Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6601

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-07-2018
Datum publicatie
18-09-2018
Zaaknummer
13-684501-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

medeplegen van een diefstal met braak in een woning, verdachte verstopt in een boom, geen verklaring voor zijn aanwezigheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/684501-17 (Promis)

Datum uitspraak: 27 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 juli 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J. de Graaf en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J.A. Huibers naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 21 november 2017 heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal door middel van braak in een woning aan de [adres 2] . Subsidiair is de poging daartoe ten laste gelegd.

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de diefstal door middel van braak in de woning wettig en overtuigend kan worden bewezen op grond van de aangifte, de getuigenverklaring en het proces-verbaal van bevindingen. Verdachte is onder zeer verdachte omstandigheden aangehouden en geeft hiervoor geen verklaring. Er is sprake van een voltooide diefstal, nu een sleutelbos uit de woning van de aangever is weggenomen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

Verdachte ontkent het feit. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft verklaard dat hij op de bewuste avond wel aanwezig is geweest in de buurt van het huis van de aangever, maar dat hij niet in de woning is geweest en hij geen sleutels heeft weggenomen. Er is geen omstandigheid in dossier die deze verklaring van verdachte uitsluit. Er is een scenario mogelijk dat verdachte geen wezenlijke intellectuele of materiële bijdrage heeft geleverd aan de diefstal.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat medeverdachte [medeverdachte] is vrijgesproken voor het primair ten laste gelegde en veroordeeld voor het subsidiair ten laste gelegde. Nu volgens de officier van justitie sprake is van medeplegen, zou verdachte in ieder geval van het primair ten laste gelegde moeten worden vrijgesproken.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

[persoon 1] , wonend op de [adres 3] , keek op 21 november 2017 rond 02:00 uur uit zijn raam en zag drie personen met capuchons doelbewust de tuin van zijn buren van [adres 4] inlopen. [persoon 1] wist dat de bewoner van nummer [nummer 2] , [persoon 2] , op dat moment op vakantie was. [persoon 1] heeft daarop de politie gebeld. Toen verbalisanten ter plaatse zijn gekomen, hebben zij contact met [persoon 1] opgenomen. [persoon 1] verklaarde dat hij op dat moment drie personen de woning zag verlaten en de tuin in zag rennen. Verbalisant [verbalisant 1] zag een persoon in de tuin van nummer [nummer 2] staan en een tweede persoon vanuit het dakraam van nummer [nummer 2] in de tuin springen. Later zag verbalisant [verbalisant 2] twee personen uit de woning van nummer [nummer 3] rennen. Verbalisanten hebben deze twee personen aangehouden. De politiehelikopter nam een warmtebron waar in de tuin van nummer [nummer 4] . Verbalisanten zagen dat verdachte zich had verstopt in een boom. Verdachte is hieruit gesprongen en is weggerend van de politie. Een politiehond heeft verdachte tot stilstand gebracht. Verdachte is hierbij gebeten door de politiehond. Verdachte is vervolgens aangehouden. Namens aangever, [persoon 2] , is aangifte gedaan van diefstal uit zijn woning. Een raam aan de voorzijde van de woning is opengebroken. In de woning is een breekijzer aangetroffen. De gehele woning is doorzocht. In de tuin van nummer [nummer 4] werd een sleutelbos aangetroffen, die volgens aangever afkomstig is uit zijn woning.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden staat vast dat op 21 november 2017 is ingebroken in de woning van aangever en dat er een sleutelbos is weggenomen. Daarmee is sprake van een voltooide diefstal. Er zijn die nacht drie personen gezien die de tuin van aangever in liepen. Ook is gezien dat drie personen de woning van aangever verlieten. Er zijn drie personen aangehouden, waaronder verdachte. Het feit dat verdachte rond 03:26 uur in een boom zat verstopt, in een tuin in Diemen waar hij niets had te zoeken, terwijl kort daarvoor een inbraak is gepleegd in de woning ernaast, wekt de uiterlijke schijn dat verdachte betrokken is geweest bij die inbraak. Dat vermoeden van betrokkenheid wordt versterkt door de omstandigheid dat verdachte op de vlucht is geslagen toen de politie hem probeerde aan te houden. Deze omstandigheden schreeuwen om een verklaring van verdachte. Verdachte heeft echter geen verklaring willen geven voor zijn aanwezigheid daar op dat tijdstip.

De omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden ter zake van het voorhanden hebben van de goederen kan op zichzelf niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechtbank, indien de verdachte voor zo'n omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken.

