Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6599

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-07-2018
Datum publicatie
18-09-2018
Zaaknummer
13-680302-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

onttrekking van minderjarig kind aan het opzicht van Jeugdbescherming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/680302-17 (Promis)

Datum uitspraak: 27 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 juli 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J. de Graaf en van wat verdachte en haar raadsman mr. E.G.S. Roethof naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt verweten dat zij zich in de periode van 26 november 2017 tot en met 10 maart 2018 in Nederland en/of België schuldig heeft gemaakt aan het onttrekken van haar zoontje [naam zoontje] aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende.

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een nietige dagvaarding. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de tenlastelegging onvoldoende feitelijk is, nu enkel de tekst van de wet is herhaald. Het is daarom niet duidelijk wat verdachte feitelijk wordt verweten. De raadsman heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van rechtbank Zwolle-Lelystad, ECLI:NL:RBZLY:2010:BM2169.

3.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding geldig is. Hoewel de tenlastelegging grotendeels een herhaling van de wettekst is, blijkt uit de verklaringen van verdachte in het dossier dat zij weet wat haar wordt verweten. Indien de dagvaarding en het dossier in samenhang worden bekeken, is voldoende aan de informatiefunctie van de dagvaarding voldaan.

3.3

Oordeel van de rechtbank

Het criterium voor de geldigheid van de dagvaarding is of het de verdachte en de verdediging redelijkerwijs duidelijk kan zijn waarvan de verdachte wordt beschuldigd. De beoordeling of hiervan sprake is, vindt onder andere plaats in het licht van het onderliggend dossier. De rechtbank overweegt dat de tenlastegelegde periode beperkt is, dat het zoontje van verdachte wordt genoemd als het onttrokken kind en dat, onder meer, Antwerpen is genoemd als plaats waar verdachte met haar zoon heeft verbleven. Bovendien heeft de Hoge Raad bepaald dat het begrip onttrekken op zichzelf voldoende feitelijke betekenis heeft.1 De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat het verwijt dat verdachte in de tenlastelegging wordt gemaakt, voldoende feitelijk en duidelijk is omschreven. De tenlastelegging voldoet daarmee aan de informatiefunctie van de dagvaarding.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de dagvaarding geldig is.

Daarnaast is deze rechtbank bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en is de officier van justitie ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Feiten en omstandigheden

Verdachte verbleef met haar zoontje [naam zoontje] , geboren [datum] , in een gezinshuis van Altra in [plaatsnaam] . Op 23 november 2017 is door de kinderrechter besloten dat [naam zoontje] onder toezicht werd gesteld van de Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: Jeugdbescherming). Drie dagen later is verdachte niet volgens de afspraken met [naam zoontje] teruggekomen in het gezinshuis. Op 27 november 2017 heeft een medewerker van het gezinshuis hiervan melding gemaakt. Op 28 november 2017 is door een medewerker van Jeugdbescherming aangifte gedaan van onttrekking van [naam zoontje] aan het bevoegd gezag. Op 5 december 2017 heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [naam zoontje] voor verblijf in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 5 december tot uiterlijk 1 juni 2018. Op 10 maart 2018 zijn verdachte en [naam zoontje] , na zeer intensieve naspeuringen, aangetroffen in een woning in Antwerpen en is verdachte aangehouden.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen op grond van de aangifte, de beschikking ondertoezichtstelling, de beslissing tot uithuisplaatsing, het aantreffen van verdachte met [naam zoontje] in België en de verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting. In het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat de verdenking de periode van 5 december 2017 tot en met 10 maart 2018 betreft. In verband met het specialiteitsbeginsel moet daarom worden uitgegaan van deze periode. Het feit kan voor deze periode bewezen worden.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie geen vervolgingsrecht heeft voor de periode van 26 november 2017 tot 5 december 2017 gelet op de feitsomschrijving in het Europees aanhoudingsbevelbevel en het specialiteitsbeginsel. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, wegens het ontbreken van het opzet op het onttrekken aan het gezag. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op 23 november 2017 is de ondertoezichtstelling uitgesproken. Uit de beschikking blijkt niet wat de consequenties van die ondertoezichtstelling zijn en deze waren voor verdachte niet kenbaar. Daarin staat niet beschreven waartoe verdachte al dan niet bevoegd is noch is dat uiteengezet tijdens de zitting van de kinderrechter. Op 5 december 2017 is de beslissing tot uithuisplaatsing uitgesproken. Verdachte was niet aanwezig bij die zitting. Uit het dossier blijkt niet dat de beslissing aan verdachte is betekend. Nu de inhoud van de ondertoezichtstelling niet duidelijk is en de beslissing uithuisplaatsing niet is betekend, kan niet worden geconcludeerd dat verdachte opzet heeft gehad op het onttrekken aan het gezag. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is voor de periode van 26 november 2017 tot 5 december 2017. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. De omstandigheid dat er in de tenlastelegging een ruimere verdenking is geformuleerd dan in het Europese aanhoudingsbevel leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Een mogelijke schending van het specialiteitsbeginsel brengt met zich dat ter zake van hetgeen (mogelijk) bewezen kan worden verklaard, gelet op artikel 27 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ, geen vrijheidsbenemende maatregel kan worden opgelegd. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging. Gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen, speelt die kwestie van de strafoplegging niet in de onderhavige casus.

