Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6663

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
09-10-2018
Zaaknummer
13/741178-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ISD

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/741178-17; 13/741086-16 (TUL), 13/741079-17 (TUL), 13/741177-16 (TUL) (Promis)

Datum uitspraak: 11 september 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1984,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] ,

gedetineerd in [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.A. Kloos en van wat verdachte en zijn raadsman mr. F. Pool naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 26 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (zijn ex-vriendin) [persoon 1] , heeft mishandeld, bestaande deze mishandeling uit het eenmaal of meermalen slaan en/of stompen in/tegen het gezicht/hoofd en/of tegen de nek en/of tegen de (linker)schouder, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [persoon 1] ;

2.

(gevoegde zaak 741007-18)

hij op of omstreeks 2 januari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [persoon 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit het onverhoeds zoenen op het hoofd van voornoemde [persoon 2] en/of uit het onverhoeds betasten van de billen van voornoemde [persoon 2] en/of het onverhoeds knijpen in de billen van voornoemde [persoon 2] ;

3.

(gevoegde zaak 741007-18)

hij op of omstreeks 5 januari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [persoon 3] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of lichaam van voornoemde [persoon 3] ;

4.

(gevoegde zaak 13/741007-18)

hij op of omstreeks 17 december 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [persoon 4] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit het onverhoeds zoenen op de wang en/of het gezicht van voornoemde [persoon 4] en/of uit het onverhoeds betasten van de borst en/of de zij en/of de billen en/of het kruis, in elk geval het lichaam van voornoemde [persoon 4] en/of het onverhoeds knijpen in de billen van voornoemde [persoon 4] ;

5.

(Gevoegde zaak 741.105-18)

hij op of omstreeks 26 mei 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zijn kind (met een leeftijd van 5 jaar oud), te weten [kind verdachte] , heeft mishandeld, bestaande deze mishandeling uit het eenmaal of meermalen

- gooien en/of duwen en/of gedrukt houden van voornoemde [kind verdachte] op/tegen de grond en/of een muur en/of een hek, in elk geval tegen een hard voorwerp en/of

- vastpakken en/of vastgepakt houden en/of (over de vloer) meesleuren aan de (boven)arm(en) en/of nek/hals van voornoemde [kind verdachte] .

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle 5. ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd.

Voor bewezenverklaring van het onder 1. ten laste gelegde bevat het dossier een aangifte van het slachtoffer [persoon 1] , een verklaring van getuige [getuige 1] en een letselbeschrijving.

Voor het onder 2. ten laste gelegde zijn er de aangifte van het slachtoffer [persoon 2] en de verklaring van getuige [getuige 2] . Hoewel voor het onder 4. ten laste gelegde naast de aangifte van het slachtoffer verder geen direct bewijsmiddel in het dossier zit, is er wel de verklaring van de getuige [getuige 3] die in de winkel komt, het slachtoffer zeer ontdaan aantreft en van haar hoort wat er is gebeurd. Verdachte is op het moment dat de getuige binnenkomt nog in de zaak en komt later ook nog terug. In onderling verband en samenhang beschouwd met het onder 2. ten laste gelegde kan ook dit feit wettig en overtuigend worden bewezen.

Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde is er aangifte gedaan door het slachtoffer [persoon 3] . In het dossier zit verder een beschrijving van haar letsel. Verdachte heeft de lezing van het slachtoffer, dat zij zijn ketting had afgepakt, bevestigd. Gelet daarop kan de mishandeling dan ook worden bewezen.

Voor het onder 5. ten laste gelegde bevat het dossier drie verklaringen, van getuigen [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6] . Onduidelijk is in hoeverre het zoontje van verdachte letsel heeft opgelopen. Maar op basis van de getuigenverklaringen en de aangifte van de moeder van het jongetje, is het meer dan aannemelijk te achten dat hij pijn heeft gehad door wat verdachte heeft gedaan.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van alle hem tenlastegelegde feiten.

Met betrekking tot feit 1. heeft de raadsman aangevoerd dat de lezingen van verdachte en [persoon 1] over het gebeuren verschillen. Hoewel de verbalisant een klein sneetje bij haar neus heeft waargenomen, verhoudt dit zich niet tot het geweld waarover [persoon 1] in haar aangifte heeft verklaard. Haar letsel zou in dat geval veel ernstiger moeten zijn geweest. Het sneetje past wel bij de verklaring die verdachte heeft afgelegd over wat er is gebeurd. Zijn ex-vriendin heeft hem aangevallen. Zij is de agressor geweest. De verklaringen van aangeefster en getuige [getuige 1] zijn onbetrouwbaar en daarom dient vrijspraak te volgen.

