Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:6587

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-09-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
AMS 18/5188
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek vovo hangende bezwaar tegen tenuitvoerlegging strafontslag brandweerman toegewezen. Op het beroep tegen het voorwaardelijk strafontslag is nog niet beslist. Het is onwenselijk om nu al te oordelen over de uitvoering van het ontslag, terwijl die beroepsprocedure nog niet is afgerond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 18/5188 en AMS 18/5212

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 september 2018 in de zaak tussen

[verzoeker], te Landsmeer, verzoeker

(gemachtigde: mr. R.R. Ismail),

en

het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland, verweerder

(gemachtigden: mr. A.M. Wijnhoven, H. Balk en A. de Wolde).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 10 juli 2018 en 15 augustus 2018 heeft het dagelijks bestuur een eerder opgelegd voorwaardelijk strafontslag tenuitvoergelegd.

Verzoeker heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De verzoeken zijn behandeld op de zitting van 7 september 2018. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

De eerdere disciplinaire maatregel; het voorwaardelijk strafontslag

1.1

Verzoeker is op 1 januari 2001 in dienst getreden bij de Brandweer Amsterdam-Amstelland (BAA). Sinds 2005/2006 heeft hij als Hoofdbrandwacht+ gewerkt.

1.2

Het dagelijks bestuur heeft op 12 januari 2018 aan verzoeker de disciplinaire maatregel ‘voorwaardelijk strafontslag’ opgelegd omdat hij zich op 11 november 2017 op Facebook beledigend over de commandant van het brandweerkorps zou hebben uitgelaten. Daarbij is bepaald dat het strafontslag pas ten uitvoer zou worden gelegd als verzoeker zich tijdens een proeftijd van twee jaar opnieuw schuldig zou maken aan plichtsverzuim. Deze proeftijd is ingegaan op 12 januari 2018.

1.3

Verzoeker heeft zich niet neergelegd bij het voorwaardelijk strafontslag. Hij heeft daartegen bij het dagelijks bestuur bezwaar gemaakt. Het dagelijks bestuur heeft dat bezwaar op 18 juni 2018 ongegrond verklaard en het voorwaardelijk strafontslag gehandhaafd. Omdat verzoeker het daar niet mee eens was, heeft hij daartegen bij de rechtbank op 25 juni 2018 onder nummer AMS 18/4766 beroep ingesteld.

1.4

Over het voorwaardelijk strafontslag gaat het in deze zaak niet. Of het dagelijks bestuur die disciplinaire maatregel mocht opleggen moet nog door de bodemrechter worden beoordeeld. Een zittingsdatum voor de behandeling van het beroep is nog niet bepaald.

Wat er is gebeurd na het voorwaardelijk strafontslag; de tenuitvoerleggingsbesluiten

2. In deze zaak draait het om wat er ná het voorwaardelijk strafontslag is voorgevallen. Volgens het dagelijks bestuur heeft verzoeker zich tijdens de proeftijd twee maal opnieuw schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Daarom heeft het dagelijks bestuur het voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer gelegd, waardoor verzoekers dienstverband is beëindigd.

3.1

In het kader van het tenuitvoerleggingsbesluit van 10 juli 2018 zijn de volgende feiten van belang. Verzoekers leidinggevenden hebben op 7 december 2017 met hem gesproken over het Facebookbericht van 11 november 2017. Bij dat gesprek was ook een p&o-adviseur aanwezig. Dat gesprek is enige tijd geschorst voor een leespauze. Verzoeker heeft toen de ruimte waarin het gesprek plaatsvond verlaten, maar een USB-stick met opnameapparatuur op tafel laten liggen. Op die manier heeft verzoeker opgenomen wat er tijdens zijn afwezigheid is gezegd.