Het staat vast dat verdachte [naam zoontje] heeft meegenomen naar Antwerpen. Uit de jurisprudentie2 volgt dat een ondertoezichtstelling op zichzelf niet betekent dat de ouder niet meer mag bepalen waar het kind verblijft of woont, ook als dat in het buitenland is. Bij de ondertoezichtstelling zijn geen verboden daaromtrent opgelegd. Indien echter sprake is van een uithuisplaatsing, is het vertrek en vestiging in het buitenland, zoals in deze zaak aan de orde is, niet toegestaan. Dit betekent dat verdachte tot het moment dat op 5 december 2017 de beslissing tot uithuisplaatsing is uitgesproken nog steeds bevoegd was over de verblijfplaats van [naam zoontje] te beslissen. Om die reden zal verdachte gedeeltelijk worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, namelijk voor de periode van 26 november 2017 tot 5 december 2017.

De rechtbank is gelet op de onder 4.1 vermelde feiten en omstandigheden van oordeel dat het ten laste gelegde feit voor de periode vanaf 5 december 2017 wel kan worden bewezen. Anders dan de raadsman acht de rechtbank bewezen dat verdachte [naam zoontje] opzettelijk aan het opzicht van Jeugdbescherming heeft onttrokken. Het feit dat uit het dossier niet blijkt dat de beslissing uithuisplaatsing aan verdachte is betekend, betekent niet dat verdachte geen opzet heeft gehad op het onttrekken van [naam zoontje] aan het opzicht van Jeugdbescherming. Verdachte heeft immers bij de Belgische politie verklaard dat zij is gevlucht met haar kind. Ook heeft zij ter terechtzitting verklaard dat zij wel wist van de beslissing tot uithuisplaatsing. Dit was juist voor haar een reden met [naam zoontje] weg te blijven. De rechtbank gaat er daarom van uit dat verdachte zich bewust is geweest van het feit dat zij [naam zoontje] in strijd met de beslissing tot uithuisplaatsing heeft meegenomen naar België en hem daarmee buiten het bereik en de invloedssfeer van Jeugdbescherming heeft gebracht en gehouden. Zij heeft Jeugdbescherming niet van haar vertrek en de verblijfplaats van [naam zoontje] op de hoogte gesteld.

De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte [naam zoontje] opzettelijk aan het opzicht van Jeugdbescherming heeft onttrokken zoals is ten laste gelegd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de als bijlage II aan dit vonnis gehechte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in de periode van 5 december 2017 tot en met 10 maart 2018, in Nederland en te Antwerpen, opzettelijk een minderjarige, genaamd [naam zoontje] , geboren op 16 februari 2017, heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende terwijl die minderjarige beneden de twaalf jaren oud was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van 3 jaren en met de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. De officier van justitie heeft gevorderd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is getraumatiseerd door haar eigen ervaringen met Jeugdzorg in het verleden. Haar jeugd is erdoor beheerst en haar toekomst wordt erdoor beïnvloed. Verdachte is een moeder die het beste wil voor haar kind en ook daadwerkelijk voor haar kind heeft gezorgd. De verdediging verzoekt tevens rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachte. Gelet op het voorgaande heeft de verdediging primair verzocht artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen. Subsidiair zou een voorwaardelijke taakstraf passend zijn.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan onttrekking van haar minderjarige kind, jonger dan 12 jaar oud, aan het opzicht van Jeugdbescherming. In strijd met de beslissing tot uithuisplaatsing is zij met haar kind, uiteindelijk naar België, gevlucht. Zij heeft haar kind op een voor Jeugdbescherming onbekend adres ondergebracht en buiten het bereik en de invloedsfeer van deze instelling gehouden. Dit is een ernstig strafbaar feit, nu de maatregel van uithuisplaatsing een uiterst middel is, dat ten behoeve van het welzijn en de veiligheid van kinderen wordt ingezet. De rechtbank rekent het verdachte aan dat zij, door zo te handelen, een rechterlijke uitspraak naast zich neer heeft gelegd.