Verdachte ontkent de beschuldigingen zoals onder 2. en 4. ten laste zijn gelegd. Wel erkent hij dat zijn hand per ongeluk op de billen van [persoon 2] terecht is gekomen. Verdachte is gewoon zeer enthousiast geweest. Hij heeft geen opzet gehad. Er was geen sprake van seksuele intenties of het uitoefenen van dwang.

Aangeefster [persoon 4] heeft pas enkele weken na het vermeende feit aangifte gedaan. Dit is opmerkelijk te noemen. Tijdens het informatief gesprek zeden verklaarde zij namelijk dat zij niet wilde dat de man nog eens zoiets zou doen. In dat geval had zij meteen aangifte moeten doen. Uit de verklaring van [persoon 4] blijkt niet duidelijk of zij alleen in de bakkerij was met verdachte ten tijde van het gebeuren. Klanten die mogelijk nog in de winkel zijn geweest, zijn onbekend gebleven. De getuige [getuige 3] twijfelt in haar verklaring over enkele zaken.

Ten aanzien van feit 2. heeft de politie geen onderzoek gedaan naar de man met wie verdachte in de zaak was. [persoon 2] heeft verklaard dat verdachte ook medewerksters van de drogisterij naast de bakkerij zou hebben lastig gevallen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 18 mei 2018 blijkt echter dat zij daar nooit last van hem hebben gehad.

Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde bevat het dossier enkel de verklaringen van aangeefster en van verdachte. Daarom moet verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 5. ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de drie getuigen elkaar kenden. Het is onwaarschijnlijk dat, als is gebeurd wat de getuigen hebben verklaard, geen enkele omstander heeft ingegrepen. Er is geen letsel vastgesteld bij de zoon van verdachte. Zijn moeder heeft naderhand verklaard dat het goed met hem ging. De verklaring van de oma lijkt dan ook aannemelijk, dat alles enorm is opgeblazen. Bij gebrek aan overtuigend bewijs moet verdachte dan ook worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak van het onder 3. ten laste gelegde

De rechtbank acht niet bewezen wat onder 3. is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt dat, gelet op de stukken in het dossier, er iets is voorgevallen tussen verdachte en aangeefster [persoon 3] . De rechtbank is van oordeel dat daarmee alleen nog niet kan worden gezegd dat verdachte aangeefster ook heeft mishandeld. Het dossier bevat hiervoor enkel de verklaring van aangeefster. In het dossier zit een foto van de rechterzijde van het gezicht van aangeefster waarop een kras naast haar mondhoek te zien is. Dit letsel sluit naar het oordeel van de rechtbank niet één op één aan op wat aangeefster over de mishandeling heeft verklaard. Zij heeft verklaard dat verdachte een harde klap op haar rechterkaak gaf met zijn vuist.

4.3.2

Het oordeel over het onder 1. ten laste gelegde

Uit de stukken in het dossier leidt de rechtbank af dat tussen verdachte en zijn ex-vriendin [persoon 1] sprake is van een moeizame relatie. Op 26 juli 2017 troffen beide elkaar in het park en kregen een discussie. Op enig moment heeft verdachte zijn ex-vriendin geslagen. Verdachte heeft dit zelf ter zitting ook erkend. Aangeefster heeft hierdoor letsel opgelopen. De lezing van verdachte dat hij heeft geslagen in reactie op een aanval van aangeefster acht de rechtbank, gelet op de verklaring van de getuige [getuige 1] , onaannemelijk. De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4.3.3