3.2

De p&o-adviseur heeft een klacht ingediend omdat verzoeker het gesprek heeft opgenomen en omdat verzoeker aan zijn collega’s heeft verteld wat de p&o-adviseur in zijn afwezigheid heeft gezegd. Naar aanleiding hiervan heeft het dagelijks bestuur bureau Pinkerton opdracht gegeven een onderzoek uit te voeren. In dat kader is verzoeker op 22 maart 2018 gehoord. Op 9 mei 2018 heeft verzoeker een schriftelijke zienswijze ingediend.1

4. In het besluit van 10 juli 2018 verwijt het dagelijks bestuur verzoeker dat hij op 22 maart 2018 niet de waarheid heeft gesproken. Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat verzoeker in strijd met de waarheid heeft ontkend dat hij over de inhoud van het gesprek met anderen dan zijn advocaat heeft gesproken. Het dagelijks bestuur heeft hieraan ten grondslag gelegd dat verzoeker in de zienswijze van 9 mei 2018 naar voren heeft gebracht dat hij de opmerkingen van de p&o-adviseur ook met een collega-vertrouwenspersoon heeft besproken.

5. In het kader van het tenuitvoerleggingsbesluit van 15 augustus 2018 zijn de volgende feiten van belang. Verzoeker heeft in het voorjaar van 2018 met succes een buurvrouw gereanimeerd. Verzoekers schoonvader heeft hierover op 25 juni 2018 een bericht op Facebook geplaatst. Hierop zijn veel reacties gekomen. Verzoeker heeft al deze reacties geliket. Eén van de reacties bevatte een doodsverwensing aan het adres van de brandweercommandant. Verzoeker heeft ook deze reactie geliket.

6. In het besluit van 15 augustus 2018 verwijt het dagelijks bestuur verzoeker dat hij op Facebook een aan de brandweercommandant geuite doodsverwensing heeft geliket. Voor zover het besluit van 10 juli 2018 geen stand zou houden, is dit plichtsverzuim volgens het dagelijks bestuur een zelfstandige grond om tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag over te gaan.

Het standpunt van verzoeker

7.1

Verzoeker is het niet eens met de beide besluiten tot tenuitvoerlegging. Kort gezegd vindt hij dat er geen sprake is van herhaald plichtsverzuim en dat, als dat wel zo zou zijn, de tenuitvoerlegging niet is gerechtvaardigd. Verzoeker stelt dat het dagelijks bestuur zijn op 22 maart 2018 afgelegde verklaring verkeerd uitlegt en dat die verklaring niet in strijd met de waarheid is. Verzoeker stelt verder dat hij tientallen positieve reacties op het Facebookbericht van zijn schoonvader heeft geliket en dat hij de inhoud van die reacties niet altijd goed heeft gelezen omdat het om een grote hoeveelheid ging. Als gevolg daarvan heeft hij ook de reactie met de doodsverwensing geliket. Hij was zich echter niet bewust van de strekking van die reactie en heeft de doodsverwensing ook niet willen onderschrijven.

7.2

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de tenuitvoerleggingsbesluiten. Verzoeker heeft aan het dagelijks bestuur voorgesteld om de bezwaarfase over te slaan en tegen de tenuitvoerleggingen rechtstreeks beroep in te stellen2, zodat de kwestie van de tenuitvoerlegging door de rechter tegelijk met het voorwaardelijk strafontslag kan worden beoordeeld. Omdat verzoeker door het ontslag geen loon meer ontvangt, vraagt hij bovendien de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat gedurende de bezwaarprocedure de werking aan de tenuitvoerlegging van het ontslag wordt ontnomen (‘schorsing van de besluiten’).

De beoordeling door de voorzieningenrechter

8.1

De voorzieningenrechter moet nu beoordelen welk belang hier zwaarder weegt: verzoekers belang bij de schorsing van de tenuitvoerleggingsbesluiten of het belang van het dagelijks bestuur om aan die tenuitvoerlegging daadwerkelijk uit te kunnen voeren.

