Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6623

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
18-09-2018
Zaaknummer
13/650588-16 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Fatale vechtpartij op de Wallen. Geen noodweer. Vrijspraak omdat niet blijkt dat de handelingen van verdachte hebben bijgedragen aan de dood van het slachtoffer. Verdachte wordt voor zijn aandeel in de openlijke geweldpleging wel veroordeeld, tot een gevangenisstraf van 70 dagen waarvan 46 voorwaardelijk. Benadeelde partijen niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/650588-16 (Promis)

Datum uitspraak: 18 september 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 9, 10, 12 en 16 juli 2018. Op 4 september 2018 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. A.M. Lobregt en A.J.M. Vreekamp (hierna steeds gezamenlijk aangeduid als: officier van justitie), en van wat mr. H. Bakker, gemachtigd raadsman van verdachte, naar voren heeft gebracht. Verdachte is niet verschenen.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen naar voren is gebracht door mr. R.A. Korver, raadsman van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en mr. Z.J. Rittersma, raadsman van benadeelde partij [benadeelde partij 4] en van [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] . De rechtbank heeft ook geluisterd naar de verklaringen van de nabestaanden [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] .

2 Inleiding en tenlastelegging

Op 3 september 2016 zijn, naast veel andere mensen, twee groepen mannen aanwezig op de Oudezijds Achterburgwal te Amsterdam. De ene groep bestaat uit drie mannen van Roemeense afkomst: de broers [naam 1] en [naam 2] (hierna: [naam 1] en [naam 2] ) en [verdachte] . De andere groep zijn Nederlanders en afkomstig uit Voorthuizen en bestaat uit tien mannen: de broers [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] (hierna [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] ), [naam 6] , [naam 7] , [naam slachtoffer] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] en [naam 11] .

Omstreeks 23.20 uur vindt een vechtpartij plaats waaraan mannen uit de twee groepen deelnemen. De vechtpartij ontstaat op de brug bij de Molensteeg en verplaatst zich over de Oudezijds Achterburgwal. Er wordt door meerdere personen uit de beide groepen geschopt, geduwd en geslagen. Ook het latere slachtoffer [naam slachtoffer] wordt geslagen. Hij zakt op een gegeven moment, na kort daar voor een klap te hebben ontvangen, naar de grond en overlijdt de volgende dag in het ziekenhuis als gevolg van hersenletsel. Uit het onderzoek naar de doodsoorzaak blijkt dat het hersenletsel is veroorzaakt door geweld, kort voorafgaand aan het overlijden.

De resultaten van het onderzoek van de politie hebben de officier van justitie doen besluiten om uit beide groepen in totaal acht personen als verdachte aan te merken en hen strafrechtelijk te vervolgen voor hun aandeel in de vechtpartij. Dat betreft de groep Roemenen: [naam 1] , [naam 2] en [verdachte] en uit de groep Voorthuizenaren: [naam 6] , [naam 7] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] .

Ten behoeve van de leesbaarheid worden in dit vonnis de groepen soms aangeduid als ‘de (groep) Voorthuizenaren’ en ‘de (groep) Roemenen’ en zal verdachte soms bij zijn naam worden genoemd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 3 september 2016 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan het

feit 1

primair: medeplegen van doodslag van [naam slachtoffer] ;

subsidiair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen [naam slachtoffer] met de dood tot gevolg;

meer subsidiair: medeplegen van zware mishandeling van [naam slachtoffer] met de dood tot gevolg;

meest subsidiair: medeplegen van mishandeling van [naam slachtoffer] met de dood tot gevolg;

feit 2

openlijk in vereniging geweld plegen tegen [naam 6] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 3] en/of [naam 8] en/of [naam 9] en/of [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 7] .