Het oordeel over het onder 2. en 4. ten laste gelegde

Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij op twee momenten in de bakkerij is geweest, waar de slachtoffers werken. De eerste keer (de rechtbank begrijpt: 17 december 2017) heeft hij om een tosti en een chocomel gevraagd en die gratis gekregen, aldus zijn eigen verklaring. Deze lezing komt niet overeen met die van slachtoffer [persoon 4] . Zij beschrijft dat de man, met een tatoeage van een krokodil in zijn gezicht, zeer dwingend was en vroeg of hij alles gratis mocht hebben. Verdachte heeft ter zitting ontkend bij deze gelegenheid het slachtoffer te hebben aangeraakt. De rechtbank hecht geen waarde aan deze ontkenning. Hoewel er naast de aangifte van het slachtoffer geen direct bewijs in het dossier voorhanden is, beschouwt de rechtbank dit feit in onderling verband en samenhang bezien met het onder 2. ten laste gelegde. Dat feit is kort na het onder 4. ten laste gelegde feit gepleegd. De leidinggevende van de bakkerij, [getuige 2] , die op 2 januari 2018 werkzaam was, wist van het gebeuren op 17 december 2017 met [persoon 4] . Ook was zij op de hoogte van het signalement van de dader. Op 2 januari 2018 kwam verdachte wederom in de zaak. Verdachte heeft zich toen vrijwel hetzelfde gedragen als op 17 december 2017. Zijn verklaring dat hij het slachtoffer [persoon 2] heeft gevraagd of hij haar een knuffel mocht geven en dat zij hem dat toestond, gelooft de rechtbank niet. De rechtbank stelt op grond van de aangifte van [persoon 2] en de verklaring van [getuige 2] vast dat sprake is geweest van dwang. In het verlengde van die verklaringen komt de rechtbank ook tot een bewezenverklaring van het onder 2. ten laste gelegde.

4.3.4

Het oordeel over het onder 5. ten laste gelegde

Verdachte heeft ontkend zijn zoontje [kind verdachte] te hebben mishandeld. Het dossier bevat een 112 melding, dat een vader een klein kind over de vloer had getrokken. Verder zijn er drie getuigen geweest die de mishandeling hebben gezien en daarover een verklaring hebben afgelegd. De rechtbank volgt verdachte niet in zijn lezing dat sprake zou zijn van een samenzwering tussen deze drie getuigen om hem, verdachte, onder de aandacht van de politie te brengen. De rechtbank acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat onduidelijk is in hoeverre sprake was van letsel bij [kind verdachte] . Wel is voorstelbaar dat hij pijn heeft gehad ten gevolge van de handelingen van verdachte.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

op 26 juli 2017 te Amsterdam, zijn ex-vriendin, [persoon 1] , heeft mishandeld, bestaande deze mishandeling uit het meermalen slaan in/tegen het gezicht/hoofd van voornoemde [persoon 1] ;

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde

op 2 januari 2018 te Amsterdam, door feitelijkheden [persoon 2] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het onverhoeds zoenen op het hoofd van voornoemde [persoon 2] en uit het onverhoeds betasten van de bil van voornoemde [persoon 2] en het onverhoeds knijpen in de bil van voornoemde [persoon 2] ;

Ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde

op 17 december 2017 te Amsterdam, door feitelijkheden [persoon 4] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het onverhoeds zoenen op de wang van voornoemde [persoon 4] en uit het onverhoeds betasten van de borst en de zij en de bil en het kruis van voornoemde [persoon 4] en het onverhoeds knijpen in de bil van voornoemde [persoon 4] ;

Ten aanzien van het onder 5. ten laste gelegde

op 26 mei 2018 te Amsterdam, zijn kind van 5 jaar oud, te weten [kind verdachte] , heeft mishandeld, bestaande deze mishandeling uit het

- duwen van voornoemde [kind verdachte] tegen een muur of een hek, en

- vastpakken en over de vloer meesleuren van voornoemde [kind verdachte] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van

2 jaar, zonder aftrek van voorarrest.

Gelet op deze vordering heeft de officier van justitie afwijzing van de drie vorderingen tot tenuitvoerlegging gevraagd. Daarnaast heeft de officier van justitie toewijzing van de vordering van de benadeelde partij (met wettelijke rente) gevorderd, met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft als strafmaatverweer naar voren gebracht dat, mocht de rechtbank niet komen tot een integrale vrijspraak, aan verdachte een straf dient te worden opgelegd die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering van de officier van justitie tot oplegging van de ISD-maatregel af te wijzen en het reclasseringstoezicht dat bij een eerdere veroordeling aan verdachte is opgelegd, voort te zetten. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht de ISD-maatregel in voorwaardelijke vorm op te leggen en meest subsidiair om deze maatregel voor de duur van 1 jaar op te leggen, met aftrek van voorarrest.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op twee verschillende momenten schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn ex-vriendin, tevens moeder van zijn 5-jarige zoontje, en van zijn zoontje zelf. Hierdoor heeft zijn ex-vriendin licht letsel opgelopen en zijn zoontje pijn ondervonden. Gewelddadige incidenten maken een grote indruk op mensen en in het bijzonder ook op jonge kinderen, zeker als daarbij naasten zijn betrokken. De rechtbank vindt dit zeer ernstige en zorgelijke feiten. Het is niet de eerste keer dat verdachte zich schuldig maakt aan geweld.

