Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6621

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
18-09-2018
Zaaknummer
13/650545-16 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Fatale vechtpartij op de Wallen. Zware mishandeling met de dood tot gevolg bewezen. Beroep op noodweer slaagt. OVAR. Verdachte wordt voor zijn aandeel in de openlijke geweldpleging wel veroordeeld, tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden en een taakstraf van 150 uur. Benadeelde partijen niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2018/302
NbSr 2018/302
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/650545-16 (Promis)

Datum uitspraak: 18 september 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen,
ter zitting opgegeven adres: [adres] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 9, 10, 12 en 16 juli 2018. Op 4 september 2018 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. A.M. Lobregt en A.J.M. Vreekamp (hierna steeds gezamenlijk aangeduid als: officier van justitie), en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. I.R. Rigter, naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen naar voren is gebracht door mr. R.A. Korver, raadsman van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en mr. Z.J. Rittersma, raadsman van benadeelde partij [benadeelde partij 4] en van [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] . De rechtbank heeft ook geluisterd naar de verklaringen van de nabestaanden [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] .

2 Inleiding en tenlastelegging

Op 3 september 2016 zijn, naast veel andere mensen, twee groepen mannen aanwezig op de Oudezijds Achterburgwal te Amsterdam. De ene groep bestaat uit drie mannen van Roemeense afkomst: de broers [verdachte] en [naam 1] (hierna: [verdachte] en [naam 1] ) en [naam 2] . De andere groep zijn Nederlanders en afkomstig uit Voorthuizen en bestaat uit tien mannen: de broers [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] (hierna [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] ), [naam 6] , [naam 7] , [naam slachtoffer] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] en [naam 11] .

Omstreeks 23.20 uur vindt een vechtpartij plaats waaraan mannen uit de twee groepen deelnemen. De vechtpartij ontstaat op de brug bij de Molensteeg en verplaatst zich over de Oudezijds Achterburgwal. Er wordt door meerdere personen uit de beide groepen geschopt, geduwd en geslagen. Ook het latere slachtoffer [naam slachtoffer] wordt geslagen. Hij zakt op een gegeven moment, na kort daarvoor een klap te hebben ontvangen, naar de grond en overlijdt de volgende dag in het ziekenhuis als gevolg van hersenletsel. Uit het onderzoek naar de doodsoorzaak blijkt dat het hersenletsel is veroorzaakt door geweld, kort voorafgaand aan het overlijden.

De resultaten van het onderzoek van de politie hebben de officier van justitie doen besluiten om uit beide groepen in totaal acht personen als verdachte aan te merken en hen strafrechtelijk te vervolgen voor hun aandeel in de vechtpartij. Dat betreft uit de groep Roemenen: [verdachte] , [naam 1] en [naam 2] en uit de groep Voorthuizenaren: [naam 6] , [naam 7] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] .

Ten behoeve van de leesbaarheid worden in dit vonnis de groepen soms aangeduid als ‘de (groep) Voorthuizenaren’ en ‘de (groep) Roemenen’ en zal verdachte soms bij zijn naam worden genoemd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 3 september 2016 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan het

feit 1

primair: medeplegen van doodslag van [naam slachtoffer] ;

subsidiair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen [naam slachtoffer] met de dood tot gevolg;

meer subsidiair: medeplegen van zware mishandeling van [naam slachtoffer] met de dood tot gevolg;

meest subsidiair: medeplegen van mishandeling van [naam slachtoffer] met de dood tot gevolg;

feit 2

openlijk in vereniging geweld plegen tegen [naam 6] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 3] en/of [naam 8] en/of [naam 9] en/of [naam 10] en/of [naam 11] en/of [naam 7] .

De gehele tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Feiten en omstandigheden

Voor wat betreft de vaststelling van de gang van zaken neemt de rechtbank het proces-verbaal ‘camera onderzoek compleet’, de eigen waarneming van de beelden, de verklaringen van verdachte en enkele getuigenverklaringen als uitgangspunt. Daaruit leidt de rechtbank af dat de vechtpartij is begonnen op de Molenbrug. Niet is vast te stellen wie begon met vechten of wat de aanleiding is geweest voor de vechtpartij. De verdachten hebben daar verschillend over verklaard. De voorbijgangers die zijn gehoord als getuigen noch de camerabeelden geven dienaangaande uitsluitsel.

De rechtbank stelt het volgende vast.

Op de camerabeelden is te zien dat de groep Voorthuizenaren de Molenbrug oploopt waarna over en weer, tussen de Voorthuizenaren enerzijds en de Roemenen anderzijds, geweldshandelingen te zien zijn. Ook [verdachte] doet in deze fase mee aan het geweld. Hij deelt meerdere vuistslagen uit, onder meer aan [naam 6] .

Na het geweld op de brug verplaatst de groep Roemenen zich over de Oudezijds Achterburgwal richting de Stoofbrug. Daarbij is te zien dat [naam 7] , [naam 6] , [naam slachtoffer] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 3] , achter de groep Roemenen aanlopen. Iets verderop ontstaat een nieuw gevecht. Op cameramoment 22 is te zien dat er opnieuw klappen worden uitgedeeld. De verdachten uit Voorthuizen plegen ook hier geweld tegen de groep Roemenen.