De rechtbank heeft acht geslagen op een Pro Justitia rapport van 17 mei 2018 opgemaakt door drs. A.M.I. Peelen, GZ-psycholoog. Uit dit rapport volgt dat bij verdachte sprake is van een aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis en een gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale trekken. De persoonlijkheidsstoornis beïnvloedde haar gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de bij de verdachte bestaande persoonlijkheidsstoornis.

De rechtbank kan gelet op haar eigen verleden en jeugdervaringen met ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing de paniek die de beslissing tot uithuisplaatsing teweeg heeft gebracht nog wel begrijpen. Dat zij juist voor haar kind een ander leven wil, is goed inleefbaar. Voor de rechtbank staat verder vast dat zij veel liefde voor [naam zoontje] voelt en dat zij hem zo goed als zij kan heeft verzorgd, wordt niet betwijfeld. Haar keuze op 5 december 2017 en de periode daarna is echter wel een onjuiste geweest.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte meegewogen dat haar leven inmiddels een gunstige wending heeft genomen. Dat is ook te lezen in het adviesrapport van Reclassering Nederland van 11 juli 2018. Verdachte is bezig met het vinden van een eigen woning. Zij werkt als kamermeisje in een hotel in Vlissingen en wil in de toekomst weer een opleiding gaan volgen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat ook meegewogen dat verdachte zich na de schorsing van de voorlopige hechtenis op 15 maart 2018 aan het toezicht heeft gehouden en de afspraken is nagekomen.

De rechtbank zal ook in het voordeel van verdachte laten meewegen dat uit het verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 19 juni 2018 blijkt dat verdachte na het onderhavige feit niet met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Verdachte heeft verklaard dat zij in de toekomst niet weer een soortgelijk feit zal plegen. De rechtbank twijfelt niet aan de goede intenties van verdachte. Het punt is dat het, juist omdat zij zoveel van haar kind houdt, op momenten moeilijk zal zijn haar diepgevoelde wens om zelf voor hem te kunnen zorgen en hem bij haar te hebben niet de overhand te laten nemen. Daarin zit enig risico voor herhaling. Om dit risico te ondervangen, acht de rechtbank een voorwaardelijke straf als stok achter de deur noodzakelijk. Het opleggen van een voorwaardelijke taakstraf – zoals door de raadsman geopperd – zal volgens de rechtbank een onvoldoende signaal naar verdachte zijn om haar ervan te weerhouden zich nogmaals schuldig te maken aan een soortgelijk feit. De op te leggen straf bedoelt uitdrukkelijk niet de toekomstige omgang tussen moeder en kind te bemoeilijken.

Alles afwegende zal de rechtbank, om aan de ernst van de feiten recht te doen, een gevangenisstraf van twee maanden opleggen met aftrek van voorarrest, geheel voorwaardelijk met daarbij de nader te noemen bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Aan de voorwaardelijke straf wordt een proeftijd van drie jaar verbonden. De bijzondere voorwaarden zullen dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. De rechtbank acht dit noodzakelijk nu er rekening mee moet worden gehouden dat verdachte – zoals gezegd uit liefde voor haar kind – wederom een soortgelijk misdrijf zal begaan dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van haar kind.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 279 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde voor de periode van 26 november 2017 tot en met 4 december 2017 niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. Verdachte meldt zich bij Reclassering Nederland op het adres [adres reclassering] . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. Er is sprake van een lopend schorsingstoezicht dat kan worden voortgezet;

2. Verdachte neemt actief deel aan de gedragsinterventie COVA/COVA + of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

3. Verdachte laat zich behandelen door Forensische Zorg Zeeland (FFZ) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na intake. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

4. Verdachte verblijft in een nog nader te bepalen instelling voor begeleid zelfstandig wonen of beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start na onderzoek van woonmogelijkheden en indicatiestelling. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor haar heeft opgesteld;

5. Verdachte werkt mee aan het aflossen van haar schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in haar financiën en schulden;

6. Verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van het Openbaar Ministerie.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. E.M.M. Gabel en J.M. Hoogveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B. Pünt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 juli 2018.

1 ECLI:NL:HR:2009:BK2866

2 ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ2408