Het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie van 6 augustus 2018 laat zien dat verdachte al eerder wegens soortgelijke feiten, en ook ‘huiselijk geweld’, is veroordeeld.

Daarnaast heeft verdachte zich op twee verschillende momenten schuldig gemaakt aan seksueel grensoverschrijdend gedrag ten opzichte van twee medewerksters van een bakkerij. Hij heeft hen, telkens op klaarlichte dag, tijdens hun werkzaamheden in de zaak, onverhoeds gezoend, betast en geknepen. Verdachte heeft respectloos gehandeld richting aangeefsters en hun recht op lichamelijke integriteit ondergeschikt gemaakt aan de kennelijk bij hem bestaande gevoelens van lust. Hij heeft daarbij op geen enkel moment rekening gehouden met de mogelijke impact daarvan op aangeefsters.

Uit voornoemd uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat verdachte, weliswaar al langer geleden, veroordeeld is wegens een zedendelict. Daarnaast laat het persoonsgebonden overzicht ten aanzien van verdachte in de ‘Aanpak Top 600’ van 18 mei 2018 zien dat op het gebied van zeden sprake is van enkele mutaties van recenter datum.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de adviesrapporten van 12 januari 2018, 30 mei 2018 en 13 juli 2018. De eerste twee rapporten zijn opgemaakt door M. Blok, het laatste door

M.T. Benghanem, beide reclasseringswerkers bij Reclassering Nederland.

Het adviesrapport van 12 januari 2018, opgemaakt naar aanleiding van feit 1., houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in dat het reclasseringstoezicht, waarvan sprake was sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis in feit 1. en in lopende voorwaardelijke veroordelingen – moeizaam verloopt. Verdachte vertoont grensoverschrijdend gedrag en laat zich binnen het toezicht nauwelijks sturen. Overwogen wordt dat hij voldoet aan de harde ISD-criteria, maar (nog) niet aan de zachte criteria. Omdat verdachte zijn meldplichtafspraken nakomt en er wordt getracht in ambulant kader diagnostiek en behandeling te laten plaatsvinden is het advies op dat moment om verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en nog geen ISD-maatregel.

Het (aanvullend) adviesrapport van 30 mei 2018 houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in dat bij verdachte sprake is van complexe problematiek. Verdachte heeft eerder nog een kans gekregen om in ambulant kader deel te nemen aan diagnostiek en behandeling. Dit traject verliep niet zoals gewenst. Verdachte verscheen niet op het intakegesprek en evenmin op daarna volgende meldplichtafspraken. De reclassering overweegt dat een ambulant kader voor verdachte te vrijblijvend is. Het biedt hem onvoldoende structuur om het risico op recidive en gevaar in te perken en een behandeltraject op langere termijn succesvol te laten zijn. Daarom wordt oplegging van de ISD-maatregel geadviseerd. Enerzijds om de veiligheid van de maatschappij te waarborgen, anderzijds om binnen de intramurale structuur middels diagnostiek en behandeling een fundament te leggen voor gedragsverandering.

In het adviesrapport van 13 juli 2018 tenslotte, opgemaakt naar aanleiding van feit 5., wordt verwezen naar de inhoud van voornoemde twee adviesrapporten. Het advies houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in dat bij verdachte jarenlang sprake is van een ernstig problematisch patroon van meervoudige problematiek (intellectuele problemen, persoonlijkheidsproblematiek, middelengebruik, sociaal maatschappelijke problemen) en grensoverschrijdend gedrag (agressieproblematiek en veelvuldige justitiecontacten). Verdachte is binnen een regulier kader niet te begeleiden en te behandelen. Aangesloten wordt bij het op 30 mei 2018 uitgebrachte advies om over te gaan tot het opleggen van een ISD-maatregel. De kans op recidive wordt hoog ingeschat.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van

28 februari 2018, opgemaakt door 1e toezichthouder J. Moll, verbonden aan Reclassering Nederland. Dit advies betreft de tenuitvoerleggingen van de voorwaardelijke straffen, opgelegd in de zaken met parketnummers 13/741079-17 en 13/741177-16. De reclassering is van mening dat verdachte onvoldoende heeft meegewerkt aan de voorwaarden.

Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van het ISD-trajectconsult van 6 juni 2018 van verdachte, opgemaakt door P.P. de Kloe, psychiater, verbonden aan Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie. Hieruit volgt dat in eerder onderzoek bij verdachte is vastgesteld dat er sprake is van zwakbegaafdheid en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Verslavingsproblematiek is niet uit te sluiten. Behandeling kan binnen ISD-kader worden vormgegeven.

