Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6620

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
24-09-2018
Zaaknummer
13/674126-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Mishandeling, belediging en bedreiging van politieambtenaren en wederspannigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/674216-17

Datum uitspraak: 11 september 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1995,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Op 28 augustus 2018 heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden. Verdachte was daarbij aanwezig. Daarnaast was als raadsman van verdachte aanwezig, mr. S. Akkas.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. Ruijs, van de vorderingen van de benadeelde partijen, en van wat verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 23 oktober 2017 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

1. mishandeling van de politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door hen tegen het hoofd of gezicht te slaan danwel te stompen;

2. het zich verzetten tegen zijn aanhouding door te rukken en te trekken in tegengestelde richting en/of met gebalde vuist wild om zich heen te slaan, ten gevolge waarvan de politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] lichamelijk letsel hebben opgelopen;

3. belediging van politieambtenaar [slachtoffer 3] door hem in zijn oog en/of mond danwel gezicht te spuwen;

4. bedreiging van politieambtenaar [slachtoffer 3] door dreigend de woorden toe te voegen “ik kom binnen acht uur vrij. Dan zoek ik je op. Ik ga je met mijn auto kapot rijden, als ik je zie. Ik ga je dood rijden”.

De precieze tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

Op 23 oktober 2017 waren verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , in uniform gekleed, aan het surveilleren op de Pieter Calandlaan te Amsterdam. Hier zagen zij een auto met hoge snelheid rijden en dit was voor verbalisanten reden om de bestuurder, verdachte een stopteken te geven en hem staande te houden. Verdachte is uitgestapt en begon de verbalisanten met zijn mobiele telefoon te filmen. Vervolgens blijkt uit het proces-verbaal met een beschrijving van dat filmpje dat verdachte zich recalcitrant en uitdagend gedraagt richting de verbalisanten.

Op ditzelfde filmpje is vervolgens te zien en te horen dat door een van de verbalisanten aan verdachte drie keer is gevraagd om op de stoep te gaan staan maar dat verdachte hieraan geen gevolg geeft. Dit is voor verbalisant reden om verdachte aan te houden. Verdachte heeft verklaard dat de verbalisanten hem zonder reden aanhielden. De rechtbank is van oordeel dat sprake was van een rechtmatige aanhouding, omdat verdachte op dat moment niet voldeed aan de vorderingen van de verbalisant. Daarmee staat vast dat verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] handelden in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Tijdens de aanhouding van verdachte ontstond vervolgens een worsteling tussen de verbalisanten en verdachte. De verbalisanten hebben versterking gekregen van andere collega’s en uiteindelijk is pepperspray gebruikt om verdachte onder controle te krijgen.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft onder verwijzing naar haar schriftelijke requisitoir geconcludeerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van onder 1 en 2 tenlastegelegde worden de aangiftes van verbalisanten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] voldoende ondersteund door de letselverklaringen. [slachtoffer 2] heeft een zwelling op zijn rechterslaap, passend bij een vuistslag en [slachtoffer 1] een bult op het achterhoofd en enkele schaafwonden op zijn elleboog.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde wordt de aangifte van verbalisant [slachtoffer 3] ondersteund door de verklaring van verbalisant [naam verbalisant 1] . Hij heeft ook gezien dat verdachte heeft gespuugd.

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde wordt de aangifte van verbalisant [slachtoffer 3] ondersteund door de verklaring van verbalisant [naam verbalisant 2] die de bedreiging ook heeft gehoord.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft onder verwijzing naar zijn schriftelijke pleitnotitie, kort gezegd, naar voren gebracht dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde. Dit zal hierna uiteen worden gezet. Het onder 2 tenlastegelegde kan volgens de raadsman wel bewezen worden.

Het onder 1 tenlastegelegde kan niet bewezen worden nu verbalisant [slachtoffer 1] niet heeft gezien dat verbalisant [slachtoffer 2] is geslagen door verdachte en verbalisant [slachtoffer 2] niet heeft gezien dat verbalisant [slachtoffer 1] is geslagen door verdachte. Er is teveel onduidelijkheid over de gestelde vuistslagen.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft verdachte verklaard dat hij moest hoesten omdat er pepperspray in zijn mond terecht was gekomen. Hierdoor kwam er kwijl uit zijn mond. Voorts kon verdachte de verbalisant niet zien door de pepperspray in zijn ogen. Verdachte heeft daarmee niet opzettelijk in het gezicht van de verbalisant gespuugd.

Het onder 4 tenlastegelegde kan niet bewezen worden nu vereist is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Verdachte had op dat moment geen auto en kon niet ziet hoe verbalisant [slachtoffer 3] eruit zag of waar hij verbleef. De woorden van verdachte kunnen in deze context worden gezien als emotionele ontlading en waren geen serieuze bedreiging voor de verbalisant.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat uit de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle tenlastegelegde feiten. Zij overweegt hiertoe het volgende.