Te zien is dat [verdachte] met zijn handen in de lucht staat, waarna de groep Voorthuizenaren dichterbij komt en [naam 1] er tussenin gaat staan. Op een bepaald moment is duidelijk op de beelden te zien dat [naam 7] uithaalt naar [naam 1] waarna deze laatste meteen een aantal klappen krijgt van [naam 6] . [naam 6] duwt [naam 1] weg en geeft hem klappen, waarna [naam 1] neervalt. [verdachte] en een aantal Voorthuizenaren bewegen zich naar de waterkant waarna [verdachte] en [naam 3] in de gracht vallen. Nadat [verdachte] uit de gracht is gekomen, geeft [naam slachtoffer] [naam 2] een duw waardoor deze over een plantenbak valt. Daarna geeft [verdachte] [naam slachtoffer] een klap tegen de rechterkant van zijn hoofd, waarna [naam slachtoffer] hem wegduwt. Te zien is dat [verdachte] bij een trappetje terecht komt. Op cameramoment 26 is te zien dat [naam 5] en [naam 4] , klappen geven aan [verdachte] en hem schoppen.

Op een volgend moment is te zien dat [naam slachtoffer] met zijn hand naar zijn oor grijpt en op de grond valt. Daarna is er een voortzetting van het geweld. [naam 2] rent weg waarna [naam 6] achter hem aanrent. [naam 3] neemt een bokshouding aan richting [verdachte] . Op cameramoment 34 is te zien dat [naam 4] [naam 1] aanvalt waarbij [naam 3] en [naam 6] er achteraan lopen. Even later maakt ook [naam 6] vuistslagen in de richting van [naam 1] .

3.2.

Ten aanzien van feit 1

3.2.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde niet kan worden bewezen zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken, en dat het subsidiair ten laste gelegde wel kan worden bewezen. Zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De dood van [naam slachtoffer] is het gevolg van de klap die verdachte hem heeft gegeven. Er is geen andere omstandigheid gebleken, zoals ziekte of ander geweld, die het intreden van de dood kan verklaren. De betreffende klap is een krachtige, bewust gepositioneerde vuistslag. Er kan echter niet worden vastgesteld dat verdachte het opzet had op de dood van [naam slachtoffer] , ook niet in voorwaardelijke zin. Daarom moet verdachte van de primair ten laste gelegde doodslag worden vrijgesproken.

Uit de verschillende bewijsmiddelen volgt dat verdachte en [naam 2] openlijk geweld hebben gepleegd tegen een aantal Voorthuizenaren, onder wie [naam slachtoffer] . Verdachte is degene die de fatale klap heeft gegeven, zodat ten aanzien van hem het subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen, inclusief de strafverzwarende omstandigheid dat het geweld de dood ten gevolge heeft gehad.

3.2.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en hij heeft hiertoe het volgende naar voren gebracht.

Ten aanzien van de doodsoorzaak geldt dat er niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de dood van [naam slachtoffer] is veroorzaakt door de klap die verdachte hem heeft gegeven. Het is mogelijk dat [naam slachtoffer] ook (een) klap(pen) van [naam 2] of [naam 1] heeft gekregen. Er kan niet worden bewezen dat er sprake is van doodslag, omdat verdachte geen opzet heeft gehad op de dood van [naam slachtoffer] , ook niet in voorwaardelijke zin. Het uitdelen van een enkele vuistslag tegen het hoofd is geen handeling die de aanmerkelijke kans op iemands overlijden in het leven roept.

Er is geen bewijs waaruit blijkt dat verdachte, [naam 1] of [naam 2] , [naam slachtoffer] hebben geschopt of getrapt. Voor dat gedeelte van de tenlastelegging moet vrijspraak volgen. Dat geldt ook voor het onderdeel ‘meermalen’.

3.2.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat niet is bewezen dat verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde, ‘zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft’, heeft begaan. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van het volgende.

Doodsoorzaak

De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de dood van [naam slachtoffer] het gevolg is van de klap die verdachte hem heeft gegeven. Die vraag moet naar het oordeel van de rechtbank bevestigend worden beantwoord.

Rapportage deskundigen

Uit het onderzoek naar de doodsoorzaak blijkt dat de dood is veroorzaakt door hersenletsel door extern inwerkend geweld op het hoofd. Dit geweld is kort voorafgaand aan het overlijden toegepast. Ook blijkt dat [naam slachtoffer] meerdere zwellingen heeft, die zijn te duiden als tekenen van extern geweld. Deze zwellingen bevinden zich aan de rechterzijde van het hoofd/de hals. De rechtbank concludeert hieruit dat de verwondingen van [naam slachtoffer] , die zijn overlijden hebben veroorzaakt, moeten zijn veroorzaakt tijdens de kort aan het overlijden voorafgaande vechtpartij.

Camerabeelden

Op de camerabeelden is te zien dat verdachte, vlak nadat hij uit de gracht komt, [naam slachtoffer] een krachtige klap geeft tegen de rechter zijkant van zijn hoofd/nek. Kort daarna grijpt [naam slachtoffer] met de hand naar de rechterkant van zijn hoofd, en 26 seconden na de klap zakt hij in elkaar. Op de camerabeelden is niet te zien dat [naam slachtoffer] gedurende die 26 seconden nog meer klappen heeft ontvangen of dat enig ander geweld tegen hem is gebruikt.

Tussenconclusie

De plaats waar verdachte [naam slachtoffer] raakt, komt overeen met de plaats van het letsel aan diens hoofd en hals. Het is niet aannemelijk dat [naam slachtoffer] na voornoemde klap van verdachte nog meer klappen tegen zijn hoofd heeft gekregen. Ook is op de beelden te zien dat [naam slachtoffer] met de hand grijpt naar de plaats waar verdachte hem geraakt heeft. Deze reactie duidt erop dat de klap een flinke impact heeft gehad.

Alternatieve mogelijkheid?

De raadsman heeft erop gewezen dat de vechtpartij al enige tijd aan de gang is voordat verdachte de klap geeft. Hij heeft aangevoerd dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het de klap van verdachte is geweest die het fatale letsel heeft veroorzaakt, maar dat mogelijk iemand anders, eerder tijdens de vechtpartij, [naam slachtoffer] één of meer klappen tegen het hoofd heeft gegeven. De raadsman heeft op twee momenten gewezen, waaruit volgens hem de reële mogelijkheid volgt dat [naam slachtoffer] van iemand anders een klap krijgt. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat niet al het geweld door de camera’s is geregistreerd.

De rechtbank heeft de camerabeelden meermalen bekeken en constateert ten aanzien van het eerste moment waar de raadsman op heeft gewezen, dat [naam slachtoffer] in de buurt van de vechtpartij is te zien, maar dat hij een sigaret aan het roken is en er ontspannen bij staat. Daaruit leidt de rechtbank af dat hij niet degene is die de klap van [naam 2] krijgt, zoals de raadsman suggereert.

Ten aanzien van het tweede moment, bij de gracht, stelt de rechtbank vast dat de klap die [naam 2] geeft niet op de camerabeelden is te zien. Uit de verklaring van [naam 2] blijkt dat hij degene die in het water is gevallen een klap heeft gegeven. Dit betreft [naam 3] , en niet [naam slachtoffer] . Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat [naam 2] zich niet vergist. [naam 3] verklaart immers zelf het volgende: ‘Er kwam een grotere jongen bij die me een klap op mijn hoofd gaf. Toen ben ik in de gracht gevallen.’ Met de grotere jongen moet hij [naam 2] bedoelen. Verdachte is veel kleiner van stuk dan [naam 2] en [naam 1] was op dat moment niet in de buurt, zo blijkt uit de camerabeelden. Het kan dus niet [naam slachtoffer] zijn geweest die op dit moment een klap van [naam 2] heeft gekregen.

Ten slotte stelt de rechtbank vast dat [naam slachtoffer] , voor zover hij op de camerabeelden is te zien, rustig loopt en een ontspannen indruk maakt. Het lijkt er dan ook sterk op dat hij – tot het moment bij de gracht op de Oudezijds Achterburgwal – niet betrokken is bij de vechtpartij, anders dan dat hij er bij staat en met de Voorthuizenaren meeloopt achter de Roemenen aan, over de Oudezijds Achterburgwal. Het voorgaande draagt bij aan het oordeel van de rechtbank dat het niet aannemelijk is dat [naam slachtoffer] van iemand anders dan verdachte een klap heeft gekregen.

Conclusie doodsoorzaak

Het is niet aannemelijk geworden dat [naam slachtoffer] van iemand anders dan verdachte een klap tegen zijn hoofd heeft gekregen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de krachtige klap van verdachte de klap is geweest die het hersenletsel heeft veroorzaakt, als gevolg waarvan [naam slachtoffer] is overleden.

Vrijspraak primair ten laste gelegde (medeplegen doodslag)

De rechtbank is van oordeel dat het primair ten laste gelegde niet is bewezen, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van het volgende.

Van doodslag is sprake als iemand opzettelijk van het leven wordt beroofd. Verdachte heeft verklaard dat het niet zijn bedoeling is geweest dat [naam slachtoffer] zou komen te overlijden. De rechtbank is van oordeel dat nergens uit blijkt dat dat wel verdachtes bedoeling was. Er kan echter ook sprake zijn van opzet, wanneer verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat een bepaald gevolg optreedt. Dat wordt voorwaardelijk opzet genoemd. In dit geval is dan de vraag of verdachte, door [naam slachtoffer] een klap tegen zijn hoofd te geven, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [naam slachtoffer] als gevolg hiervan zou komen te overlijden. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. De rechtbank overweegt dat de kans dat een persoon als gevolg van één klap tegen het hoofd, ook al is die krachtig, komt te overlijden, op grond van algemene ervaringsregels, niet aanmerkelijk is te noemen. Dat blijkt ook wel uit de omstandigheid dat geen van de overige betrokkenen bij de vechtpartij is overleden, terwijl er meermalen, tegen meerdere personen, fors geweld is gebruikt, waaronder krachtige klappen tegen het hoofd. De rechtbank komt tot de slotsom dat niet is bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [naam slachtoffer] , ook niet in voorwaardelijke zin.

Vrijspraak subsidiair ten laste gelegde (openlijke geweldpleging met de dood tot gevolg)

De rechtbank is van oordeel dat ook het subsidiair ten laste gelegde niet is bewezen zodat verdachte ook daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van het volgende.

