen hoelang de opgeëiste persoon in overleveringsdetentie heeft gezeten en welke straf resteert als met de duur van die overleveringsdetentie rekening wordt gehouden.

De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 30 augustus 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. J.C. Duin, advocaat te Hoorn, als waarnemer voor mr. N. Hendriksen en door een tolk in de Franse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Belgische nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis nr. 311/80/17 van de Strafuitvoeringsrechtbank van Brussel d.d. 28 juli 2017 tot herroeping van het elektronisch toezicht en gewijzigd bij vonnis van 2 oktober 2017. Aan dit vonnis liggen drie veroordelende vonnissen ten grondslag waarbij aan de opgeëiste personen vrijheidsstraffen zijn opgelegd.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van die straffen.

Het betreft hier de volgende vonnissen:

1. vonnis van 12 november 2008 van de correctionele rechtbank van Brussel waarbij een vrijheidsstraf voor de duur van 3 jaar is opgelegd, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat;

2. vonnis van 18 november 2011 van de correctionele rechtbank van Brussel waarbij een vrijheidsstraf voor de duur van 40 maanden is opgelegd, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat;

3. vonnis van 13 juli 2015 van de correctionele rechtbank van Besançon (Frankrijk) waarbij een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar is opgelegd, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.

Uit aanvullende informatie van de Belgische autoriteiten, gedateerd 26 juni 2018, volgt dat bij vonnis van 28 juni 2017 (ref. 311/80/17) het eerder opgelegde elektronisch toezicht is herroepen. Bij vonnis van 2 oktober 2017 is de geboortedatum van de opgeëiste persoon verbeterd.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft verder bij e-mail van 28 juni 2018 verklaard:

Strafrestant: op het ogenblik van zijn ontvluchting, namelijk op 14/06/2017, bleven er nog 1099 dagen strafrestant te ondergaan (informatie vanwege de gevangenis te Ittre (België) d.d. 28/06/2018).

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de juistheid van dit strafrestant van 1099 dagen desgevraagd bevestigd bij e-mail van 29 augustus 2018.

Vonnissen 1 tot en met 3 betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat onduidelijk is hoe het strafrestant van 1099 dagen is berekend. Zo is onduidelijk of de periode die de opgeëiste persoon in overleveringsdetentie in Italië, Spanje en Nederland heeft doorgebracht, is meegerekend. Daarnaast gold het strafrestant ten tijde van het vertrek van de opgeëiste persoon uit België. Onduidelijk is dan ook of de Franse sanctie al in het strafrestant is verdisconteerd. Indien wordt aangenomen dat de opgeëiste persoon de Franse straf niet meer hoeft te ondergaan, is volstrekt onduidelijk in welke periode hij voor de twee Belgische straffen exact in detentie heeft verbleven en hoe de voorwaardelijke invrijheidstelling is berekend. Uit een door de verdediging overgelegd stuk van het Belgisch Openbaar Ministerie van 2 augustus 2018 blijkt voorts dat – indien rekening wordt gehouden met de perioden die de opgeëiste persoon in Italië, Spanje en Nederland in overleveringsdetentie heeft doorgebracht, en de straf in Frankrijk niet meeweegt – de opgeëiste persoon veel langer in overleveringsdetentie heeft doorgebracht dan de duur van de straf, althans de straf volledig heeft uitgezeten.

Verder heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de executie van de Franse straf niet daadwerkelijk is overgedragen aan België. In 2017 heeft Frankrijk immers om overlevering van de opgeëiste persoon gevraagd, wat door Italië werd geweigerd. Derhalve kan de opgeëiste persoon niet voor deze straf worden overgeleverd.

De verdediging heeft zich ook op het standpunt gesteld dat het schenden van voorwaarden die aan een invrijheidstelling zijn verbonden naar Belgisch recht niet betekent dat een gedetineerde zijn volledige straf moet uitzitten.

3.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de Belgische autoriteiten eerst bij e-mail van 28 juni 2018 en vervolgens bij e-mail van 29 augustus 2018 – naar aanleiding van het door de verdediging overgelegde stuk van 2 augustus 2018 – te kennen hebben gegeven dat het strafrestant 1099 dagen bedraagt. Ter onderbouwing hebben de Belgische autoriteiten een registratiekaart meegezonden waarin dit strafrestant eveneens is opgenomen. Gelet op het vertrouwensbeginsel moet ervan worden uitgegaan dat deze informatie juist is. Weliswaar heeft de opgeëiste persoon inderdaad enige tijd in overleveringsdetentie doorgebracht en moet dit in mindering worden gebracht op de nog uit te zitten straf, maar zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat hij een jaar in overleveringsdetentie heeft doorgebracht, blijft een strafrestant over. Wat betreft de voorwaardelijke invrijheidstelling geldt dat het aan de Belgische autoriteiten is om te bepalen of de voorwaarden zijn geschonden.

De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat op grond van het vertrouwensbeginsel ervan moet worden uitgegaan dat de Belgische autoriteiten de Franse straf hebben overgenomen.

3.3.

Oordeel van de rechtbank


Bij mail van 28 juni hebben de Belgische autoriteiten bevestigd dat de executie van het vonnis van de correctionele rechtbank van Besançon van 13 juli 2015 is overgenomen door België. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet de rechtbank er van uitgaan dat deze informatie correct is. Bovendien heeft de opgeëiste persoon niet aangevoerd waarom deze mededeling van de Belgische autoriteiten onjuist zou zijn. Daar komt bij dat de strafovername volgt uit de op 29 augustus 2018 toegezonden ‘opsluitingsfiche’ van de gevangenis in Ittre, waarin onder ‘Title 4’ het vonnis is vermeld van het ‘cour appel de besançon en france’ van 13 juli 2015 en waaruit tevens blijkt dat de tenuitvoerlegging van het Franse vonnis het gevolg is van het niet terugkeren van de opgeëiste persoon naar Frankrijk.

De Belgische autoriteiten hebben bij e-mail van 28 juni 2018 kenbaar gemaakt dat ten tijde van de ontsnapping van de opgeëiste persoon op 14 juni 2017, het strafrestant 1099 dagen bedroeg. De verdediging heeft op de zitting van 23 augustus 2018 een stuk overgelegd waaruit zou blijken dat de opgeëiste persoon de straffen reeds volledig heeft uitgezeten. Het Openbaar Ministerie heeft dit stuk aan de Belgische autoriteiten voorgelegd, wat heeft geleid tot een e-mail van 29 augustus 2018 met opnieuw de mededeling dat er 1099 dagen resteren. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid deze informatie.

Nu gebleken is dat er sinds de ontsnapping van de opgeëiste persoon slechts 457 van de 1099 dagen zijn verstreken, verwerpt de rechtbank het verweer dat de volledige straf inmiddels is uitgezeten. De vraag of de opgeëiste persoon eventueel opnieuw in aanmerking komt voor een voorwaardelijke invrijheidsstelling, zal in België moeten worden beantwoord.

De conclusie is dan ook dat niet is gebleken dat de vrijheidsstraffen volledig ten uitvoer zijn gelegd.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Bij brief van 26 juni 2018 hebben de Belgische autoriteiten nadere informatie verstrekt, over de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij de zittingen die hebben geleid tot vonnis 1 tot en met 3. Daaruit blijkt het volgende.

De opgeëiste persoon is in persoon verschenen bij de zittingen die hebben geleid tot de vonnissen van 18 november 2011 en 13 juli 2015. Artikel 12 OLW is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet op die vonnissen van toepassing.

De opgeëiste persoon is niet in persoon verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis van 12 november 2008 heeft geleid. Wel heeft hij een door hem gekozen of een hem van overheidswege toegewezen advocaat gemachtigd zijn verdediging te voeren en die advocaat heeft ter terechtzitting zijn verdediging gevoerd. Bij e-mail van 28 juni 2018 hebben de Belgische autoriteiten bevestigd dat de opgeëiste persoon zijn raadsman persoonlijk heeft gemachtigd, Aldus heeft zich de in artikel 12 sub b OLW genoemde omstandigheid voorgedaan.

Conclusie is dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is.

5 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1, 5, 20, 23, en 26, te weten:

- Deelneming aan een criminele organisatie;

- Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;

- Oplichting;

- Vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten;

- Handel in gestolen voertuigen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6 Detentieomstandigheden België

6.1.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat – ondanks de beëindiging van de stakingen – de omstandigheden in Belgische gevangenissen nog onvoldoende zijn om te voldoen aan de eisen die worden gesteld bij artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).

6.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van schending van artikel 4 van het Handvest. Er wordt momenteel niet gestaakt en de Belgische rechters schromen niet om gevangenen in vrijheid te stellen als er door stakingen een situatie ontstaat waarin mensenrechten worden geschonden.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 14 augustus 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:5937), waarin is geoordeeld dat er op dit moment geen sprake is van stakingen en dat de kans daarop ook niet meer reëel is, waardoor er geen sprake is van een toestand die strijdig is met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5, 7, 12 van de Overleveringswet.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Parket van de Procureur des Konings te Brussel ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. A.W.C.M van Emmerik en I. Verstraeten-Jochemsen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 13 september 2018.

Verklaart de oudste rechter buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.