Gelet op de zeer verdachte omstandigheden waaronder verdachte is aangehouden en het feit dat hij geen verklaring heeft willen voor zijn aanwezigheid aldaar, kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat verdachte een aandeel heeft gehad in die inbraak.

Medeplegen

In dit geval kan met betrekking tot de toedracht van de diefstal worden vastgesteld dat deze door "verenigde personen" is begaan, maar kan niet direct worden vastgesteld wie van de drie verdachten de sleutels heeft weggenomen. Uit de jurisprudentie volgt dat indien in een dergelijk geval de verdachte zelf kort na de diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij het strafbare feit duiden, sprake kan zijn van een situatie waarin het uitblijven van een aannemelijk verklaring van de verdachte van belang is voor de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde medeplegen kan worden bewezen. Dit overwegende en op grond van het feit dat verdachte en zijn medeverdachten alle drie in de woning zijn geweest en dat zij vervolgens allen op de vlucht zijn geslagen toen de politie ter plaatste kwam, is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank acht dan ook het medeplegen van de diefstal bewezen. Het door de raadsman gepresenteerde alternatieve scenario ontbeert gezien de proceshouding van verdachte een feitelijke onderbouwing en noopt daarom niet tot weerlegging.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de als bijlage II aan dit vonnis gehechte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 21 november 2017 omstreeks 02.43 uur, te Diemen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [adres 4] , heeft weggenomen een sleutelbos, toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak van een raam van voornoemde woning.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. De officier van justitie heeft bij zijn eis rekening gehouden met de ernst van het feit, de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en de recidive die blijkt uit het strafblad van verdachte.

7.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft zich – in het geval de rechtbank tot strafoplegging komt – op het standpunt gesteld dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet in het belang van de maatschappij zou zijn en niet in het belang van verdachte. Verdachte heeft bij de reclassering aangegeven dat hij graag hulp wil krijgen. In het kader van de schorsingsvoorwaarden heeft hij die hulp gekregen. Verdachte heeft zich aan zijn schorsingsvoorwaarden gehouden en komt de afspraken na. De verdediging heeft verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen in combinatie met een werkstraf, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Verdachte zal dan in een begeleidingskader terecht komen en zal onder de radar van de reclassering zijn.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een diefstal met braak in een woning. De eigenaar van die woning is een 91-jarige man die op dat moment op vakantie was. Verdachte heeft hiermee een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangever. Ook heeft hij hierdoor getoond geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen en alleen aan zijn eigen financiële gewin te denken. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Daarnaast neemt de rechtbank het verdachte kwalijk dat hij op geen enkele manier verantwoording heeft genomen voor zijn handelen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 19 juni 2018 waaruit blijkt dat verdachte vaker is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Ook volgt daaruit dat ten tijde van het plegen van het feit de proeftijd van een voorwaardelijk opgelegde straf pas recent was verlopen. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden wederom de fout in te gaan.

Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 29 maart 2018 waaruit volgt dat verdachte zich aan zijn schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. Verder wordt onder andere geadviseerd verdachte te verplichten tot medewerking aan het verkrijgen van verdiepingsdiagnostiek.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte en de samenleving in het bijzonder niet gebaat zouden zijn bij het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Uit de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte blijkt dat hij in het verleden een negatief sociaal netwerk had, maar dat hij daar nu geen deel meer van uitmaakt. Ondanks het feit dat verdachte nu weer de fout is ingegaan, is uit het Uittreksel Justitiële Documentatie af te leiden dat het ook een tijd goed is gegaan. Om die reden acht de rechtbank het onwenselijk dat verdachte in het gevangeniswezen zou terechtkomen. Alles overwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf van 92 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 180 uren opleggen. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarden opleggen zoals die door de reclassering zijn geadviseerd.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldigen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 92 (tweeënnegentig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 90 (negentig) dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. Verdachte moet zich binnen vijf werkdagen na veroordeling melden bij het kantoor van Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering op de [adres 5] te Amsterdam. Hierna moet verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en dient hij zich te houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;

2. Verdachte wordt verplicht mee te werken aan het verkrijgen van verdiepingsdiagnostiek via De Waag of een soortgelijke instelling, en indien dit geïndiceerd is, zich te laten behandelen bij De Waag of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven;

3. Verdachte wordt verplicht om mee te werken aan een begeleidingstraject via het UWV, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. E.M.M. Gabel en J.M. Hoogveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B. Pünt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 juli 2018.