Voor een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging is vereist dat het openlijk geweld ‘in vereniging met een ander of anderen’ heeft plaatsgevonden. Hiervan is sprake als ten minste twee personen, waaronder verdachte, een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het groepsgeweld hebben geleverd. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval niet aan dat vereiste voldaan. Zoals de rechtbank hiervoor (onder het kopje: Alternatieve mogelijkheid?) heeft overwogen is niet aannemelijk geworden dat er meer geweld tegen [naam slachtoffer] is gepleegd, dan de klap die verdachte hem heeft gegeven. [naam 1] heeft geen bijdrage geleverd aan enig geweld tegen [naam slachtoffer] . Op het moment van de klap ligt hij een eindje verderop op de grond, nadat hij in elkaar is geslagen. [naam 2] is op het moment van de klap wel bij [naam slachtoffer] en verdachte in de buurt, maar hij is direct voorafgaand aan dat moment door [naam slachtoffer] over een plantenbak geduwd. Uit de beelden en getuigenverklaringen is niet af te leiden dat [naam 2] geweld heeft gebruikt tegen [naam slachtoffer] . De rechtbank komt tot de conclusie dat het enige, tevens noodlottige, geweld dat tegen [naam slachtoffer] is gepleegd, de klap betreft die verdachte hem heeft gegeven. Hoewel wel vaststaat dat [naam 2] heeft bijgedragen aan het openlijk geweld tegen anderen uit de groep van Voorthuizenaren, is de tenlastelegging onder feit 1, subsidiair, toegespitst op uitsluitend het geweld tegen [naam slachtoffer] . Niet kan worden vastgesteld dat [naam 2] een bijdrage heeft geleverd aan dit geweld; een dergelijke bijdrage is in de tenlastelegging ook niet beschreven. Er kan dan ook niet worden bewezen dat het geweld tegen [naam slachtoffer] in vereniging is gepleegd.

Bewezenverklaring meer subsidiair (zware mishandeling met de dood tot gevolg)

Verdachte heeft [naam slachtoffer] een krachtige klap tegen zijn hoofd/nek gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank moet als algemeen bekend worden verondersteld dat met kracht slaan op zo’n gevoelig en kwetsbaar onderdeel van het lichaam de aanmerkelijke kans oplevert dat zwaar lichamelijk letsel ontstaat. De klap heeft ook daadwerkelijk zwaar hersenletsel veroorzaakt. Verdachte heeft door het geven van een klap op deze plek van het lichaam bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Zoals de rechtbank hiervoor (onder het kopje: Doodsoorzaak) heeft overwogen heeft de klap van verdachte, de dood van [naam slachtoffer] tot gevolg gehad.

Vrijspraak medeplegen

Omdat, zoals hiervoor is overwogen, niet is bewezen dat verdachte de klap in vereniging met een of meer anderen heeft gegeven, zal verdachte van het onderdeel medeplegen worden vrijgesproken.

3.3.

Ten aanzien van feit 2

3.3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Uit de verschillende bewijsmiddelen volgt dat verdachte en [naam 2] samen openlijk geweld hebben gepleegd tegen [naam 7] , [naam 6] , [naam 5] , [naam 4] , [naam 3] en [naam 11] . De andere drie Voorthuizenaren, te weten [naam 8] , [naam 9] en [naam 10] , zijn van het begin af aan niet bij de vechtpartij betrokken geweest, noch als slachtoffer, noch als dader. Verdachte dient ten aanzien van het openlijk geweld tegen hen te worden vrijgesproken.

Verdachte zelf heeft bij het begin van de vechtpartij flinke klappen uitgedeeld. Samen met [naam 2] slaat hij een tand uit de mond van [naam 5] en schoppen zij [naam 11] tegen zijn hoofd.

3.3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gedeeltelijke vrijspraak bepleit en hij heeft het volgende naar voren gebracht.

Net als bij feit 1 geldt dat niet blijkt dat er door verdachte, [naam 2] en [naam 1] is geschopt of getrapt. Voor dat gedeelte moet vrijspraak volgen. Daar komt bij dat niet kan worden bewezen dat er geweld is gebruikt tegen [naam 11] , [naam 8] , [naam 10] , [naam 9] en [naam 7] . Verdachte dient ten aanzien van de openlijke geweldpleging tegen hen te worden vrijgesproken.

3.3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van het volgende.

Openlijke geweldpleging door de Roemenen

Uit de bewijsmiddelen volgt dat er door [verdachte] en [naam 2] geweld is gebruikt tegen [naam 6] , [naam 3] , [naam 5] , [naam 4] en [naam 11] . Om te kunnen spreken van ‘het openlijk in vereniging geweld plegen’, zoals ten laste is gelegd, moet worden bewezen dat het geweld ‘openlijk’ en ‘in vereniging’ heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat aan het vereiste ‘openlijk’ is voldaan. De vechtpartij vindt plaats op de openbare weg, de Oudezijds Achterburgwal. Veel mensen zijn hier getuige van geweest, zo is op de camerabeelden te zien. De openbare orde is door de vechtpartij verstoord.

Bijdrage van verdachte aan het geweld

Van ‘in vereniging’ is sprake als een verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het groepsgeweld heeft geleverd. Deze bijdrage kan bestaan uit geweldshandelingen, maar dat hoeft niet. Het moet wel gaan om gedragingen die het plegen van geweld bevorderen, zoals aanmoedigen of achtervolgen/insluiten van het slachtoffer. De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat [verdachte] geweldshandelingen heeft verricht.

Op de camerabeelden is te zien dat [verdachte] , [naam 2] en meerdere Voorthuizenaren bij de eerste gevechtshandelingen flinke klappen uitwisselen. Door de verbalisant die de beelden heeft bekeken wordt dit met betrekking tot [verdachte] omschreven als dat: ‘verdachte zich verdedigt met vuistslagen tegen meerdere vuistslagen van [naam 6] ’. Daarbij moet worden bedacht, dat de vechtpartij niet vanaf het eerste begin is gefilmd. Wat op de beelden te zien is, oogt chaotisch. [verdachte] heeft in zijn eentje meerdere Voorthuizenaren tegenover zich en er wordt over en weer hard uitgehaald. Het ziet er niet uit alsof hij de situatie onder controle heeft en/of aan de winnende hand is. De rechtbank begrijpt dat de verbalisant met zijn woordkeuze dat ‘verdachte zich verdedigt met vuistslagen’ deze situatie heeft willen beschrijven, waarbij de rechtbank nogmaals benadrukt dat het begin van het gevecht niet is te zien en aantekent dat aan deze woordkeuze door de verbalisant niet reeds kan worden ontleend dat sprake zou zijn van zelfverdediging in juridische zin (noodweer). (De rechtbank gaat hieronder in onderdeel 5.3 nader in op het door [verdachte] gedane beroep op noodweer.)

Conclusie

Verdachte heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan het openlijk geweld tegen de vijf genoemde Voorthuizenaren. Daarmee is het ten laste gelegde feit bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen, die zijn opgenomen in bijlage II bij dit vonnis, bewezen dat verdachte

feit 1 meer subsidiair

op 3 september 2016 te Amsterdam, aan een persoon genaamd [naam slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (zwaar hersenletsel) heeft toegebracht, door deze opzettelijk eenmaal, met kracht tegen het hoofd en/of de nek te slaan, terwijl het feit de dood van voornoemde [naam slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

feit 2

op 3 september 2016 te Amsterdam, met anderen, op of aan de openbare weg, te weten de Oudezijds Achterburgwal, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam 6] en [naam 4] en [naam 5] en [naam 3] en [naam 11] , welk geweld bestond uit:

- het meermalen (met kracht en met gebalde vuisten) slaan tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [naam 6] en [naam 4] en [naam 5] en [naam 3] en [naam 11] en

- het meermalen (met kracht en met geschoeide voet) schoppen tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [naam 6] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 3] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

5.1.

Beroep op noodweer

De raadsman heeft bepleit dat er sprake is van noodweer en dat verdachte daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft hiertoe het volgende naar voren gebracht.

Ten aanzien van beide feiten

Vanaf het ontstaan van de vechtpartij was er sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte, [naam 1] en [naam 2] zich moesten verdedigen. Dat er sprake was van zelfverdediging blijkt mede uit vier aspecten: de numerieke meerderheid van de Voorthuizenaren: tien man, waarvan zes zich in het gevecht hebben gemengd, tegen drie Roemenen. Twee van hen doen aan kickboksen of hebben daaraan gedaan. De Voorthuizenaren zijn aanmerkelijk groter, qua lengte en gewicht, dan de Roemeense verdachten. Ten vierde geldt dat er vanuit de groep Voorthuizenaren is geslagen met een hard voorwerp. De camerabeelden spreken voor zich. De Roemenen lopen achteruit en proberen zich te onttrekken. De Voorthuizenaren daarentegen lopen vooruit en drijven hen op.

Ten aanzien van feit 1

De klap die verdachte aan [naam slachtoffer] heeft gegeven moet in het bredere verband worden gezien. Er is op dat moment nog steeds sprake van een noodweersituatie. Anders dan het Openbaar Ministerie doet moet er niet zodanig op het moment van de klap worden ingezoomd dat het lijkt alsof er naast verdachte en [naam slachtoffer] niemand in de buurt is. In de context van het voorafgaande geweld van een overmacht aan vechtlustige dronken Voorthuizenaren, was het voor verdachte gerechtvaardigd om zich met zijn blote handen te verdedigen. Een enkele klap in het voorbij gaan, in de vlucht, is dan een proportionele (re)actie.

5.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van noodweer. Zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1

Verdachte heeft het in zijn verklaringen vooral over momenten voor en na de fatale klap. Het ‘klapmoment’ zelf benoemt hij niet. Hij lijkt het moment niet te hebben geregistreerd. Blijkbaar was er op dat moment geen sprake van een aanval waartegen verdachte zich überhaupt moest verdedigen. Voorafgaand aan het slaan is er geen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van [naam slachtoffer] . Verdachte loopt achter [naam slachtoffer] aan, terwijl die wegloopt van het water. Er ging geen enkele dreiging van hem uit. Dan geeft verdachte hem de klap, waarmee hij de aanval kiest in plaats van weg te lopen bij [naam slachtoffer] vandaan.

Ten aanzien van feit 2

Verdachte en [naam 2] schuwen het geweld niet. Ze slaan en slaan terug. De confrontatie wordt opgezocht, in plaats van dat zij deze uit de weg gaan.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank is van oordeel dat verdachte uit noodweer heeft gehandeld, zodat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van het volgende.

Was er sprake van een noodweersituatie?

De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of er op het moment dat verdachte de klap aan [naam slachtoffer] geeft, sprake is van een ‘ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed’. Met andere woorden: is er sprake van een noodweersituatie?