8.2

Vaststaat dat het dagelijks bestuur geen loon meer aan verzoeker betaalt. Feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat verzoeker zonder dit inkomen zijn vaste lasten kan dragen, zijn niet gebleken. Daarmee is voldoende aannemelijk dat verzoeker spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

8.3

In gevallen waarin de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk ontslag wordt aangevochten, staat de rechtmatigheid van het voorwaardelijk strafontslag meestal al vast omdat daartegen geen bezwaar is gemaakt of omdat een bodemrechter zich daarover al heeft kunnen uitspreken. In deze zaak is dat niet het geval. Dat maakt dat de voorzieningenrechter nu moet beoordelen of het ontslag uitgevoerd mag worden terwijl de rechtmatigheid van het onderliggende voorwaardelijk strafontslag nog niet door de bodemrechter is beoordeeld.

8.4

Verzoeker heeft geprobeerd om alle verweten plichtsverzuimen, dat wil zeggen de plichtsverzuimen die aan het voorwaardelijk ontslag en aan de tenuitvoerleggingen ten grondslag liggen, door dezelfde bodemrechter te laten beoordelen. Het dagelijks bestuur heeft daar echter niet mee ingestemd. Volgens het dagelijks bestuur gaat het bij het voorwaardelijk ontslag en de tenuitvoerleggingen om verschillende feiten. Daarnaast wil het dagelijks bestuur eerst in een beslissing op bezwaar reageren op wat verzoeker heeft aangevoerd. Die mogelijkheid is er bij een rechtstreeks beroep niet, aldus het dagelijks bestuur.

8.5

Het stond het dagelijks bestuur vrij om niet met een rechtstreeks beroep in te stemmen. Daarmee is wel een situatie ontstaan dat twee verschillende rechters zich moeten uitlaten over afzonderlijke disciplinaire maatregelen. Die maatregelen berusten weliswaar op verschillende feiten, maar de besluiten tot tenuitvoerlegging bouwen wel voort op het voorwaardelijk strafontslag. De voorzieningenrechter vindt het onwenselijk dat nu al geoordeeld wordt over de uitvoering van het ontslag terwijl de bodemprocedure van het voorwaardelijk strafontslag nog niet is afgerond. De voorzieningenrechter dringt er daarom bij het dagelijks bestuur op aan om op korte termijn te beslissen op de bezwaren tegen de tenuitvoerleggingsbesluiten. Indien die bezwaren ongegrond zijn en verzoeker daar spoedig beroep tegen instelt, kan de rechtbank die beroepen mogelijk alsnog gelijktijdig behandelen met het beroep tegen het voorwaardelijk strafontslag.

8.6

Bij deze stand van zaken weegt het belang om uitvoering te geven aan de tenuitvoerlegging minder zwaar dan het belang om die besluiten te schorsen. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het loon van verzoeker voorlopig wordt doorbetaald. De tenuitvoerleggingsbesluiten worden dus in zoverre geschorst.

Conclusie

9.1

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe en zal de beide besluiten tot tenuitvoerlegging schorsen in die zin dat het loon van verzoeker wordt doorbetaald vanaf 20 augustus 2018, de datum van de indiening van de verzoekschriften, tot de bekendmaking van de beslissing op de bezwaren.

9.2

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat het dagelijks bestuur aan verzoeker door hem betaalde griffierecht vergoedt. De voorzieningenrechter veroordeelt het dagelijks bestuur in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). Daarbij beschouwt de voorzieningenrechter de beide verzoeken als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Bpb.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst de tenuitvoerleggingsbesluiten in die zin dat het loon van verzoeker moet worden doorbetaald vanaf 20 augustus 2018 tot de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt het dagelijks bestuur op het betaalde griffierecht van in totaal € 340,- (twee maal € 170,) aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.P. Braam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Het gaat hier om een zienswijze tegen een voorgenomen schriftelijke berisping voor de heimelijk gemaakte opname. Het dagelijks bestuur heeft deze disciplinaire maatregel uiteindelijk niet opgelegd.

2 Het gaat hier om een rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht.