Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6652

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
27-09-2018
Zaaknummer
13/684257-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen straatroof en mishandeling tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/684257-17, 13/176703-16 (TUL) en 10/175723-15 (TUL) (Promis)

Datum uitspraak: 23 augustus 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

Geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 augustus 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. P. van Laere, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.M.F.R. Ketwaru, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 2 juni 2017 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan aanranding (feit 1) en mishandeling (feit 2) van [slachtoffer] , en daarnaast dat hij kristallen beeldjes en een ornament van [slachtoffer] heeft vernield (feit 3).

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier voldoende bewijs bevat dat verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan. De verklaringen van aangeefster worden ondersteund door de zich in het dossier bevindende WhatsAppgesprekken tussen verdachte en aangeefster, de letselverklaring en de zich in het dossier bevindende foto’s van het letsel van aangeefster en van de vernielde kristallen beeldjes en het ornament. De verklaring van verdachte dat het letsel van aangeefster door een ander zou zijn toegebracht is ongeloofwaardig. Bovendien heeft verdachte bekend dat hij haar woning ‘heeft verbouwd’ door met kussens te gooien en de kristallen beeldjes van tafel te vegen. Alle ten laste gelegde feiten kunnen dan ook worden bewezen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken, wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd.

De onder feit 1 ten laste gelegde ontuchtige handelingen kunnen niet worden bewezen, aangezien verdachte ontkent die handelingen te hebben gepleegd en het dossier daarvoor, naast de verklaringen van aangeefster, geen (steun)bewijs bevat.

Verdachte ontkent ook de onder 2 ten laste gelegde mishandeling te hebben gepleegd. De verklaringen van aangeefster worden verder niet ondersteund door de zich in het dossier bevindende letselverklaring of andere bewijsmiddelen. Ten aanzien van de letselverklaring geldt dat de arts bij het opstellen daarvan is uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken, aangezien de informatie die aangeefster aan de arts heeft verstrekt niet overeen komt met haar verklaringen zoals afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris. De letselverklaring kan daarom niet voor het bewijs worden gebruikt. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar met kussens heeft geslagen en dat hij haar één keer met de vuist tegen haar borstbeen heeft geslagen. Indien de rechtbank daarvan uitgaat, geldt dat het geconstateerde letsel niet door het slaan met een kussen kan zijn veroorzaakt. Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat een ander dan verdachte, mogelijk de ex van aangeefster, het letsel heeft toegebracht.

Ten aanzien van de onder 3 ten laste gelegde vernieling heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak van feit 1

De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie – het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen. Aangeefster verklaart dat verdachte haar op 2 juni 2017 in haar woning hard heeft vastgepakt, achterover heeft geduwd en haar vervolgens heeft geprobeerd een tongzoen te geven. Verdachte ontkent aangeefster fysiek te hebben aangeraakt. De verklaringen van aangeefster en verdachte staan lijnrecht tegenover elkaar. De rechtbank dient te beoordelen of het dossier voldoende steunbewijs bevat voor de belastende verklaring van aangeefster. Anders dan door de officier van justitie is betoogd, kan deze steun niet worden gevonden in de WhatsAppgesprekken en de letselverklaring. Daaruit kan worden opgemaakt dat er zich op 2 juni 2017 iets heeft voorgedaan waar verdachte en aangeefster bij betrokken waren, maar niet dat verdachte aangeefster heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, zoals ten laste is gelegd. Er zijn geen andere getuigen die uit eigen wetenschap belastend verklaren, zodat ook daarin geen steun voor de aangifte kan worden gevonden. De rechtbank concludeert dat het dossier onvoldoende (steun)bewijs bevat voor de belastende verklaring van aangeefster. De verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

3.3.2

Bewijsoverweging feit 2

Anders dan de verdediging acht de rechtbank de onder 2 ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte hard met kussens heeft geslagen en haar met zijn vuist heeft gestompt tegen haar borstkas. Ten aanzien van dit feit wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door het bij haar door een verbalisant en arts waargenomen letsel. Daarnaast heeft verdachte bij de politie en op zitting verklaard dat hij in de woning van aangeefster boos was en met kussens heeft lopen gooien. Uit de letselrapportage van 3 juni 2017, opgesteld door forensisch arts F. Petrus, volgt dat er onder meer op de arm en benen van aangeefster blauwe plekken zichtbaar waren en dat aangeefster pijn ervaarde op haar borstbeen en borstkas bij diep inademen. De ouderdom van de letsels passen volgens de forensisch arts bij het huidige tijdsinterval. Het verweer dat dit letsel niet door verdachte met een vuistslag en kussen kan zijn veroorzaakt waardoor verdachte dient te worden vrijgesproken, wordt verworpen. De rechtbank is van oordeel dat de medische verklaring en de verklaring van verdachte, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende steun bieden aan de verklaring van aangeefster. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte aangeefster op 2 juni 2017 heeft mishandeld.