De gehele tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Feiten en omstandigheden

Voor wat betreft de vaststelling van de gang van zaken neemt de rechtbank het proces-verbaal ‘camera onderzoek compleet’, de eigen waarneming van de beelden, de verklaringen van verdachte en enkele getuigenverklaringen als uitgangspunt. Daaruit leidt de rechtbank af dat de vechtpartij is begonnen op de Molenbrug. Niet is vast te stellen wie begon met vechten of wat de aanleiding is geweest voor de vechtpartij. De verdachten hebben daar verschillend over verklaard. De voorbijgangers die zijn gehoord als getuigen noch de camerabeelden geven dienaangaande uitsluitsel.

De rechtbank stelt het volgende vast.

Op de camerabeelden is te zien dat de groep Voorthuizenaren de Molenbrug oploopt waarna over en weer, tussen de Voorthuizenaren enerzijds en de Roemenen anderzijds, geweldshandelingen te zien zijn. Ook [verdachte] doet in deze fase mee aan het geweld. Hij deelt meerdere vuistslagen uit.

Na het geweld op de brug verplaatst de groep Roemenen zich over de Oudezijds Achterburgwal richting de Stoofbrug. Daarbij is te zien dat [naam 7] , [naam 6] , [naam slachtoffer] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 3] , achter de groep Roemenen aanlopen. Iets verderop ontstaat een nieuw gevecht. Op cameramoment 22 is te zien dat er opnieuw klappen worden uitgedeeld. De verdachten uit Voorthuizen plegen ook hier geweld tegen de groep Roemenen.

Te zien is dat [naam 1] met zijn handen in de lucht staat, waarna de groep Voorthuizenaren dichterbij komt en [naam 2] er tussenin gaat staan. Op een bepaald moment is duidelijk op de beelden te zien dat [naam 7] uithaalt naar [naam 2] waarna deze laatste meteen een aantal klappen krijgt van [naam 6] . [naam 6] duwt [naam 2] weg en geeft hem klappen, waarna [naam 2] neervalt. [naam 1] en een aantal Voorthuizenaren bewegen zich naar de waterkant waarna [naam 1] en [naam 3] in de gracht vallen. Nadat [naam 1] uit de gracht is gekomen, geeft [naam slachtoffer] [verdachte] een duw waardoor deze over een plantenbak valt. Daarna geeft [naam 1] [naam slachtoffer] een klap tegen de rechterkant van zijn hoofd, waarna [naam slachtoffer] hem wegduwt. Te zien is dat [naam 1] bij een trappetje terecht komt. Op cameramoment 26 is te zien dat [naam 5] en [naam 4] , klappen geven aan [naam 1] en hem schoppen.

Op een volgend moment is te zien dat [naam slachtoffer] met zijn hand naar zijn oor grijpt en op de grond valt. Daarna is er een voortzetting van het geweld. [verdachte] rent weg waarna [naam 6] achter hem aanrent. [naam 3] neemt een bokshouding aan richting [naam 1] . Op cameramoment 34 is te zien dat [naam 4] [naam 2] aanvalt waarbij [naam 3] en [naam 6] er achteraan lopen. Even later maakt ook [naam 6] vuistslagen in de richting van [naam 2] .

3.2.

Ten aanzien van feit 1

3.2.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde niet kan worden bewezen en dat het subsidiair ten laste gelegde deels kan worden bewezen. Zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De dood van [naam slachtoffer] is het gevolg van de klap die [naam 1] hem heeft gegeven. Nu niet is gebleken dat van medeplegen sprake is, moet verdachte worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde doodslag.

Uit de verschillende bewijsmiddelen volgt dat verdachte en [naam 1] openlijk geweld hebben gepleegd tegen [naam slachtoffer] . Zij hebben samen tegen de groep Nederlanders, waar [naam slachtoffer] deel van uitmaakte, gevochten. Omdat de dood van [naam slachtoffer] veroorzaakt is door de klap van [naam 1] , moet verdachte van het gedeelte ‘terwijl dit (door hem gepleegde) geweld de dood van voornoemde [naam slachtoffer] ten gevolge heeft gehad’ worden vrijgesproken.