Ter terechtzitting zijn de heer J.J. Moll, reclasseringswerker en 1e toezichthouder van verdachte, en mevrouw M. Blok, adviseur, beide verbonden aan Reclassering Nederland, als deskundigen gehoord.

Beide hebben de inhoud van de opgestelde adviezen bevestigd. Moll heeft verklaard dat behandeling van verdachte essentieel is om verder te komen met hem. Blok heeft verklaard dat binnen de ISD-maatregel diagnostiek kan worden verricht en dat daarop verder kan worden gegaan. Eén en ander zou kunnen leiden tot doorplaatsing van verdachte naar een kliniek.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van

6 augustus 2018 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de periode

26 juli 2017 tot 26 mei 2018 meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf/maatregel, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen/maatregelen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens voornoemd uittreksel Justitiële Documentatie is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. De rechtbank ziet geen reden om deze maatregel niet op te leggen. Zij zal daarom de officier van justitie op dit punt van de vordering volgen.

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

De rechtbank realiseert zich dat de ISD-maatregel nu voor een tweede keer aan verdachte wordt opgelegd. Die enkele omstandigheid is echter geen reden om af te zien van het opleggen van de maatregel. De rechtbank ziet, op basis van de adviesrapporten van de Reclassering, namelijk geen alternatief voor verdachte. In het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis ten aanzien van feit 1 en de eerder opgelegde voorwaardelijke veroordelingen, heeft de Reclassering zich uitgebreid bemoeid met verdachte. Er is lang het nodige met hem geprobeerd. De conclusie van de Reclassering is nu dat een dwang- in plaats van een drangkader noodzakelijk is voor verdachte. Binnen het kader van de ISD-maatregel kan diagnostiek plaatsvinden, wat hopelijk kan leiden tot goede behandelmogelijkheden van de problematiek van verdachte. De rechtbank overweegt hierbij dat zij een zorgelijke ontwikkeling op het gebied van zedenfeiten constateert en vraagt hiervoor aandacht. Bij de diagnostiek dient hieraan, naar het oordeel van de rechtbank, ook aandacht te worden besteed.

Of de maatregel uiteindelijk slechts is opgelegd ter bescherming van de maatschappij, of dat deze ook zal leiden tot een gedragsverandering bij verdachte, valt of staat met de medewerking van verdachte zelf. De rechtbank spreekt de hoop uit dat verdachte de mogelijkheden die hem binnen de maatregel kunnen worden geboden, met beide handen zal aangrijpen. Alleen dan zal zijn leven een andere wending kunnen nemen en kan hij de vader zijn die hij voor zijn zoon graag wil zijn.

Ten aanzien van de benadeelde partij

De wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij [kind verdachte] , [persoon 1] , vordert € 400,- (vierhonderd euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is betwist.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Fysiek letsel kan op basis van de stukken door de rechtbank niet worden vastgesteld. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling 13/741086-16

Bij de stukken bevindt zich de op 3 augustus 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/741086-16, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van

10 november 2016 van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. Verdachte is daarbij veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

Nu de rechtbank een onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte zal opleggen, is er echter aanleiding om de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf af te wijzen.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling 13/741079-17

Bij de stukken bevindt zich de op 3 augustus 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/741079-17, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 22 mei 2017 van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. Verdachte is daarbij veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

Nu de rechtbank een onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte zal opleggen, is er echter aanleiding om de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf af te wijzen.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling 13/741177-16

Bij de stukken bevindt zich de op 3 augustus 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/741177-16, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 19 mei 2017 van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. Verdachte is daarbij veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 dagen met aftrek, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 20 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verder inhoud van dit vonnis.

Nu de rechtbank een onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte zal opleggen, is er echter aanleiding om de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf af te wijzen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 57, 246, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het onder 3. ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1., 2., 4. en 5. ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1. bewezen verklaarde

Mishandeling.

Ten aanzien van het onder 2. en 4. bewezen verklaarde

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 5. bewezen verklaarde

Mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaar.

Verklaart [persoon 1] wettelijk vertegenwoordiger van [kind verdachte] ) niet-ontvankelijk in de vordering.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/741086-16 af.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/741079-17 af.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/741177-16 af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. C.M. Berkhout en C.C.M. Oude Hengel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.M. Noomen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 september 2018.

De jongste rechter is buiten staat te tekenen.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]