Feit 1 en 2

Verbalisanten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben beiden aangifte gedaan van mishandeling. Deze aangiftes worden ondersteund door de letselverklaringen. Uit de beschrijvingen in het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verdachte de verbalisanten na zijn aanhouding probeerde weg te duwen en heeft geprobeerd om de verbalisanten weg te slaan. Zij zagen verdachte daarbij met gebalde vuisten om zich heen slaan. Nu verdachte in deze omstandigheden met zijn gebalde vuisten om zich heen sloeg, acht de rechtbank het aannemelijk dat het verdachte is geweest die de twee verbalisanten met zijn vuisten heeft geraakt en het letsel heeft veroorzaakt. Ten aanzien van het verzet tegen de aanhouding overweegt de rechtbank dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij zich inderdaad heeft verzet tegen zijn aanhouding.

De rechtbank is ook van oordeel dat sprake is van eendaadse samenloop. Hoewel de artikelen niet geheel dezelfde belangen beogen te beschermen, is in onderhavige zaak sprake van één feitencomplex waarbij de feiten zodanig met elkaar zijn verweven en zozeer in elkaar opgaan dat moet worden geoordeeld dat daar één wilsbesluit aan ten grondslag ligt.

Feit 3

Verbalisant [slachtoffer 3] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij zag dat verdachte bukte en zijn hoofd opzij en naar achteren draaide in zijn richting voordat hij voelde dat hij in zijn gezicht werd gespuugd. Dat verdachte een dergelijke beweging met zijn hoofd maakte voordat hij spuugde, is ook verklaard door verbalisant [naam verbalisant 1] . De rechtbank acht daarom de verklaring van verdachte dat hij moest hoesten waardoor er per ongeluk speeksel in het gezicht van de verbalisant terecht kwam onaannemelijk en leidt uit deze draaiende beweging af dat verdachte de verbalisant opzettelijk in zijn gezicht heeft gespuugd.

Feit 4

De rechtbank deelt de opvatting van de verdediging dat de uitlatingen van verdachte slechts kunnen worden opgevat als emotionele ontlading niet. Voorafgaand aan de uitingen was er al een vechtpartij geweest tussen verdachte en de verbalisanten waarbij verdachte ook geweld heeft gebruikt. Onder die omstandigheden kon bij verbalisant [slachtoffer 3] de redelijke vrees ontstaan dat verdachte werkelijk uiting zou geven aan zijn bedreiging. Uit de verklaring van verbalisant [slachtoffer 3] blijkt ook dat hij de uitingen van verdachte erg serieus nam en zich hierdoor bedreigd voelde. Dat de verdachte niet over een auto beschikte om zijn bedreigingen waar te kunnen maken, wordt tegengesproken door de omstandigheid dat verdachte als bestuurder van een auto werd aangehouden.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op 23 oktober 2017 te Amsterdam opzettelijk mishandelend politieambtenaren, te weten: [slachtoffer 1] , agent van politie Eenheid Amsterdam, en [slachtoffer 2] , hoofdagent van politie Eenheid Amsterdam, gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening tegen het hoofd heeft geslagen.

ten aanzien van feit 2:

op 23 oktober 2017 te Amsterdam toen aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaren te weten, [slachtoffer 1] , agent van politie Eenheid Amsterdam en [slachtoffer 2] , hoofdagent van politie Eenheid Amsterdam en [slachtoffer 3] , brigadier van politie Eenheid Amsterdam en [naam verbalisant 2] , aspirant van politie Eenheid Amsterdam en [naam verbalisant 1] , inspecteur van politie Eenheid Amsterdam, verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van een op heterdaad ontdekt strafbaar feit hadden aangehouden en hadden vastgegrepen ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden en met gebalde vuist wild om zich heen te slaan, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel te weten,

- bij die [slachtoffer 1] een bult op het achterhoofd en diverse schaafwonden, en

- bij die [slachtoffer 2] een kneuzing aan de vinger en pols en een zwelling op de rechterslaap,

ten gevolge heeft gehad;

ten aanzien van feit 3:

op 23 oktober 2017 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar [slachtoffer 3] , brigadier van politie Eenheid Amsterdam, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door toen en daar die [slachtoffer 3] in zijn mond te spuwen;

ten aanzien van feit 4:

op 23 oktober 2017 te Amsterdam opzettelijk een persoon [slachtoffer 3] , brigadier van politie Eenheid Amsterdam, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik ga je dood rijden” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Motivering van de straf en maatregel

5.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

5.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de strafmaat geen standpunt ingenomen.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling, bedreiging en belediging van verschillende politieagenten en heeft zich verzet tegen zijn aanhouding. Verdachte heeft van begin af aan een agressieve houding aangenomen en de rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. De rechtbank acht een geldboete onder deze omstandigheden niet passend. Bovendien heeft verdachte verklaard dat hij bij zijn ouders woont en geen eigen inkomen heeft.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat hij zich, blijkens zijn strafblad van 3 augustus 2018, niet eerder schuldig heeft gemaakt aan geweldsmisdrijven.