3.2.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft hiertoe het volgende naar voren gebracht.

Er was geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking. Het geweld dat verdachte heeft gebruikt was een onmiddellijke reactie op het geweld van de Voorthuizenaren, vanuit het instinct van zelfverdediging. De handelingen van verdachte en de twee medeverdachten waren erop gericht de openbare ordeverstoring door de Voorthuizenaren te beëindigen en waren dus niet geschikt om de openbare orde te verstoren. Daarom kan van openlijke geweldpleging geen sprake zijn. Ten slotte geldt dat verdachte geen enkel aandeel heeft gehad in de klap of klappen die [naam slachtoffer] fataal zijn geworden.

3.2.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde niet is bewezen, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van het volgende.

Hoewel vaststaat dat verdachte heeft bijgedragen aan het openlijk geweld tegen anderen uit de groep van Voorthuizenaren (zoals ten laste gelegd in feit 2, hierna te bespreken), is de tenlastelegging onder feit 1 toegespitst op uitsluitend het geweld tegen [naam slachtoffer] . In de tenlastelegging is niet beschreven welke bijdrage verdachte dienaangaande zou hebben geleverd.

Uit de camerabeelden en het dossier is niet af te leiden dat verdachte geweld heeft gebruikt tegen [naam slachtoffer] . De rechtbank komt tot de conclusie dat het enige, tevens noodlottige, geweld dat tegen [naam slachtoffer] is gepleegd, de klap betreft die [naam 1] hem heeft gegeven. Nu verdachte hieraan geen enkele bijdrage heeft geleverd dient hij integraal te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde

3.3.

Ten aanzien van feit 2

3.3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft hiertoe het volgende naar voren gebracht.

Uit de verschillende bewijsmiddelen volgt dat verdachte en [naam 1] samen openlijk geweld hebben gepleegd tegen [naam 7] , [naam 6] , [naam 5] , [naam 4] , [naam 3] en [naam 11] . De andere drie Voorthuizenaren, te weten [naam 8] , [naam 9] en [naam 10] , zijn van het begin af aan niet bij de vechtpartij betrokken geweest, noch als slachtoffer, noch als dader. Verdachte dient ten aanzien van het openlijk geweld tegen hen te worden vrijgesproken.

Op de Molenbrug, waar het eerste geweld wordt waargenomen, zoekt verdachte de aanval. Hij gaat naar het gevecht toe en deelt meerdere vuistslagen en een low-kick uit. Verdachte is degene die even later [naam 3] in het water slaat.

3.3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 2 geldt, net als bij feit 1, dat er geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking en ook niet van openlijk geweld, omdat de handelingen van verdachte een reactie waren op het geweld van de Voorthuizenaren.

3.3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van het volgende.

Openlijke geweldpleging door de Roemenen

Uit de bewijsmiddelen volgt dat er door [naam 1] en [verdachte] geweld is gebruikt tegen [naam 6] , [naam 3] , [naam 5] , [naam 4] en [naam 11] . Om te kunnen spreken van ‘het openlijk in vereniging geweld plegen’, zoals ten laste is gelegd, moet worden bewezen dat het geweld ‘openlijk’ en ‘in vereniging’ heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat aan het vereiste ‘openlijk’ is voldaan. De vechtpartij vindt plaats op de openbare weg, de Oudezijds Achterburgwal. Veel mensen zijn hier getuige van geweest, zo is op de camerabeelden te zien. De openbare orde is door de vechtpartij verstoord.

Bijdrage van verdachte aan het geweld

Van ‘in vereniging’ is sprake als een verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het groepsgeweld heeft geleverd. Deze bijdrage kan bestaan uit geweldshandelingen, maar dat hoeft niet. Het moet wel gaan om gedragingen die het plegen van geweld bevorderen, zoals aanmoedigen of achtervolgen/insluiten van het slachtoffer. De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat [verdachte] geweldshandelingen heeft verricht. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte, [naam 1] en meerdere Voorthuizenaren bij de Molenbrug flinke klappen uitwisselen. Op een later moment slaat of duwt hij een van de Voorthuizenaren de gracht in. Uit verdachtes verklaring blijkt dat hij wist dat [naam 1] ook aan het vechten was, sterker nog, verdachte wilde zijn vrienden helpen. Hieruit volgt dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking.