Bij de brug ontstaat de vechtpartij tussen mannen uit beide groepen. Er wordt over en weer flink geweld gebruikt. Vervolgens verplaatst het gevecht zich over de Oudezijds Achterburgwal. De drie Roemenen lopen achteruit bij de Voorthuizenaren weg, terwijl zes van hen, onder wie [naam slachtoffer] , achter hen aan lopen. Duidelijk is op de camerabeelden te zien dat verdachte, terwijl hij achteruit loopt, gebaren maakt die de rechtbank duidt als dat hij een verdere confrontatie wil vermijden. De groep Voorthuizenaren, numeriek in het overwicht, blijft echter achter de Roemenen aanlopen. Vlak nadat verdachte een afwerend gebaar heeft gemaakt (zie cameramoment 22, op 7.30 minuten) komt het opnieuw tot een confrontatie. Anders dan bij het begin van de vechtpartij wordt er nu niet over en weer gevochten. Vanaf dit moment komt het geweld met name bij een aantal Voorthuizenaren vandaan en voor zover de Roemenen nog terugvechten, is dat duidelijk verdedigend. Het initiatief komt nu duidelijk vanuit de groep Voorthuizenaren.

[naam slachtoffer] mengt zich op dit moment weliswaar niet actief in het gevecht maar loopt wel achteraan in die groep mee en versterkt daarmee die groep getalsmatig.

[naam 1] wordt flink in elkaar geslagen en op de grond tegen een hekje achtergelaten. Het gevecht verplaatst zich naar de rand van de gracht en verdachte wordt door één van de Voorthuizenaren in het water van de gracht gegooid. Geholpen door [naam 2] klimt verdachte snel weer op de kant. Het eerste wat hij dan ziet is dat [naam 2] door [naam slachtoffer] over een plantenbak heen wordt geduwd. Verdachte krabbelt overeind en geeft [naam slachtoffer] , die zich net van hem heeft afgewend en richting de stoep begint te lopen, de klap van achteren tegen zijn hoofd/nek.

De rechtbank is van oordeel dat op het moment dat verdachte deze klap geeft, sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes eigen én eens anders lijf. Verdachte heeft net moeten ervaren dat hij, na het eerdere tegen hem en zijn vrienden vertoonde forse geweld, opnieuw gewelddadig in de gracht is geduwd en het eerste wat hij ziet als hij op de wal is geklommen, is dat zijn vriend [naam 2] , door iemand uit de groep Voorthuizenaren, naar later blijkt [naam slachtoffer] , over een plantenbak wordt geduwd en daardoor komt te vallen. In een reactie op al dit geweld dat nog steeds voortduurt, geeft hij [naam slachtoffer] de fatale klap.

Voor een geslaagd beroep op noodweer moet de te beoordelen handeling voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Proportionaliteit

Met de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat het uitdelen van deze ene klap, ook al was die krachtig, geen disproportionele (re)actie is ter verdediging van hemzelf tegen het zeer kort ervoor nog tegen hem toegepaste geweld, maar ook tegen het nog korter daarvoor tegen [naam 2] door [naam slachtoffer] gepleegde geweld.

Dat [naam slachtoffer] aanvankelijk geen geweld heeft gebruikt doet hier niet aan af. Zoals eerder aangegeven loopt hij wel met de vijf andere Voorthuizenaren mee achter de Roemenen aan en maakt daarmee deel uit van de groep die fors geweld gebruikt tegen hen. Hij heeft daardoor bijgedragen aan een getalsmatig overwicht ten opzichte van de drie Roemeense verdachten, zeker in hun ogen en op dat moment. Daarbij moet worden bedacht dat voor verdachte niet zichtbaar was met welke intenties [naam slachtoffer] in de groep Voorthuizenaren meeliep. Van iemand die door een groep onbekenden wordt aangevallen in een zodanig chaotische situatie als in dit geval, kan niet worden verwacht dat hij per persoon uit de aanvallende groep een volledig correcte inschatting kan maken van de mate waarin die persoon afzonderlijk een gevaar voor hem vormt. Op het moment dat verdachte uit het water komt ziet hij dat het geweld vanuit die groep niet is gestopt, maar dat één van de leden van de groep, namelijk [naam slachtoffer] , [naam 2] met kracht over een plantenbak duwt. Hoewel de klap tegen [naam slachtoffer] valt in een (zeer) korte ‘gevechtspauze’, is de wederrechtelijke aanranding door de Voorthuizenaren tegen de Roemenen op dat moment nog niet geëindigd. Dit wordt bevestigd door het feit dat verdachte onmiddellijk na die klap weer met veel geweld wordt mishandeld door meerdere Voorthuizenaren die zelf hebben verklaard dat ze de klap tegen het hoofd van [naam slachtoffer] niet eens hebben waargenomen.

Kortom: in de context van het voortdurende geweld dat tegen de Roemenen, waaronder verdachte, was gepleegd door de groep Voorthuizenaren waartoe [naam slachtoffer] behoorde, is de klap van verdachte zeer kort na het tegen hem en tegen zijn vriend [naam 2] uitgeoefende geweld te beschouwen als een gerechtvaardigde verdedigingshandeling, noodweer dus.