De rechtbank is gelet op het hiervoor overwogene van oordeel dat een taakstraf van na te noemen duur in dit geval passend en geboden is. Daarbij houdt de rechtbank ook rekening met de omstandigheid dat de feiten 1 en 2 gepleegd zijn in eendaadse samenloop, zodat voor die beiden feiten slechts eenmaal straf wordt toegemeten. Voorts heeft verdachte aangegeven dat er volgens hem een conflict tussen hem en de politie gaande is; hij zou door de politie hinderlijk in de gaten worden gehouden en steeds worden gecontroleerd. Gelet daarop en om herhaling van geweld van de zijde van verdachte te voorkomen, acht de rechtbank het van belang om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

6 Vorderingen benadeelde partij

6.1

Ten aanzien van [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 600,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

De raadsman heeft verzocht om de vordering af te wijzen daar hij vrijspraak heeft bepleit.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting niet betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, het opgelopen handletsel en hoofdletsel, en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 23 oktober 2017, tot aan de dag van voldoening.

De vordering zal voor het meerdere worden afgewezen.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 2] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 en 2 bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 23 oktober 2017, tot aan de dag van voldoening.

6.2

Ten aanzien van [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 250,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

De raadsman heeft verzocht om de vordering af te wijzen daar hij vrijspraak heeft bepleit.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting niet betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, het opgelopen hoofdletsel en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 23 oktober 2017, tot aan de dag van voldoening.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 en 2 bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 23 oktober 2017, tot aan de dag van voldoening.

6.3

Ten aanzien van [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert € 400,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

De raadsman heeft verzocht om de vordering af te wijzen daar hij vrijspraak heeft bepleit.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 3 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit in zijn eer of goede naam is aangetast en verdachte het oogmerk had angst toe te brengen.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting niet betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 23 oktober 2017, tot aan de dag van voldoening.

De vordering zal voor het meerdere worden afgewezen.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 3] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 23 oktober 2017, tot aan de dag van voldoening.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 55, 56, 57, 180, 181, 266, 267, 266, 267, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

wederspannigheid;

ten aanzien van feit 3:

eenvoudige belediging, terwijl die belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

ten aanzien van feit 4:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 80 (tachtig) uren.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag.

Beveelt dat een gedeelte van deze straf, groot 30 (dertig) uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij verdachte zich voor het einde van de op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 15 dagen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 23 oktober 2017, tot aan de dag van voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 2] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , te betalen de som van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 23 oktober 2017, tot aan de dag van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 5 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 23 oktober 2017, tot aan de dag van voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , te betalen de som van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 23 oktober 2017, tot aan de dag van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 5 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 3] toe tot € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 23 oktober 2017, tot aan de dag van voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 3] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3] , te betalen de som van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 23 oktober 2017, tot aan de dag van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 5 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H. Marcus, voorzitter,

mrs. M.J.E. Geradts en J.I.M. Kuin, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Leenstra, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 september 2018.

Bijlage I

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

ten aanzien van feit 1:

hij op of omstreeks 23 oktober 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend één of meer (politie)ambtena(a)r(en), te weten: [slachtoffer 1] , agent van politie Eenheid Amsterdam, en/of [slachtoffer 2] , hoofdagent van politie Eenheid Amsterdam, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, meermalen, althans eenmaal in/op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen danwel gestompt;

ten aanzien van feit 2:

hij op of omstreeks 23 oktober 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, toen (een) aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtena(a)r(en)(te weten, [slachtoffer 1] , agent van politie Eenheid Amsterdam, en/of [slachtoffer 2] , hoofdagent van politie Eenheid Amsterdam, en/of [slachtoffer 3] , brigadier van politie Eenheid Amsterdam, en/of [naam verbalisant 2] , aspirant van politie Eenheid Amsterdam, en/of [naam verbalisant 1] , inspecteur van politie Eenheid Amsterdam, verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en) had(den) aangehouden en had(den) vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerst genoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden danwel te bewegen en/of met (gebalde) vuist wild om zich heen te slaan, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel

-bij die [slachtoffer 1] , te weten een bult op het achterhoofd en/of diverse schaafwonden, en/of

-bij die [slachtoffer 2] , te weten een kneuzing aan de vinger en/of pols en/of een zwelling op de (rechter)slaap, ten gevolge heeft gehad;

ten aanzien van feit 3:

hij op of omstreeks 23 oktober 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een ambtenaar [slachtoffer 3] , brigadier van politie Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door toen en daar die [slachtoffer 3] in zijn oog en/of mond dan wel gezicht te spuwen;

ten aanzien van feit 4:

hij op of omstreeks 23 oktober 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een persoon [slachtoffer 3] , brigadier van politie Eenheid Amsterdam, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd; 'ik kom binnen 8 uur vrij. Dan zoek ik je op. Ik ga je met mijn auto kapot rijden, als ik je zie. Ik ga je dood rijden' althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.