Conclusie

Verdachte heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan het openlijk geweld van de Roemenen tegen de vijf genoemde Voorthuizenaren. Daarmee is het ten laste gelegde feit bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen, die zijn opgenomen in bijlage II bij dit vonnis, bewezen dat verdachte

op 3 september 2016 te Amsterdam, met anderen, op of aan de openbare weg, te weten de Oudezijds Achterburgwal, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam 6] en [naam 4] en [naam 5] en [naam 3] en [naam 11] , welk geweld bestond uit:

- het meermalen (met kracht en met gebalde vuisten) slaan tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [naam 6] en [naam 4] en [naam 5] en [naam 3] en [naam 11] en

- het meermalen (met kracht en met geschoeide voet) schoppen tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [naam 6] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 3] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

5.1.

Beroep op noodweer

De raadsman heeft bepleit dat verdachte uit noodweer heeft gehandeld en dat hij daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Uit de camerabeelden, getuigenverklaringen en verklaringen van verdachten volgt het algemene beeld dat de drie Roemeense mannen, waaronder verdachte, door een overmacht aan Voorthuizenaren zijn afgetuigd. En dat niet één keer. Pogingen om de gemoederen tot bedaren te brengen waren volstrekt kansloos. Verdachte verdedigt zichzelf en hij verdedigt met name de broers [naam broers] .

5.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer moet worden verworpen. Zij heeft hiertoe het volgende naar voren gebracht.

Verdachte en [naam 1] schuwen het geweld niet. Ze slaan en slaan terug. De confrontatie wordt opgezocht, in plaats van dat zij deze uit de weg gaan.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het beroep op noodweer moet worden verworpen. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van het volgende.

Van noodweer kan alleen sprake zijn als de gedraging van de verdachte een verdediging is tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Dat betekent dat gedragingen die als aanvallend moeten worden gezien, gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht, geen grondslag kunnen vormen voor een geslaagd beroep op noodweer.

Verdachte heeft – kort gezegd – verklaard dat hij, [naam 2] en [naam 1] door meerdere Voorthuizenaren werden aangevallen en dat hij slechts uit verdediging van zichzelf en zijn vrienden heeft geslagen. De rechtbank stelt op grond van het dossier en de camerabeelden vast dat er in het eerste deel van de vechtpartij, op en kort na de brug, over en weer wordt gevochten, ook door verdachte. Hij neemt deel aan de vechtpartij. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de agressie volledig eenzijdig vanuit één van beide groepen is gekomen. Dat sprake is geweest van een aanval op verdachte of andere personen, waartegen hij zich op deze manier mocht verdedigen, is dan ook niet aannemelijk geworden, zodat het beroep op noodweer wordt verworpen.

Conclusie

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van voorarrest.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafoplegging.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf van 70 dagen opleggen, waarvan 46 dagen voorwaardelijk. Deze strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Vanuit het niets lijkt de vlam in de pan te slaan, die zaterdagavond 3 september 2016. Verdachte en zijn twee vrienden raken betrokken in een vechtpartij met een aantal mannen die een vrijgezellenfeest vieren op de Amsterdamse Wallen. Er wordt flink geweld gebruikt en het tragische gevolg is dat [naam slachtoffer] de volgende dag in het ziekenhuis overlijdt. Met dit gegeven moeten alle in deze zaak veroordeelden leven en dat is al een zekere straf op zich.