Subsidiariteit

Niet alleen moet de vraag worden beantwoord of de verdediging door middel van de klap die verdachte aan [naam slachtoffer] geeft in verhouding staat tot de aanranding (proportionaliteitseis) maar ook of verdachte de aanranding op een andere manier had kunnen en moeten beëindigen (subsidiariteitseis), bijvoorbeeld door weg te lopen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van [naam slachtoffer] weg had kunnen lopen, omdat [naam slachtoffer] zich, met de rug naar verdachte toe, van hem af beweegt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich mogelijk aan de aanranding had kunnen onttrekken - zonder geweld te gebruiken - door bij [naam slachtoffer] weg te lopen, maar dat dit in de gegeven omstandigheden niet in redelijkheid van hem kon worden verwacht. Onttrekken was op dat moment geen reëel alternatief. Daarbij betrekt de rechtbank uitdrukkelijk dat de Roemeense verdachten, nadat het geweld op de brug was beëindigd, in eerste instantie juist zijn weggelopen van het geweld. De Voorthuizenaren zijn daarop over de Oudezijds Achterburgwal achter hen aangelopen. Het zich aan het geweld onttrekken door verdachte, [naam 1] en [naam 2] was daarmee niet effectief: op de gracht heeft [naam 1] immers nog flinke klappen gekregen door een van de Voorthuizenaren. Bij de vraag of verdachte zich had kunnen en moeten onttrekken, betrekt de rechtbank ook de omstandigheid dat verdachte onvrijwillig in het water van de gracht is beland. Het is voorstelbaar dat daardoor enige mate van paniek bij verdachte is ontstaan. [naam slachtoffer] beweegt zich weliswaar net nadat verdachte uit het water is gekomen, bij verdachte vandaan, maar hij bevindt zich nog op zeer korte afstand – ongeveer één stap. Daar komt bij dat verdachte met zijn rug naar de gracht staat en dat er zojuist door een meerderheid van Voorthuizenaren fors geweld tegen hem, [naam 2] en [naam 1] is gebruikt. In deze situatie ziet verdachte dan dat [naam slachtoffer] geweld toepast tegen [naam 2] . Nu de aanval van de Voorthuizenaren niet alleen op verdachte was gericht, maar ook op zijn twee vrienden, wil het wegstappen van [naam slachtoffer] niet zeggen dat het gevaar vanuit de groep Voorthuizenaren voor verdachte en zijn vrienden is geweken. De rechtbank vindt dan ook dat er geen redelijk alternatief was in de vorm van weglopen.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank is van oordeel dat het beroep op noodweer ten aanzien van dit feit moet worden verworpen. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van het volgende.

Van noodweer kan, zoals hiervoor al uiteen is gezet, alleen sprake zijn als de gedraging van de verdachte een verdediging is tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Dat betekent dat gedragingen die als aanvallend moeten worden gezien, gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht, geen grondslag kunnen vormen voor een geslaagd beroep op noodweer.

Verdachte heeft – kort gezegd – verklaard dat hij, [naam 1] en [naam 2] door meerdere Voorthuizenaren werden aangevallen en dat hij slechts uit verdediging van zichzelf en zijn vrienden heeft geslagen. De rechtbank stelt op grond van het dossier en de camerabeelden vast dat er in het eerste deel van de vechtpartij, op en kort na de brug, over en weer wordt gevochten, ook door verdachte. Hij neemt deel aan de vechtpartij. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de agressie volledig eenzijdig vanuit één van beide groepen is gekomen. Dat sprake is geweest van een aanval op verdachte of andere personen, waartegen hij zich op deze manier mocht verdedigen, is dan ook niet aannemelijk geworden, zodat het beroep op noodweer wordt verworpen.

Conclusie

Het onder 1 bewezen geachte is niet strafbaar, nu verdachte uit noodweer heeft gehandeld. Hij wordt ten aanzien daarvan ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van feit 2 wordt het beroep op noodweer verworpen. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is ook overigens niet aannemelijk geworden. Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

6.1.

Beroep op noodweerexces

De raadsman heeft, voor het geval de rechtbank van oordeel is dat geen sprake was van noodweer, aangevoerd dat er sprake was van noodweerexces. Hij heeft hiertoe het volgende naar voren gebracht.

Verdachte was doodsbang. Een getuige heeft verklaard dat verdachte voor zijn leven aan het schreeuwen was en dat hij echt in doodsnood was. Er was dus sprake van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door het geweld van de Voorthuizenaren. De angst van verdachte kan zijn vecht/vluchtreactie en zijn geweldshandelingen zonder meer verklaren.

6.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van noodweerexces en zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft niet gesteld dat zijn reactie het gevolg was van een hevige gemoedsbeweging en dat die door de aanval is veroorzaakt. Daarom moet het beroep op noodweerexces worden verworpen.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Omdat verdachte ten aanzien van feit 1 een geslaagd beroep op noodweer heeft gedaan, zal de rechtbank bij de beoordeling van het beroep op noodweerexces alleen ingaan voor zover dat ziet op feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat van noodweerexces geen sprake was. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van het volgende.

Van noodweerexces kan sprake zijn als in een noodweersituatie de grenzen van een toelaatbare verdediging worden overschreden als gevolg van een hevige gemoedsbeweging. Zoals hiervoor is overwogen was er voor wat betreft feit 2 geen sprake van een noodweersituatie. Alleen daarom al komt de rechtbank niet aan de beoordeling van een beroep op noodweerexces toe, zodat het beroep op noodweerexces wordt verworpen.