3.3.3

Bewijsoverweging feit 3

Uit het dossier blijkt onvoldoende dat verdachte het ornament dat volgens moeder van aangeefster in de badkamer hangt, heeft vernield. Voor het overige is de rechtbank met de raadsman en officier van justitie van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 3 ten laste gelegde vernieling zoals hierna in rubriek 4 is weergegeven.

4 Bewezenverklaring


De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

2.

op 2 juni 2017 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer] (met kracht) met zijn, verdachte's, vuist heeft gestompt tegen de borstkas en met een kussen heeft geslagen tegen de benen en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3.

op 2 juni 2017 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk kristallen beeldjes toebehorende aan [slachtoffer] heeft vernield door voornoemde beeldjes van het dressoir te vegen, zulks terwijl tijdens het plegen van het vorenomschreven misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige (verdachte) tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 83 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten – kort gezegd – een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, urine- en/of blaascontroles, de verplichting tot opname in een instelling voor begeleid wonen en een contactverbod met [slachtoffer] .

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat – indien de rechtbank tot enige bewezenverklaring komt – de eis van de officier van justitie niet proportioneel is en heeft verzocht dat deze zal worden gehalveerd.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van aangeefster met wie hij gedurende ongeveer twee weken intensief contact had in de relationele sfeer. Hij heeft haar tegen haar borst gestompt en met kussens geslagen. Dit is een ernstig strafbaar feit. Verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. De mishandeling vond bovendien plaats in haar eigen woning. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan temeer omdat zij zich in haar eigen huis veilig en geborgen zou moeten voelen. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een vernieling van kristallen beeldjes die in de woning van aangeefster op een dressoir stonden. Daarmee heeft verdachte getoond geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het meest recente reclasseringsadvies van 6 augustus 2018. Verdachte verbleef bij Cordaan, maar Cordaan heeft het verblijf en de zorg aan verdachte stopgezet omdat de locatie de veiligheid van begeleiding, cliënten en bezoek niet meer kon waarborgen. Verdachte werd als grensoverschrijdend ervaren in zijn verbale en non-verbale gedrag. Alcoholische drank heeft een ontremmende werking op de emotiehuishouding en agressieregulatie van verdachte waardoor een behandeling gericht op zijn middelengebruik en agressieregulatie geïndiceerd is. De reclassering heeft verdachte gedurende het voor deze strafzaak lopende schorsingstoezicht veel moeten motiveren en begrenzen. De grenzen van de mogelijkheden zijn bij Cordaan en de reclassering bereikt. De reclassering is van mening dat betrokkene nog een laatste kans moet krijgen in een andere woonsetting, namelijk een woongroep voor kwetsbare mensen Als bijzondere voorwaarden acht de reclassering een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en indien nodig een korte klinische behandeling van maximaal 7 weken, urine- en/of blaascontroles, de verplichting tot opname in een instelling voor begeleid wonen en een contactverbod met [slachtoffer] geïndiceerd. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf in plaats van een (deels) voorwaardelijke werkstraf omdat gebleken is dat een werkstraf niet voor een afschrikeffect zorgt. Er moet een forse stok achter de deur staan om te zorgen dat hij zich aan de bijzondere voorwaarden gaat houden. De rechtbank neemt dit advies over.

De rechtbank heeft gelet op het strafblad van verdachte van 16 juli 2018. Hieruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van onder andere vernielingen. Het strafblad van verdachte heeft daardoor een strafverzwarende invloed.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) gaan voor een mishandeling uit van een geldboete. De rechtbank acht echter strafverzwarend dat de mishandeling in relationele sfeer en in de woning van aangeefster plaatsvond. Bovendien heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan een vernieling en heeft verdachte geen enkele verantwoording genomen voor zijn handelen. Een geldboete is naar oordeel van de rechtbank in dit geval dan ook geen passende sanctie.

De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf van 30 dagen met aftrek, waarvan dertien dagen voorwaardelijk, passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel een proeftijd van twee jaar verbinden, om verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal verdachte de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen. De op te leggen straf is lager dan door de officier van justitie is gevorderd, doordat de rechtbank minder feiten bewezen acht.

Voor de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden op grond van artikel 14e Sr bestaat geen aanleiding. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, nu verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig geweldsmisdrijf tegen personen gericht.

8 Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een bedrag van in totaal € 3.596,00 aan schadevergoeding gevorderd. Dit bedrag bestaat uit € 2.096,00 materiële- en € 1.500,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering ter vergoeding van materiële schade bestaat uit € 90,00 voor de vernielde kristallen beeldjes en uit € 2.006,00 aan gemaakt kosten voor een extra studiejaar wegens opgelopen studievertraging.