Samen met [naam 1] heeft verdachte openlijk geweld gepleegd tegen vijf leden van de andere groep. De rechtbank kan niet vaststellen wat de aanleiding is geweest voor de vechtpartij. De lezingen hierover, van enerzijds de Roemeense verdachten en anderzijds de groep Nederlandse verdachten, lopen te ver uiteen. Geen van beide scenario’s wordt ondersteund door de camerabeelden of getuigenverklaringen. Hoe dan ook, verdachte gaat – in eerste instantie – het geweld niet uit de weg. Hij deelt meerdere klappen uit. Dat de vechtpartij te midden van het uitgaanspubliek plaats vindt, maakt het extra kwalijk.

Bij het bepalen van de hoogte van de straffen hanteert de rechtbank in beginsel het principe ‘gelijke monniken, gelijke kappen’. Het is echter zo dat de ene verdachte tijdens de vechtpartij niet of nauwelijks geweld heeft gebruikt, terwijl sommige anderen juist fors geweld hebben toegepast. De bijdrage die verdachte aan het openlijk geweld heeft geleverd en waarvoor hij wordt veroordeeld, is in vergelijking met andere verdachten gemiddeld te noemen. In eerste instantie neemt verdachte actief deel aan het gevecht, in tweede instantie loopt hij weg en worden de drie Roemenen door de Voorthuizenaren opgedreven.

Daarnaast geldt dat verdachte de enige verdachte is die geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft. Dat maakt dat het voor hem praktisch onmogelijk is om een taakstraf uit te voeren. Daarom zal de rechtbank aan verdachte geen taakstraf opleggen, maar een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.

8 Vordering tot gevangenneming

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de gevangenneming van verdachte zal bevelen. Deze vordering is vanzelfsprekend alleen relevant voor het geval de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het onvoorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf die de rechtbank aan verdachte zal opleggen heeft hij al in voorarrest doorgebracht. De rechtbank zal de vordering om die reden afwijzen.

9 Ten aanzien van de benadeelde partijen

9.1.

Benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij, [benadeelde partij 1] , vordert € 693.251,66 aan materiële schadevergoeding (bestaande uit reiskosten, communicatiekosten, (toekomstige) medische kosten, gederfd levensonderhoud, kosten voor lijkbezorging/overlijden en kosten deskundigen) en € 40.000,00 aan immateriële schadevergoeding, bestaande uit affectieschade en shockschade. Daarnaast verzoekt de benadeelde partij om het totaalbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2.

Benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij, [benadeelde partij 2] , vordert € 41.860,00 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit gederfd levensonderhoud, en € 20.00,00 aan immateriële schadevergoeding, bestaande uit affectieschade. Daarnaast verzoekt de benadeelde partij om het totaalbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.3.

Benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij, [benadeelde partij 3] , vordert € 48.423,00 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit gederfd levensonderhoud en € 20.000,00 aan immateriële schadevergoeding, bestaande uit affectieschade. Daarnaast verzoekt de benadeelde partij om het totaalbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.4.

Benadeelde partij [benadeelde partij 4]

De benadeelde partij, [benadeelde partij 4] , vordert € 575,00 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit medische kosten en kosten voor de uitvaart. Daarnaast verzoekt de benadeelde partij om het totaalbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.5.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

9.6.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren.

9.7.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

De vorderingen van de benadeelde partijen hebben betrekking op schade die het gevolg is van het overlijden van [naam slachtoffer] . De dood van [naam slachtoffer] is, in vier varianten, onder 1 aan verdachte ten laste gelegd. Nu verdachte van feit 1 wordt vrijgesproken, kunnen de benadeelde partijen niet worden ontvangen in hun vorderingen (zie artikel 361 lid 2 onder a van het Wetboek van Strafvordering).

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

‘openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen’.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van ZEVENTIG (70) DAGEN.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in overleveringsdetentie, verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot ZESENVEERTIG (46) DAGEN, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Verklaart de benadeelde partijen, [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] , niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

Wijst af de vordering tot gevangenneming.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. E. Dinjens en M.F. Ferdinandusse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.C. Wagter, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 september 2018.