Conclusie

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte ten aanzien van feit 2 uitsluit. Verdachte is voor dit feit dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren, met aftrek van voorarrest.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de strafoplegging.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal aan verdachte een taakstraf van 150 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden opleggen. Deze strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafoplegging in het bijzonder het volgende overwogen.

Vanuit het niets lijkt de vlam in de pan te slaan, die zaterdagavond 3 september 2016. Verdachte en zijn twee vrienden raken betrokken in een vechtpartij met een aantal mannen die een vrijgezellenfeest vieren op de Amsterdamse Wallen. Er wordt flink geweld gebruikt en het tragische gevolg is dat [naam slachtoffer] de volgende dag in het ziekenhuis overlijdt. Met dit gegeven moeten alle in deze zaak veroordeelden leven en dat is al een zekere straf op zich.

Samen met [naam 2] heeft verdachte openlijk geweld gepleegd tegen vijf leden van de andere groep. De rechtbank kan niet vaststellen wat de aanleiding is geweest voor de vechtpartij. De lezingen hierover, van enerzijds de Roemeense verdachten en anderzijds de groep Nederlandse verdachten, lopen te ver uiteen. Geen van beide scenario’s wordt ondersteund door de camerabeelden of getuigenverklaringen. Hoe dan ook, verdachte gaat – in eerste instantie – het geweld niet uit de weg. Hij deelt meerdere klappen uit. Dat de vechtpartij te midden van het uitgaanspubliek plaatsvindt, maakt het extra kwalijk.

Bij het bepalen van de hoogte van de straffen hanteert de rechtbank in beginsel het principe ‘gelijke monniken, gelijke kappen’. Het is echter zo dat de ene verdachte tijdens de vechtpartij niet of nauwelijks geweld heeft gebruikt, terwijl sommige anderen juist fors geweld hebben toegepast. De bijdrage die verdachte aan het openlijk geweld heeft geleverd en waarvoor hij wordt veroordeeld, is in vergelijking met andere verdachten gemiddeld te noemen. In eerste instantie neemt verdachte actief deel aan het gevecht, in tweede instantie loopt hij weg en worden de drie Roemenen door de Voorthuizenaren opgedreven. Omdat verdachte ten aanzien van feit 1 wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, is de straf die aan verdachte zal worden opgelegd veel lager dan de straf die de officier van justitie heeft geëist.

8 Vordering tot gevangenneming

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de gevangenneming van verdachte zal bevelen. Deze vordering is alleen relevant voor het geval de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal die straf echter niet opleggen en de vordering om die reden afwijzen.

9. Ten aanzien van de benadeelde partijen

9.1.

Benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij, [benadeelde partij 1] , vordert € 693.251,66 aan materiële schadevergoeding (bestaande uit reiskosten, communicatiekosten, (toekomstige) medische kosten, gederfd levensonderhoud, kosten voor lijkbezorging/overlijden en kosten deskundigen) en € 40.000,00 aan immateriële schadevergoeding, bestaande uit affectieschade en shockschade. Daarnaast verzoekt de benadeelde partij om het totaalbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2.

Benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij, [benadeelde partij 2] , vordert € 41.860,00 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit gederfd levensonderhoud, en € 20.00,00 aan immateriële schadevergoeding, bestaande uit affectieschade. Daarnaast verzoekt de benadeelde partij om het totaalbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.3.

Benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij, [benadeelde partij 3] , vordert € 48.423,00 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit gederfd levensonderhoud en € 20.000,00 aan immateriële schadevergoeding, bestaande uit affectieschade. Daarnaast verzoekt de benadeelde partij om het totaalbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.4.

Benadeelde partij [benadeelde partij 4]

De benadeelde partij, [benadeelde partij 4] , vordert € 575,00 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit medische kosten en kosten voor de uitvaart. Daarnaast verzoekt de benadeelde partij om het totaalbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.5.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde kosten dienen te worden toegewezen, met uitzondering van de gevorderde kosten voor affectieschade, reiskosten hoger beroep en toekomstige medische kosten. Ten aanzien van deze posten dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard. De officier van justitie heeft daarnaast verzocht om het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.6.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren.

9.7.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

De vorderingen van de benadeelde partijen hebben betrekking op schade die het gevolg is van het overlijden van [naam slachtoffer] . De dood van [naam slachtoffer] is, in vier varianten, onder 1 aan verdachte ten laste gelegd. Nu verdachte van feit 1 primair en subsidiair wordt vrijgesproken en hij ten aanzien van feit 1 meer subsidiair wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, kunnen de benadeelde partijen niet worden ontvangen in hun vorderingen (zie artikel 361 lid 2 onder a van het Wetboek van Strafvordering).

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

Verklaart het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:

‘zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft’;

ten aanzien van feit 2:

‘openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen’.

Verklaart het bewezene ten aanzien van feit 1 meer subsidiair niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Verklaart het bewezene ten aanzien van feit 2 strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van DRIE (3) MAANDEN.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van HONDERDVIJFTIG (150) UREN, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van VIJFENZEVENTIG (75) DAGEN, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in overleveringsdetentie, verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee (2) uren per dag.

Verklaart de benadeelde partijen, [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] , niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

Wijst af de vordering tot gevangenneming.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. E. Dinjens en M.F. Ferdinandusse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.C. Wagter, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 september 2018.