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering volledig zal worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de vordering betwist. De vordering voor vergoeding van de vernielde kristallen beeldjes moet worden afgewezen, omdat de beeldjes niet van benadeelde, maar van haar moeder zijn. De vordering voor de gemaakte kosten voor een extra studiejaar moet ook worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk worden verklaard. Niet valt vast te stellen dat de studievertraging enkel het gevolg is van het handelen van verdachte. Een verklaring van een psycholoog of psychiater ter onderbouwing daarvan ontbreekt. De namens de benadeelde partij overgelegde brief van haar docent is daartoe onvoldoende. De vordering tot vergoeding van immateriële schadevergoeding moet primair worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk worden verklaard. Subsidiair moet de vordering worden gematigd tot een bedrag van € 500,00.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat voldoende is vast komen te staan dat de kristallen beeldjes aan de benadeelde partij toebehoren, zoals onder feit 3 is bewezen verklaard. Daarmee staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat – met name door de op zitting overgelegde aanvullende verklaring van de begeleidend Universitair Docent van aangeefster – voldoende is komen vast te staan dat de door benadeelde opgelopen studievertraging een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde handelen van verdachte. De als gevolg daarvan ontstane schade (€ 2.006,00) komt dan ook voor vergoeding in aanmerking.

De gevorderde vergoeding van materiële schade komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal dan ook volledig worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente van het moment waarop de feiten zijn gepleegd, te weten op 2 juni 2017

De rechtbank is verder van oordeel dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien een inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit en de benadeelde partij bovendien ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar redelijkheid en billijkheid op

€ 250,00. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij tot dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij zal voor de meer gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Verder zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

9 De vorderingen na voorwaardelijke veroordelingen

Bij de stukken bevindt zich de op 8 juni 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/176703-16, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van

31 januari 2017 van de politierechter in deze rechtbank, waarbij verdachte is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, met aftrek van voorarrest, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Van de eerder genoemde voorwaardelijk opgelegde taakstraf is 20 uur al ten uitvoer gelegd bij het onherroepelijk geworden vonnis van 25 april 2017 van de politierechter in deze rechtbank.

Daarnaast bevindt zich bij de stukken ook de op 8 juni 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 10/175723-15, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van

16 december 2015 van de politierechter in de rechtbank Rotterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 250,00, subsidiair 5 dagen hechtenis, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De proeftijd verbonden aan de voorwaardelijk opgelegde geldboete is met een jaar verlengd bij het onherroepelijk geworden vonnis van 31 januari 2017 van de politierechter in deze rechtbank.

De mededelingen hiervan als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering zijn aan verdachte toegezonden.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordelingen moeten worden toegewezen.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet verzet tegen toewijzing van de vorderingen tot tenuitvoerlegging. Ten aanzien van de vordering met parketnummer 10/175723-15 heeft de raadsman verzocht dat in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde geldboete een taakstraf zal worden gelast.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Naar voren is gekomen dat verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijden opnieuw aan twee strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de tenuitvoerlegging van het restant van de eerder genoemde voorwaardelijk opgelegde taakstraf, te weten voor de duur van 30 uren, en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde geldboete te gelasten.

De rechtbank overweegt nog dat de wet, gelet op het bepaalde in artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht, geen mogelijkheid biedt voor omzetting van de voorwaardelijk opgelegde geldboete in een taakstraf, zoals de raadsman heeft verzocht.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 43a, 57, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

mishandeling;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 13 (dertien) dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich zal melden bij Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, zo frequent en zo lang de reclassering dat nodig acht, waarbij de veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;

2. zich onder behandeling laat stellen voor zijn middelengebruik en agressieproblematiek bij de forensische polikliniek van Inforsa of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. Veroordeelde wordt verplicht tot een kortdurende klinische opname binnen het ambulant behandeltraject ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek voor de duur van maximaal zeven weken, als de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die opname door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

3. meewerkt aan urine- en of blaascontroles, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

4. verplicht is om in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, zulks ter beoordeling van de reclassering, te verblijven en zich te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

5. wordt verboden contact te (laten) leggen met [slachtoffer] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Benadeelde partij

Wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot € 2.346,00

(tweeduizend driehonderdzesenveertig euro), bestaande uit € 2.096,00 (tweeduizend zesennegentig euro) aan materiële schadevergoeding en € 250 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 juni 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen de som van € 2.346,00 (tweeduizend driehonderdzesenveertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 juni 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 33 (drieëndertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Vorderingen tot tenuitvoerlegging

Gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 31 januari 2017 voorwaardelijk opgelegde straf, namelijk een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 30 (dertig) uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 16 december 2015 opgelegde voorwaardelijke straf, zijnde een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 5 (vijf) dagen.

 Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.H.J. Evers, voorzitter,

mrs. C.M. Degenaar en M.J.M. van Beckhoven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. de Bruin, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 augustus 2018.

[...]